Terug naar vorige pagina
De Telegraaf, 11 februari 2007
Bron: de Telegraaf
"Eerst erkenning, dan verzoening"
Redactie binnenland
ALMELO, zondag. "Soms", zegt Arsades Afsar bedachtzaam, "schiet het zo maar door me heen. Zonder aanleiding. Als de genocide er niet was geweest", vervolgt hij nadenkend, "dan hadden we dit gesprek nooit hoeven voeren. Dan woonde ik nog in Turkije. Heel veel Armeniërs zouden niet in Europa, niet in Nederland zitten als er geen genocide was geweest."
Afsar is 28 jaar en heeft het uiteraard allemaal niet meegemaakt toen in 1915-1916 tussen 800.000 en 1,2 miljoen christelijke Armeniërs door de islamitische voorlopers van de Turkse republiek werden vermoord, maar het zit vastgeklonterd in zijn genen.
Hij oogt als zovele nazaten van de overlevenden van de joodse holocaust, deze jongeman wiens levenspad ook voor altijd getekend zal zijn door de gapende littekens van zijn volk. Een man vooral die niet kan leven met de hardnekkige ontkenning van die erfelijke verwondingen door het nageslacht van de aanstichters ervan.
Rouwverwerking
"De Armeense genocide", ontkend door zovele Turken – ook in Nederland – tekent al negentig jaar Armeense geslachten. Maakt mensen als Arsades Afsar tot plaatsvervangende slachtoffers, omdat een open gesprek erover met de kleinkinderen van de daders onmogelijk blijkt. Omdat de weigering tot erkenning de rouwverwerking in de weg staat en daarmee, vele malen belangrijker, de verzoening waar hij, en met hem alle Armeniërs, zo naar hunkert.
Hagop Goel (48) haalt even de bril van zijn neus. Staart in het oneindige, alsof op zijn geestelijk netvlies de gebeurtenissen zich herhalen. "Zonder genocide woonden we hier niet", klinkt het tenslotte stellig en Afsar kan het alleen maar beamen. Dat geldt voor alle, ongeveer 15.000 Armeniërs in Nederland.
Goel, secretaris van de Stichting Yerevan in Almelo – met zijn 4000 Armeniërs de Armeense "hoofdstad" van Nederland – staat vanwege zijn leeftijd twintig jaar dichter bij de inktzwarte periode dan zijn vriend Afsar. "Ik ben nergens thuis. In Turkije ben ik niet welkom en toen ik er in 1978 wegvluchtte, voelde ik me een vreemdeling in mijn eigen land. We werden onderdrukt, altijd."
Die onderdrukking, erkennen beiden, had niet alleen te maken met hun christelijke achtergrond in een goeddeels islamitisch land, maar vooral met het feit dat hun aanwezigheid aan iets herinnerde wat de Turken liever niet willen weten.
Arsades Afsar: "Er zijn in Nederland ook vooroordelen tegen buitenlanders, maar je bent hier wel veilig, je kunt je mening geven. Ik ben nu Nederlander, maar toch voel ik me niet compleet, een stukje van mij ligt altijd in Armeens Turkije." Zo is het met alle Armeniërs, zeggen beiden. Nergens voelen ze zich helemaal thuis, zeker niet in Turkije, waar Armeniërs meer dan 3000 jaar hebben gewoond, vaak onder erbarmelijke omstandigheden. Afsar schampert: "Toen wij in 1985 vertrokken, waren er nog zo'n 100.000 Armeniërs over in Turkije. Nu zijn dat er nog geen 40.000. Meer dan de helft is de afgelopen twintig jaar naar elders vertrokken. We blijven in Turkije een onderdrukt volk."
In de erker tussen twee hoge ramen van het pand van de stichting Yerevan, aan de rand van Almelo, hangt een forse foto van een man met een open, bijna aandoenlijk naief gezicht. Het is de beeltenis van Hrant Dink, de Turks-Armeense journalist die in januari werd vermoord omdat hij in zijn krant Agos steeds weer aandacht vroeg voor de "Armeense kwestie".
Goel was dik met hem bevriend. "In oktober was hij nog hier. Ik heb hem toen gevraagd of het niet te gevaarlijk was wat hij allemaal deed. We moeten dit doen, zei hij toen, de nieuwe generatie Turken weet hier niets van."
Burgemeester Deetman van Den Haag ontving hem en Goel laat de snapshots zien van die ontmoeting. Glunderende gezichten alom. Goel heeft meer foto's die hij heeft opgeborgen in een twee vuisten dikke, grote doos. Foto's die getuigen van een andere werkelijkheid. Zwart-wit beelden die in 1915, 1916 zijn gemaakt en van tijd tot tijd dienst doen als expositiemateriaal. Beelden die in Turkije taboe zijn en waarvoor Goel's vriend Hrant Dink moest sterven, omdat hij ze steeds opnieuw onder de aandacht bracht.
Het zijn angstaanjagende foto's van uitgemergelde mannen, vrouwen en kinderen, lange rijen lijken, beenderen van wat ooit mensen waren. Vernederingen hangen als een waas over die negentig jaar oude registraties.
