Terug naar vorige pagina
Het Parool, 16 december 2006
Bron: het Parool
Turkije en een verdrongen genocide
Door Frans Peeters
De Turkse historicus Taner Akçam, die in ballingschap in de Verenigde Staten moet leven, heeft een indrukwekkende geschiedenis geschreven over de Turkse genocide op het Armeense volk in het begin van de vorige eeuw. Maandagavond spreekt hij in de Oudemanhuispoort.
Amerikaanse regeringen zijn dol op Turkije. Het land geldt als het verankerde vliegdekschip vanwaar de VS het Midden-Oosten denken te kunnen beheersen. De Amerikaanse roep om een Turks lidmaatschap van Europese Unie klinkt aanhoudend en oorverdovend.
De regering van president Bill Clinton bestreed dan ook met succes een resolutie van het Huis van Afgevaardigden, waarin hem werd gevraagd "gepast begrip en gevoeligheid" te tonen voor de Turkse volkerenmoord op de christelijke Armeniërs in het begin van de vorige eeuw. Tijdens een hoorzitting van het Huis verklaarde minister van Defensie William Cohen, dat hij "de Armeense tragedie geenszins wilde bagatelliseren", maar dat de resolutie "een negatief effect zou kunnen hebben op de Turks-Armeense betrekkingen" en, zo voegde hij er openhartig aan toe, "op onze veiligheidsbelangen in de regio".
Want Turkije wil niet weten van een Armeense genocide. Op grond van een wet die "belediging van de Turkse identiteit" verbiedt, is het strafbaar te refereren aan die volkerenmoord op honderdduizenden mannen, vrouwen en kinderen strafbaar.
De Turkse Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk is op grond van de bewuste wet vervolgd. In een vraaggesprek met de Zwitserse Tages-Anzeiger had hij gezegd: "Een miljoen Armeniërs zijn vermoord en niemand behalve ik durft erover te praten." De aanklacht is wegens een juridische onvolkomenheid geseponeerd.
Enkele maanden later werd de Turkse schrijfster Elif Shafak vervolgd, omdat iemand in haar roman "De bastaard van Istanboel" verklaart: "Ik ben het kleinkind van overlevenden van de genocide, die al hun familieleden hebben verloren door de handen van de Turkse slagers in 1915, maar ikzelf ben gehersenspoeld om die genocide te ontkennen."
De aanklacht werd na lang touwtrekken ingetrokken, omdat een schrijver nu eenmaal niet verantwoordelijk is voor de daden van zijn romanfiguren. Niemand haalt het immers in zijn hoofd de schrijver van een detectiveroman moord in zijn schoenen te schuiven.
Alleen al tegen die achtergrond van verboden en taboes is het belangwekkend dat een derde Turkse schrijver, de hoogleraar Taner Akçam, een studie heeft gepubliceerd over het islamitische Ottomaanse regime en zijn christelijke Armeense onderdanen.
Akçam was hoofdredacteur van een linkse krant in Ankara toen hij werd gearresteerd. Met behulp van een stuk kachelpijp groef hij in 1976 een tunnel en ontsnapte uit de gevangenis. Via Duitsland ontkwam hij naar de VS waar hij nu doceert aan de Universiteit van Minnesota.
Akçams boek begint in de negentiende eeuw, toen er in het Turkse Rijk twee miljoen Armeniërs woonden, sommigen in grote steden als Constantinopel en Izmir, anderen in Noord-Oost en Centraal Anatolië. Hun positie was precair: die van christenen onder een islamitisch regime. In tegenstelling tot wat menige moslim ons tegenwoordig wil doen geloven, is de islam lang niet altijd tolerant geweest voor religieuze minderheden. De lijst van pogroms en moordpartijen door islamieten op Joodse en christelijke minderheden is oud, lang en deprimerend.
Het Turkse Rijk strekte zich in de negentiende eeuw nog uit van de Adriatische Zee en de Balkan tot Noord-Afrika, Jemen en de Perzische Golf. Turkije heette toen De Zieke Man van Europa. Steeds werden er door grote mogendheden als Engeland, Rusland, Frankrijk, Oostenrijk en Italië stukken afgehakt. En christelijke landen als Griekenland, Servië, Montenegro, Roemenië en Bulgarije verklaarden zich onafhankelijk.
