Terug naar vorige pagina 

Reformatorisch Dagblad, 10 augustus 2007
Bron: Reformatorisch Dagblad

Een volk in benauwdheid
Door Jasper van den Bovenkamp

Armeniërs zuchten om vrede, vrijheid en verzoening

"God, wilt U het Azerische volk gedenken? Wilt U ervoor zorgen dat wij, Armeniërs, eens in vrede zullen leven met ons buurland, Azerbeidzjan? Amen." Het gebed van Gevorg Babayan illustreert hoe de zaken er in Armenië voor staan: er is geen haat. Niet richting Turkije, niet richting Azerbeidzjan. Er is enkel een zucht om vrijheid en verzoening van een volk in verdrukking.

Armeniërs zijn trotse mensen. Ze zijn trots op hun natuur, op de Ararat, op hun volk, op hun cultuur. Ze praten niet over het weer, maar hebben het over de Ararat. "Wat zie je hem vandaag weer goed, hè?" Gesprekken gaan niet over het wereldgebeuren of globalisering. Er wordt gesproken over Armenië, over de relatie met Turkije en Azerbeidzjan, over de genocide. Hun wereld is klein, maar rijk. Hun geschiedenis donker. En hun positie netelig: er is onvrede met buurland Azerbeidzjan om de enclave Nagorno-Karabach en ruzie met buurland Turkije om erkenning van de genocide aan het begin van de twintigste eeuw.

De genocide, waarin de Turken naar schatting 1 tot 1,5 miljoen Armeniërs afslachtten, staat diep gegrift in de Armeense ziel. Hoewel de moordpartijen bijna een eeuw geleden plaatshadden, laaien de emoties vandaag de dag nog hoog op wanneer men erover spreekt.

Babayan, werkzaam voor de CPUA, een organisatie die zich sterk maakt voor het integreren van christelijke normen en waarden in de Armeense republiek, weet ervan. "Bijna iedere Armeen die nu leeft, heeft wel iemand in de familie die tijdens de moordpartij is omgekomen. Daarom is het ook niet verwonderlijk dat er zo veel over wordt gesproken. Het doet ons pijn dat Turkije zijn gruweldaden niet erkent. Dat raakt iedere Armeniër. We zijn wel erg blij met en dankbaar voor elk land dat de genocide erkent."

Monument
In een park in Jerevan staat Vilen Hayrapetyan. In zijn verzameling bevindt zich een schilderij over de genocide. "Ik zet het altijd op de onderste rij, zodat mensen moeten buigen als ze het willen zien", zegt hij niet zonder trots. "En als ze het willen kopen, maak ik de prijs zo hoog dat ze het wel uit hun hoofd laten." Waarom zet hij het schilderij er dan neer? "Ik wil gewoon dat iedereen er weer even bij stilstaat. Zo belangrijk vind ik dat."

Ook in het politieke leven is de genocide vooral een zaak van emotie. Erkenning ervan is voor de Armeniërs geen formaliteit. Voor het volk niet, maar ook voor politici niet. Nee, een Armeen kan zich niets mooiers, niets fantastischer wensen dan dat Turkije de volkerenmoord toegeeft. Het is zijn droom, zijn grootste verlangen.

Bij het genocidemonument, waar jaarlijks op 24 april de volkerenmoord wordt herdacht, komen alle herinneringen aan het duistere verleden samen. Twaalf zuilen symboliseren de twaalf provincies waar de Armeniërs aan het begin van de twintigste eeuw het leven lieten. Middenin brandt de eeuwige vlam. Daaromheen liggen rozen, verdord door de hitte.

"Wij vergeten jullie nooit", spreekt Babayan. Uit boxen klinkt geestelijke muziek. "Deze plaats is erg belangrijk voor ons", legt hij uit. "Hier herdenken we het droevige feit dat ons volk werd vermoord. We waren van het Armeense ras en we waren christen. Daarom moesten we dood."

Een zestienjarige tuinman zegt "verdrietig en bezorgd" te zijn. Hij kijkt naar de grond. "In Turkije zeggen ze dat het genoeg is als er één Armeen overblijft. Die kunnen de Turken dan in een museum zetten." Een 11-jarig meisje dat met haar klas op excursie is, wordt "beroerd" bij het zien van het monument. "Ik wil onze eer herstellen", zegt ze dapper.

Kerkdienst
In het nationale museum hangen schilderijen en foto's van onthoofde lichamen, rouwende families rond massagraven, grote hopen schedels, uitgehongerde kinderen, naakte mannen en vrouwen die met een hand proberen hun schaamte te bedekken. Er zijn foto's van opgeknoopte artsen, op stokken gespietste hoofden, dode kinderen op de schoot van hun huilende moeder.

Demoyan, de directeur van het museum: "De genocide is nog steeds enorm belangrijk voor ons. Daar willen we door middel van dit museum uitdrukking aan geven." Om er meteen aan toe te voegen: "Maar wij hebben niet het grootste probleem. Turkije heeft een probleem, want het moet de genocide erkennen."

