Terug naar vorige pagina 

Het Parool, 19 maart 2010
Bron: het Parool

Armeniërs in Istanboel willen niet terug
Van onze correspondent Jessica Maas

De Turkse premier Erdogan dreigt honderdduizend illegale Armeniërs het land uit te zetten. In Kumkapi, een oude wijk in Istanboel waar veel Armeniërs wonen, is het dreigement luid en duidelijk overgekomen. Natuurlijk zijn we bang.

In een klein winkeltje in Kumkapi, een oude wijk van Istanboel, zit de 35-jarige Lilya ham te snijden. De nauwe ruimte staat vol met spulletjes uit Armenië, Georgië en Rusland.

Al tien jaar werkt ze in Turkije. Illegaal. De familie in Jerevan, de Armeense hoofdstad, is afhankelijk van haar geld. In Armenië is helemaal niets. Niemand wil terug. Uit woede over het feit dat zowel de Amerikanen als de Zweden de moord in 1915 op honderdduizenden Armeniërs in wat nu Turkije is, hebben erkend als genocide, dreigde de Turkse premier Tayyip Erdogan deze week honderdduizend Armeense illegalen als Lilya het land uit te zetten.

Het dreigement van de premier maakt de illegale Armeniërs, voor het overgrote deel vrouwen, angstig. Ze werken voor een hongerloontje op de markt, als schoonmaakster of als kinderoppas. Natuurlijk zijn we bang. Je weet nooit wat er kan gebeuren, zegt Lilya. Ze weet maar al te goed hoe gevoelig de genocidekwestie ligt.

Volgens de officiële Turkse lezing zijn er in de Eerste Wereldoorlog in wat toen het Ottomaanse Rijk was, aan beide zijden slachtoffers gevallen, maar was er geen sprake van volkerenmoord. Vandaar de woede in Ankara over de resoluties in Zweden en de Verenigde Staten waarin de moorden wel als genocide zijn bestempeld. Direct daarna werden de ambassadeurs uit Washington en Stockholm teruggeroepen.

Hier op de markt is geen plaats voor politiek, zegt Lilya. Ik weet wat er in het verleden is gebeurd, maar we moeten naar de toekomst kijken. Erkenning of niet, dat levert me geen cent op.

Vriendin Karina knikt. We worden de dupe van de politiek van die hoge heren. Ze werkt al jaren in Istanboel, zes dagen per week zorgt ze voor een oude Turkse vrouw. Dag en nacht ben ik in de weer voor nog geen driehonderd euro per maand. Ze woont, zoals de meeste vrouwen, in een oud huis in Kumkapi. Haar kamer deelt ze met nog drie andere vrouwen. Zo is het leven hier.

Verderop staat de 35-jarige Mirjam achter haar kraam met pakjes soep uit Rusland en koffie uit Armenië. Het genocidedebat brengt hen niets dan ellende, zegt ze. Laat het verleden rusten. Dat was toen, wij leven nu. Hier op de markt ben ik bevriend met iedereen. Turken, Koerden, iedereen.

Voor de Armeniërs in het Westen, die blijven lobbyen voor een internationale erkenning van de genocide, is weinig sympathie. Zij hebben makkelijk praten vanuit hun luxe stoel, met veel geld op zak. Wij proberen te overleven, zegt de 53-jarige Sivla.

Een oudere politieagent komt even buurten. Hij kent de Armeense vrouwen in zijn wijk goed. Erdogan kan ze terugsturen, maar dan moet hij eerst de grenzen openen en de economie in Armenië opbouwen. Wat moeten deze mensen anders? Veel van deze vrouwen hebben meer dan tien monden te voeden. Mirjam slaat haar arm om de agent en lacht. Zie je, wij zijn als familie.

De opening van de grenzen tussen beide landen lijkt door het oplaaiende genocidedebat verder weg dan ooit. Afgelopen najaar tekenden de voormalige aartsvijanden een historische overeenkomst om diplomatieke relaties aan te gaan en de grens – die al sinds 1993 op slot zit – te openen. De protocollen moeten echter nog door beide parlementen worden bekrachtigd.

De dreigementen van Erdogan doen de relatie tussen Jerevan en Ankara geen goed, zo liet de Armeense president Serzj Sarkisian gisteren gepikeerd weten. Met dit soort uitlatingen komen de herinneringen aan de vijandigheden in 1915 weer terug en daar zit niemand op te wachten.