Terug naar vorige pagina
Het Parool, 23 oktober 2004
Bron: het Parool
Ontkenning van Turkse holocaust
Door Bart Middelburg
De mensenrechtenkwestie is een groot obstakel voor Turkse toetreding tot de Europese Unie. Turkije heeft echter nog een lijk in de kast: de Armeense genocide en de politiek van ontkenning die de Turken voeren ten aanzien van die islamitische massamoord op christenen.
Begin januari 2001 zette de Franse president Jacques Chirac zijn handtekening onder een wet waarin de massamoord werd erkend die Turken bijna een eeuw geleden pleegden op het Armeense volk. Turkije reageerde meteen door alle mogelijke contracten met Frankrijk op te zeggen. In 2003 erkende ook het Zwitserse kanton Vaud de genocide. De Zwitserse minister van Buitenlandse Zaken Micheline Clamy-Rey kreeg daarop te horen dat ze niet meer welkom is in Turkije.
Volgens schattingen hebben de Turken vooral tussen 1915 en 1917 een tot anderhalf miljoen Armeniers vermoord. Terwijl Duitsland na 1945 spijt heeft betuigd, de holocaust heeft erkend, en ook aan Wieder-gutmachung heeft gedaan, blijft Turkije ontkennen dat de Armeense genocide heeft plaatsgevonden.
Sterker: iedereen die het waagt de Armeense kwestie aan de orde te stellen – of het nu EU-landen zijn of niet – kan rekenen op sancties. De genocide is daarmee een tijdbom onder de onderhandelingen met Turkije over EU-lidmaatschap geworden. Werd aanvankelijk de nodige omzichtigheid betracht als het over de Armeense kwestie ging, nu de Turkse kandidatuur voor EU-lidmaatschap zo ter discussie is komen te staan, verdwijnt die schroom zienderogen, ook in Nederland. Tweede-Kamerlid Hans van Baalen (VVD) kondigde aan de regering vragen te gaan stellen over de Turkse wetgeving over de massamoord.
De Armeense genocide vond plaats toen dat woord juridisch nog niet eens bestond. Armeniers en andere christelijke minderheden waren al eind negentiende eeuw, binnen het afbrokkelende Ottomaanse rijk doelwit geworden van pogroms waarbij honderdduizenden mensen zijn vermoord.
In 1908 en 1909 maakten twee staatsgrepen van de zogenoemde Jong-Turkse beweging een eind aan het bloedige sultanaat, maar de Jong-Turken werden gedreven door extreem etnisch nationalisme.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog brokkelde het kwetsbare rijk nog verder af en nam het streven onder de Jong-Turken naar territoriumbehoud en een etnisch homogene Turkse bevolking navenant toe. In 1915 namen de politiek-militaire leiders van de staat derhalve het besluit tot collectieve vernietiging van de Armeense minderheid binnen het rijk.
De eerste fase was dat de Armeense militaire elite binnen het Ottomaanse leger werd gearresteerd en gevangen gezet. Vervolgens werden op 24 april 1915, de huidige herdenkingsdag van de genocide, honderden vooraanstaande Armeense politici, journalisten, intellectuelen en kunstenaars opgepakt en per trein afgevoerd. Daarmee werd de ruggengraat van het Armeense volk gebroken. Niet veel later kwamen ook de deportaties op gang, onder het voorwendsel van evacuatie vanwege oorlogsomstandigheden en kolonisatie van nieuw land. Het bleken meedogenloze dodenmarsen. Ruim een miljoen Armeniers lieten het leven door uithongering, ophanging, massale verdrinking en verbranding. Anderen zijn levend begraving in zelf gedolven graven. De genocide ging gepaard met massale verkrachting.
Al onder het bewind van Kemal Attatuerk, initiator van de scheiding van kerk en staat en daarmee grondlegger van het moderne Turkije, begon de collectieve ontkenning van de genocide. De Armeniers zouden met de Russische vijand hebben geheuld, en bovendien zouden er veel minder slachtoffers zijn gevallen dan werd beweerd. Die ontkenningspolitiek duurt voort tot op de dag van vandaag, en wordt ook steeds vernieuwd.
Zo stelt artikel 305 van het nieuwe Turkse wetboek van strafrecht activiteiten strafbaar die tegen het nationaal belang in gaan. Praten over de Armeense kwestie wordt expliciet genoemd als zo'n activiteit. Ook gaf de Turkse minister van Onderwijs twee jaar geleden scholen nog de opdracht om leerlingen een opstel te laten schrijven waarin het bestaan van de genocide als verzinsel moest worden afgedaan.
Zoals gezegd reageert Turkije als door een horzel gestoken zodra de massamoord door anderen ter sprake wordt gebracht. Toen het Amerikaanse Congres in 2000 voorstelde om de genocide tot discussiepunt in de onderlinge betrekkingen te maken, dreigde Turkije met sluiting van de Amerikaanse militaire bases op haar grondgebied. De VS bonden in.
Armeniers vechten al decennia voor erkenning van de genocide, ook in Nederland. In 1999 vatte de circa tweehonderd mensen tellende Armeense gemeenschap in Assen bijvoorbeeld het plan op een monument op te richten ter nagedachtenis aan de massamoord. Allerlei Turkse organisaties protesteerden, inclusief de Turkse ambassade in Den Haag, maar het het gedenkteken kwam er toch.
In De Balie is begin volgende maand een discussie over de Armeense kwestie, de Turkse ontkenning daarvan en de gevolgen die dat moet hebben voor eventuele toetreding tot de EU.
Een belangrijke factor in het geheel is dat de politieke situatie in de Kaukasische regio labiel is. De Turkse regering heeft de grenzen met Armenie gesloten en steunt Azerbeidzjan, dat een conflict met Armenie heeft over de enclave Nagorno Karabach. Naast een humanitaire, is er ook een politieke noodzaak dat Turkije haar verleden onder ogen ziet.