Ook tijdens de kerkdienst in de Armeens-Evangelische Kerk van Jerevan blijft de genocide niet onbesproken. "Armenië is een gezegend land", spreekt de voorganger. "Het geniet bijzonder Gods liefde, omdat het een van de eerste landen is die het christendom als godsdienst accepteerden. Maar we zijn misschien wel veel te veel ermee bezig dat de genocide erkend moet worden. Laten we toch eerst God erkennen."

Enclave
Minder aangrijpend, maar zeker niet onbelangrijk is voor de Armeniërs hun relatie met Azerbeidzjan. In een oorlog om de Armeense enclave Nagorno-Karabach, die begon in 1988, vielen tienduizenden doden en vluchtten honderdduizenden mensen. In 1991 riep de enclave zijn onafhankelijkheid uit, maar die wordt nog steeds door geen enkel land gerespecteerd.

In de straten van Jerevan zijn de meningen verdeeld over de toekomst van de enclave. Een jongeman ziet oorlog wel zitten. "Kijk, natuurlijk moeten we eerst kijken of het op een vredige manier kan. Maar als Azerbeidzjan blijft weigeren de enclave te erkennen, dan moeten we het dwingen. Met oorlog bijvoorbeeld." Zijn vriend doet er nog een schepje bovenop. Een compromis sluiten met het islamitische buurland is volgens hem geen optie, "want Nagorno-Karabach is toch al van ons." Hij houdt de Azeri's verantwoordelijk voor elke druppel bloed die tijdens de oorlog is vergoten. "Daarom stoppen we niet voordat we bereikt hebben wat we willen."

Een jonge vrouw even verderop knikt overtuigend op de vraag of ze vrede wil met Azerbeidzjan. "Ik zou alleen niet weten hoe dat ooit moet. De enige mogelijkheid die ik zie is dat Azerbeidzjan onze enclave met rust laat. En dat zie ik niet gebeuren." Ze zucht eens diep en loopt dan verder.

Een winkelier in een supermarkt vindt dat Kotsjarian, de president van Armenië, zich niet moet bemoeien met Nagorno-Karabach. "Hij heeft er geen recht op de problemen op te lossen; het is een kwestie van het volk en de president van de enclave zelf. Het enige wat Armenië kan doen, is hulp bieden als daarom gevraagd wordt." Hij staat op van zijn stoel en kijkt naar een paar luisterende klanten. "Zo is het toch?" vraagt hij hen. De meesten knikken instemmend. "Nagorno-Karabach is van ons", zegt een grijsaard gedecideerd. "Maar we moeten ons niet zoveel bemoeien met dat volk. Het gaat erom wat zij willen."

Nellie, een dochter van Gevorg Babayan, vindt dat te veel Armeniërs kortzichtig zijn als het gaat om de toekomstperspectieven voor de enclave. "Ze denken hier op straat dat er op twee manieren vrede kan komen: óf er moet oorlog worden gevoerd, óf Armenië krijgt gewoon zijn zin. Van dialoog en compromis hebben ze niet zo veel kaas gegeten."

De 18-jarige scholiere weet wel dat op hoger niveau genuanceerdere opvattingen gelden. Het probleem is volgens Nellie echter dat politiek en bevolking beide het verlangen naar vrede koesteren, maar over de manier waarop denkt men verschillend. "Veel mensen hier op straat, en vooral de jongeren, weten vaak niet eens wat de standpunten van de Armeense president Kotsjarian zijn als het over de enclave gaat. Je merkt dat de ouderen er beter over nadenken. Zij willen constructieve vrede. En ik denk dat deze gedachte door de meeste Armeniërs ten diepste wel wordt gedeeld. Hier op de straten roepen sommige mensen grote woorden, maar thuis, in de kerk en op school klinkt een ander geluid. Daar bidden mensen om vrede."

Aan optimisme ontbreekt het de Armeniërs niet, maar hoe de toekomst er werkelijk uit zal zien, is hun onbekend. Toch weten ze één ding zeker: Turkije zal de genocide erkennen, Azerbeidzjan zal de onafhankelijkheid van de enclave respecteren en de Ararat zal Armenië weer toebehoren. "God zal ons zuchten verhoren."

Nagorno Karabach: arm, maar vol goede moed
De Lachincorridor is de enige manier om van Armenië naar Nagorno Karabach te komen. De slingerende weg voert langs reusachtige bergtoppen en grauwe rotsblokken. Maar ook grazige weiden en zeer stille wateren tonen er hun pracht. Schaapherders begeleiden kuddes over de weg naar vruchtbare velden. De natuur symboliseert eenvoudig de paradoxen die het gebied herbergt: armoede, strijd en een jammerlijk verleden tegenover een rijke natuur, de vriendelijkheid en opgewektheid van de bewoners.

In Stepanakert, de hoofdstad van Nagorno Karabach, wacht de vicevoorzitter van het parlement: Rudolf Hsusunts. Een afspraak met hem maken is niet moeilijk. Hsusunts maakt zich sterk voor toenadering tot Azerbeidzjan. Er moet een compromis bereikt worden met het buurland. In de praktijk is dat echter best lastig, zo ervaart hij. "Ons parlement wordt zelfs door Armenië niet erkend. Maar het is moeilijk voor Armenië om tot een oplossing te komen als het onze regering er niet bij betrekt. Omdat onze diplomatieke betrekkingen met de buitenwereld nog niet goed georganiseerd zijn, regelt Armenië nu het meeste. Maar daar komt wel verandering in."

