Terug naar vorige pagina 

Rotterdams Dagblad, 15 Januari 2005
Bron: Rotterdams Dagblad

Turkije's misdaad
Door René Diekstra

"Ik wil graag," zei Talaat, "dat u de Amerikaanse levensverzekeringsmaatschappijen er toe beweegt om ons een complete lijst te sturen van al hun Armeense polishouders. Ze zijn praktisch allemaal dood nu en er zijn geen erfgenamen meer om het geld te innen. Het vervalt daarom allemaal aan de staat. De regering is nu de begunstigde. Wilt dat doen?" Dat was me te veel en ik verloor mijn zelfbeheersing. "U zult zo'n lijst niet van mij krijgen," zei ik, stond op en vertrok.

Deze passage is afkomstig uit het boek dat de Amerikaanse ambassadeur in Turkije, Henry Morgenthau, in 1918 publiceerde, kort nadat hij naar de Verenigde Staten was teruggekeerd. Ze verwijst naar één van de ergste gruweldaden uit de vorige eeuw, in verschrikking eigenlijk alleen te vergelijken met de uitroeiing van de joden door de Nazi's. Maar er is een belangrijk verschil. Terwijl de natie die verantwoordelijk is voor de joodse holocaust, Duitsland, daarvoor de verantwoordelijkheid volledig op zich heeft genomen, heeft de natie die verantwoordelijk is voor die andere, de Armeense holocaust, namelijk Turkije, tot op de dag van vandaag geweigerd hetzelfde te doen.

Dat roept een pijnlijke vraag op. Stel dat Duitsland tot nu toe steeds geweigerd had de door haar gepleegde uitroeiing van de joden toe te geven, zouden we dan met dat land in een Europese Gemeenschap willen zitten? De vraag stellen is haar beantwoorden. Hoe kunnen we het dan maken, zoals inmiddels al is besloten, om met Turkije over toetreding te gaan praten?

Het antwoord luidt, vrees ik, dat morele overwegingen, zeg maar essentiële waarden, ondergeschikt zijn gemaakt aan politieke, economische en militair-strategische belangen. Dat gebeurt wel vaker. Maar het is wel bijzonder wrang dat deze verkwanseling van morele waarden juist is gebeurd onder het voorzitterschap van onze eigen minister-president, die zich afficheert als de grote waarden-en-normen voorvechter. Moreel gezien had hij, namens de EU, van Turkije moeten eisen dat zij haar verantwoordelijkheid voor de genocide op de Armeniërs, openlijk zou erkennen alvorens er überhaupt van gesprekken over toetreding sprake kon zijn.

Blijkbaar zijn we er op dit punt in de afgelopen eeuw niet op vooruitgegaan. Want direct na de Eerste Wereldoorlog vond men wereldwijd dat Turkije hier niet mee weg mocht komen, getuige de reacties op een in verschillende opzichten hoogst opmerkelijke gebeurtenis op 15 maart 1921. In de Hardenbergstraat te Charlottenburg bij Berlijn, vermoordt een Armeense student, Teilirian genaamd, de gewezen Turkse staatsman Talaat Pasha, dezelfde waar Morgenthau het in de aangehaalde passage over had. De moordenaar wordt door een woedende menigte gegrepen, tot bloedens toe geslagen en aan de politie overgeleverd. Op 2 juni van dat jaar begint het proces tegen de dader. Daarin wordt ondubbelzinnig vastgesteld dat Teilirian, weliswaar zwaar getraumatiseerd, maar toch met voorbedachte rade, zijn slachtoffer om het leven heeft gebracht.

De volgende dag al doet de Berlijnse rechtbank uitspraak: Teilirian wordt vrijgesproken. Door de hele wereld gaat een zucht van verlichting en het gevoel dat het recht heeft gezegevierd. Voor Teilirian zelf betekent de uitspraak niets minder dan een persoonlijke gedaanteverwisseling. Van een ontredderd, angstig, alles en iedereen wantrouwend wezen verandert hij in een persoon die weer vertrouwen in de wereld, in de toekomst en in zichzelf krijgt.

Zijn slachtoffer was tijdens de Eerste Wereldoorlog minister van binnenlandse zaken van het Turkse Rijk geweest. Op zijn bevel was het vraagstuk van de daar wonende Armeniërs "opgelost". In 1915 werden de Turkse Armeniërs van hun bezittingen beroofd, uit hun woonplaatsen weggejaagd en in de meeste gevallen op beestachtige wijze afgeslacht of via uithongering, verwaarlozing of marteling om het leven gebracht. Niemand weet precies hoeveel het er zijn geweest, maar zeker is dat minstens 600.000 en mogelijk zelfs 1,5 miljoen Armeniërs zijn omgekomen.

Bij een van de slachtpartijen was toen 16-jarige Teilirian met een geweerkolf neergeslagen. Doodgewaand had men later het zwaar verminkte lijk van zijn broer boven op hem gegooid. Twee dagen lang lag Teilirian onder het lichaam van zijn broer zonder zich te durven verroeren. In die tijd had hij talloze malen naar de wanhoopskreten van zijn zusters moeten luisteren die steeds weer op de meest walgelijke wijze werden verkracht en tenslotte in stukken gehakt.

Als enige overlevende van zijn grote familie zwierf de jongen jaren door Perzië en Turkije, totdat hij ten slotte weer in zijn geboortestad terugkwam. Van de oorspronkelijk 20.000 Armeniërs daar waren er nog amper dertig in leven. Op een nacht, zo vertelde hij de rechtbank, was zijn moeder in een droom bij hem gekomen en had hem bevolen zich op de moordenaars te wreken. De vrijspraak van Teilirian is de eerste en tot nu toe enige keer dat aan een slachtoffer van de Armeense holocaust recht is gedaan. Stemmen tegen toetreding van Turkije zou wel eens de enige andere manier kunnen blijken om te zorgen dat het niet bij die ene keer blijft.