Terug naar vorige pagina
Reformatorisch Dagblad, 12 oktober 2006
Bron: Reformatorisch Dagblad
De volkerenmoord op Armeniërs
ANP
RIJSWIJK (ANP) - Op 24 april 1915 werden in Istanbul honderden Armeense intellectuelen gearresteerd en korte tijd later vermoord. Het was het begin van een georganiseerde campagne tegen de tussen de 1,3 en twee miljoen Armeniërs in het Ottomaanse Rijk, die aan eenderde tot driekwart van hen het leven kostte. Armeniërs spreken van anderhalf miljoen doden.
De Turkse republiek heeft na zijn vestiging in de jaren twintig erkend dat er circa 300.000 Armeense doden zijn gevallen. Maar zij waren het slachtoffer van vijandelijkheden in de oorlog en niet van een georganiseerde vervolging.
De piek van de gruwelen lag tussen april 1915 en het einde van dat jaar. De meeste slachtoffers werden niet snel over de kling gejaagd. Aan de dood van de Armeniërs in het Ottomaanse Rijk ging buitensporig veel leed vooraf vooral bij vrouwen, kinderen en ouderen die op dodenmarsen werden gestuurd.
Veel mannen werden eerst afgevoerd en relatief snel gedood. De overige familieleden werden "gedeporteerd". Zij moesten zonder voldoende voedsel of drinkwater naar de woestijn lopen in het noordoosten van het huidige Syrië. Ze werden mishandeld, verkracht en kinderen werden ontvoerd en/of misbruikt. Velen bereikten de kampen in Syrië niet, maar bezweken aan de ontberingen of werden door hun "escorte" of door bendes langs hun route afgeslacht.
De meeste landen volgen om politieke redenen het Turkse voorbeeld. Bij plechtige holocaustherdenkingen in Europa wordt meestal niet gesproken over de eerste grote holocaust van de twintigste eeuw. Maar een aantal parlementen heeft de genocide op Armeniërs uitdrukkelijk erkend.
De vervolging van Armeniërs en andere religieuze of etnische minderheden was schering en inslag in het Ottomaanse Rijk. Het waren uitbarstingen van etnisch geweld in het uitgestrekte rijk. De volkerenmoord op Armeniërs begon in 1915 onder invloed van, of zoals de Armeniërs stellen, met als dekmantel, de Eerste Wereldoorlog. De Ottomaanse autoriteiten hadden de Armeniërs afgeschilderd als opstandelingen die uitgeschakeld moesten worden. De Armeniërs waren geen enthousiaste verdedigers van het rijk. Maar er was geen grote opstand, die Ottomaanse diplomaten in Istanbul tegenover hun buitenlandse collega's als rechtvaardiging aanvoerden.
De terreur tegen Armeniërs en de organisatie van de vervolging van deze bevolkingsgroep bestonden al voor de Ottomaanse deelname aan de oorlog aan de zijde van onder meer Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. De Europese bondgenoten van Istanbul wilden de slachtingen stilhouden. Dat was door de schaal van de deportaties en massamoorden moeilijk. De Geallieerden veroordeelden in mei 1915 al de massamoorden. In juli 1915 moest ook de Duitse ambassadeur in Istanbul, graaf Hans von Wangenheim, aan Berlijn berichten dat "er geen enkele twijfel meer mogelijk was dat de Porte (Ottomaanse regering) probeerde het Armeense ras in het rijk te vernietigen". In juni telegrafeerde de graaf Berlijn dat minister van Binnenlandse Zaken, Mehmed Talaat, hem had opgebiecht dat de massadeportaties "niet enkel uit militaire overwegingen" gebeurden. Talaat was een van de hoofdverantwoordelijken voor de genocide.
Hij had tegenover Von Wangenheim in februari 1915 aangekondigd dat deze oorlog het moment was om de Armeense kwestie definitief op te lossen.