Terug naar vorige pagina 

Het Parool, 20 oktober 1993
Bron: het Parool

Tragedie met pretenties
Door Jos van den Burg

De Armeense filmcultuur wordt internationaal voornamelijk geassocieerd met de een paar jaar geleden overleden Sergej Paradzjanow. Zijn films (waaronder Sayat nova, De kleur van de granaatappel en Het fort van Soeram) zijn schitterende, nauwkeurig gecomponeerde tableaux vivants, die de kijker binnenvoeren in een archaische, maar vitale cultuur. Bij Paradzjanow is de Armeense traditie krachtig en levenslustig, wat feestelijke films oplevert.

Dat kan van de films van Don Askarian (43), die als dissident in 1978 Armenië ontvluchtte en sindsdien in Berlijn woont, niet worden gezegd. Zijn levensdoel is het levend houden van de herinnering aan de Turkse genocide op de Armeniërs in 1915. Een slachting die anderhalf miljoen Armeniërs, meer dan de helft van de bevolking, het leven kostte.

Twee speelfilms maakte Don Askarian tot nu toe, die beide in het teken staan van de verwerking van deze Armeense tragedie. In Komitas (1988) voerde hij een monnik en componist op, die ervoor koos om na de gebeurtenissen van 1915 zijn leven in een psychiatrische inrichting door te brengen. Vergeleken bij een wereld die in staat was tot krankzinnigheden als genocide was het geestelijke klimaat in een inrichting gezonder, luidde zijn motivatie.

Met veel traag camerawerk, geluid van druppelend water, fluisterende dialogen, manuscripten die wegwaaien en verbrand kinderspeelgoed, werd de gemoedstoestand van de monnik verbeeld.

Ook in Avetik wordt het verleden op zwaar symbolische en associatieve wijze benaderd. Het verschil met Komitas schuilt in het autobiografische element: Avetik is een Armeense kunstenaar die in Berlijn woont. De film toont zijn poetische herinneringen, angstaanjagende nachtmerries en lucide visioenen.

Don Askarian weet in Avetik soms indrukwekkende beelden te componeren, die hij in een traag ritme voorbij laat glijden. Toch weet zijn verbeelding niet te overtuigen. Waar bij Paradzjanow de beelden geworteld lijken in een eeuwenoude Armeense cultuur, doen deze bij Askarian gekunsteld aan.

Ook valt de contradictie op tussen de esthetiek van de beelden en "het verhaal" dat deze moeten vertellen. Een tragedie vertalen in mooie plaatjes raakt aan kwesties van filmethiek.

Tenslotte roept het personage Avetik met zijn pathetisch gedrag irritatie op. Het op een hoop gooien van zijn aanpassingsproblemen in Berlijn met de Armeense genocide is ontoelaatbaar triviaal. Het quasi-sucidaal languit gaan liggen op een autoweg oogt zelfs als een gotspe.

Achter alle esthetiek en gesuggereerde dramatiek gaan manierisme, zwaarwichtige pretenties en mystificaties schuil. Askarian is geen Paradzjanow.