Turkije en de Turkse gemeenschap in Nederland hebben daar andere gevoelens bij. Dat er iets is gebeurd dat duizenden, honderdduizenden, ja zelfs meer dan een miljoen Armeniërs het leven kostte, dat wil er aan Turkse kant niet in. Al negentig jaar verzwijgt Turkije deze "volkerenmoord". In Nederland werd de "Armeense kwestie" vorig jaar ineens actueel. CDA en PvdA verwijderden drie Turks-Nederlandse kandidaat-Kamerleden van hun kieslijst omdat zij de Armeense genocide niet wilden erkennen.
Afsar was blij dat er in Nederland een grens werd getrokken. "Maar het voelde absoluut niet als een overwinning. Al wat wij willen is een erkenning van de Turken dat de genocide heeft plaatsgevonden. Graag zouden wij ons ook met hen willen verzoenen. Maar er is geen verzoening mogelijk zonder erkenning."
Voorzichtig
Steeds als Armeniërs de zaak aankaarten is het hek van de dam, weet Goel. Incidenten zijn er genoeg geweest. "We zijn voorzichtig", verzucht hij. Vers in het geheugen ligt nog het tumult rond het oprichten van een gedenksteen in Assen. De hele Turkse gemeenschap viel in 2000 over de Armeense initiatiefnemer heen, die moest verhuizen en een geheim telefoonnummer moest nemen om niet langer door Turkse organisaties in Nederland te worden belaagd.
"Wat er toen gebeurde is toch niet normaal", zegt Goel. Eindresultaat was dat de gemeente Assen het monument toestond, maar het woord "genocide" op de inscriptie verbood.
Afsar blijft zoeken naar openingen: "De jongere generaties Turken zijn natuurlijk niet schuldig aan die massamoord. Wat we ze wel kwalijk nemen is dat zij weigeren het zelf te onderzoeken, zichzelf met de geschiedenis te confronteren. Vaak merk je dat jonge Turken het niet eens weten, zelfs niet de officiele Turkse versie", zegt hij.
In die versie heulden de Armeniërs in hun stamgebied in Oost-Turkije in de Eerste Wereldoorlog met de vijand en dat was Rusland. Ze werden gedeporteerd naar verder afgelegen gebieden in het toenmalige, zieltogende Ottomaanse Rijk. Het grootste deel van hen overleefde die barre tocht niet.
Goel: "Hrant Dink dacht dat in het moderne Turkije steeds meer bespreekbaar kon zijn. Turkije is aan het veranderen, dacht hij. De Turkse jongeren moeten het weten en hij zocht daarom de dialoog." Dink werd vele malen voor de rechter gedaagd wegens belediging van de Turkse nationaliteit, krachtens het Turkse wetboek van strafrecht.
Voor de Turken is het woord "genocide" beladen. Kunnen de partijen elkaar niet tegemoet komen? Afsar en Goel schudden bedenkelijk het hoofd. "Wij zoeken geen compromis. We zoeken geen goedkeuring van de Turkse kant. We zoeken erkenning, we willen het achter ons laten. Daarna zijn we zeker bereid tot verzoening."
Onderzoek
Bij de Armeniërs gaat het er niet in dat Turkije nog steeds de hakken in het zand zet. Turkije wil een nieuw historisch onderzoek. Afsar: "De Armeense genocide is genocide. De wereld weet het al, daar is geen nieuw onderzoek voor nodig."
Dat het drama nog steeds een enorme impact heeft en immer nieuwe slachtoffers maakt, bewijst de moord op Hrant Dink. Afsar verwoordt beider gevoelens. "Toen Hrant Dink werd vermoord, vroeg ik me af waarom ik hier ben. Je torst deze geschiedenis altijd met je mee."
Goel knikt en lacht bij de suggestie dat er inmiddels, na het uiteenvallen van de Sovjet-Unie, een land is dat Armenië heet en waartegen de selectie van Marco van Basten al een balletje heeft getrapt. "Ach, dat is natuurlijk nu ons land, maar het is ook tweede keus. Dat is toch niet je echte bakermat."
De Armeniërs snappen heel goed waarom Turkije zo halsstarrig is. "Natuurlijk zijn ze bang voor claims. En de huidige Turkse republiek is mede gesticht door mensen die zelf aan die genocide hebben meegedaan. Dat erkennen haalt ze van hun voetstuk", constateert Afsar nuchter.
Misschien slijt het allemaal, die erfelijke belasting, met iedere generatie. Goel lacht. "Mijn kinderen zijn half Nederlands, half Armeens. Ook zij zijn gebroken, maar ze voelen zich hier meer thuis dan ik." Goels kinderen zijn geen vluchtelingen, maar het blijven Armeniërs belast met het collectieve Armeense trauma waar Turkse landgenoten niets of weinig van willen weten.
"Ach", zegt Goel met gevoel voor understatement, "hier in Almelo is er bijna geen contact met de Turkse gemeenschap. Behalve natuurlijk als wij iets organiseren, dan krijg je meteen een reactie. Maar geen dialoog."