Zulke ontwikkelingen waren niet bevordelijk voor de Turkse tolerantie, constateert Akçam. Aanvallen van moslims op christelijke gemeenschappen namen in het hele rijk toe.
In 1876 besteeg sultan Abdoel Hamid II de troon. Er werd gefluisterd dat zijn moeder, een vroegere danseres, een Armeense was. Misschien om dat gerucht te ontkennen, begon de nieuwe heerser de Armeniërs aan te pakken. Hij sloot Armeense scholen en liet Armeense onderwijzers in de gevangenis gooien. Onder zijn regime was het gebruik van het woord 'Armenië' verboden in kranten en schoolboeken. Hij liet speciale Koerdische regimenten vormen, de Hamidiye, om Armeense boeren te kwellen.
"Door de onafhankelijkheid van Griekenland en Roemenië heeft Europa de Turkse staat de voeten afgesneden," klaagde de sultan. "En nu willen ze ons door Armeense agitatie raken op onze meest vitale plekken. Dat zou onze complete vernietiging betekenen, en daar moeten we tegen vechten met alle kracht die we nog bezitten."
In het midden van de jaren negentig van de negentiende eeuw zijn tienduizenden Armeniërs vermoord. De slachting begon in Sasun, in Oost-Anatolië, omdat de Armeniërs geweigerd hadden belasting te betalen. (Ze waren verontwaardigd dat de Turkse staat niets had ondernomen om hen te beschermen tegen Koerdische afpersers.) De moordpartij leidde tot internationale verontwaardiging, die werd beantwoord door de gebruikelijke Turkse beloften van hervormingen – waar doet dat aan denken? En vervolgens begon een reeks nog bloediger slachtpartijen in de provincies Ezurum, Ankara, Sivas, Trabzon en Harput. Dat was voor William Gladstone, de liberale Britse oud-premier, aanleiding om de sultan "de grote moordenaar" te noemen.
In 1909 schoven opstandige officieren, de "Jonge Turken", Abdoel Hamid aan de kant. De Jonge Turken wilden vooruitgang en broederschap, ook met de christelijke bewoners van het land. "Onder de blauwe hemel zijn we allemaal gelijk," was de leus. Maar de gewoonte om Armeniërs af te maken, bleek taai.
In 1914 nam Turkije aan Duitse en Oostenrijkse zijde deel aan de Eerste Wereldoorlog. De Turken vielen Rusland aan en wilden doorstoten naar Bakoe aan de Kaspische Zee. Ze werden bij Sarikamish vernietigend verslagen. Vijfenzeventigduizend van de negentigduizend Turkse militairen verloren het leven. Aan Russische kant hadden ook Armeense regimenten meegevochten, niet alleen met soldaten uit het tsarenrijk, maar ook met Armeniërs die uit het Turkse Rijk waren gevlucht. Dat was voor de Turken het begin van een volkerenmoord – zie elders op deze pagina – die praktisch een einde maakte aan de Armeense aanwezigheid in het land. In de streek rond Ankara, de naoorlogse hoofdstad van het gemoderniseerde Turkije, kwam vrijwel geen Armeniër meer voor.
Het moderne Turkije van Moestafa Kemal Pasja is dus gegrondvest op etnische zuivering en volkerenmoord. Dat mocht en mag niet gezegd worden. "Ik ken geen Armeniers," zei Kemal Pasja, en de huidige premier Recep Tayyip Erdogan zegt het hem in enigszins zijige bewoordingen na: een "onpartijdige studie" dient uitsluitsel te geven over het lot van de Armeniërs.
Het onkennen van de holocaust, waarbij zes miljoen Joden zijn omgekomen, is terecht strafbaar. Maar PvdA-leider Wouter Bos kwam vorige maand nog ongestraft weg met zijn uitspraak dat het woord "genocide" te gemakkelijk wordt gebruikt als het om de Armeniërs gaat. Bos spreekt met zijn Turkse vrienden liever over "de Armeense kwestie".
Maar in Turkije is er geen kwestie meer van Armeniërs.
Taner Akçam: A Shameful Act: The Armenian Genocide and the Question of Turkish Responsibility