De enclave verklaarde zich op 2 september 1991 onafhankelijk van Azerbeidzjan als de republiek Karabach. Maar deze onafhankelijkheid wordt internationaal niet erkend. Formeel behoort Nagorno Karabach tot het grondgebied van Azerbeidzjan, maar de facto gedraagt de enclave zich als een onafhankelijke republiek. Er is sprake van Armeense invloed op het bestuur en Armeense en Russische legers beschermen de enclave.

Het buitenland bemoeit zich regelmatig met de kwestie rond de enclave. "Daar hebben we het hier niet zo op", zegt Hsusunts. "De mensen hier weten wat ze willen en daar gaat het om."

Opmerkelijk is zijn visie op de toekomst van Nagorno Karabach. "We zullen straks misschien allemaal bij de grens sterven, maar we doen geen stap terug. Nagorno Karabach hoort niet bij Azerbeidzjan."

Ernest Ghevondyan, gouverneur van het district Qashatagh, herinnert zich de oorlog met Azerbeidzjan nog goed. "Het zit heel diep bij me. Ik zie de dode kindertjes voor me, stervende ouderen, verwoesting, ellende. Die zes jaren van oorlog vergeet ik nooit meer."

Tachtig procent van Nagorno Karabach is tijdens de oorlog verwoest. Gebouwen, infrastructuur, waterleidingen, spoorlijnen: bijna alles was kapot. Nu, vijftien jaar later, moet er nog veel worden hersteld. Toch is er volgens Ghevondyan al veel werk verzet. "Het volk werkt hard en het doet alles wat in zijn vermogen ligt om deze enclave weer op te bouwen. We gaan een toekomst tegemoet waarin ons volk in vrijheid kan leven."

De economie van Karabach klimt traag op uit een diep dal. Hoewel mensen in het gebied niet omkomen van de honger, is de economische positie niet sterk genoeg om binnen enkele jaren de traumatische herinneringen aan de oorlog weg te poetsen. Maar voorspoed en rijkdom zijn voor de Armeniërs in Karabach niet het belangrijkst. Ghevondyan, starend uit het raam: "We willen onafhankelijkheid, vrijheid, vrede."

Voelt de bevolking van Karabach zich soms niet een beetje machteloos? "Nee", zegt de gouverneur. "Ons conflict met Azerbeidzjan is maar tijdelijk, eens zullen we verzoend zijn met het land. In deze wens is de stem van het volk belangrijk. Niet de politiek, maar het volk bepaalt wat er in de toekomst gaat gebeuren. Ik ben wel bereid onze vrijheid tot het uiterste te verdedigen."

Ghevondyan vermoedt dat het conflict met Azerbeidzjan door de buitenwereld niet goed wordt begrepen. "Men denkt dat het hier draait om een oorlog tussen Armenië en Azerbeidzjan, maar het gaat hier alleen om de wil van een volk. Een volk dat verlangt in vrede en vrijheid te leven. En wij willen hun die veiligheid geven, daar zullen we alles voor doen."

De strijd van de Armeniërs in de enclave om de onafhankelijkheid internationaal geaccepteerd te krijgen, is bepaald geen eenvoudige. Azerbeidzjan is er stellig van overtuigd dat de enclave hem toebehoort, Armenië is van mening dat het gebied altijd al van hem is geweest. Politici zeggen bereid te zijn een compromis te sluiten, maar de pogingen tot toenadering die de presidenten van Armenië en Azerbeidzjan in het verleden deden, werden hun door het volk niet in dank afgenomen. "Tja", zegt Hsusunts, "in Armenië is de kloof tussen politiek en burger groot. Maar hier in Nagorno Karabach niet. Wij kennen onze burgers en staan dus heel dicht bij hen."

En dat is zo. Manana, een vrouw die tijdens de oorlog haar man verloor, spreekt in de spookstad Shushi lovende woorden. "Ik ben heel positief over de plaatselijke politiek. Ik geloof stellig dat Nagorno Karabach straks een land zal worden, dat erkend wordt door andere landen." Ook Karine, een oudere vrouw, wil dat de regering van Nagorno Karabach contact houdt met Azerbeidzjan. "Als er maar vrede komt."

Evelina, die met haar familie sinds 1995 weer in Shushi woont, ziet het wel zitten met de enclave. "We moeten allemaal veel kinderen krijgen en hard werken. Dan komt het goed!"

Shushi is een van de dorpen die tijdens de oorlog totaal zijn verwoest. Alle mensen die er woonden, zijn gevlucht of gedood. Na de oorlog keerden enkelen weer terug. "Shushi moet van de grond af worden opgebouwd", zegt Manana, "maar binnen tien jaar ziet het er hier heel anders uit. Dat weet ik zeker." Ze lacht haar gouden tanden bloot en knikt vriendelijk. "Dat weet ik zeker", herhaalt ze vastberaden.