Terug naar vorige pagina 

NRC Handelsblad, 29 mei 1998
Bron: NRC Handelsblad

Een zaak van etnische zuivering
Door onze redacteur Peter Michielsen

De genocide op de Armeniers heeft in 1915 rond een miljoen mensen het leven gekost. De Turkse actie was bedoeld om het Ottomaanse rijk voorgoed van een lastige en "ongelovige" minderheid te zuiveren.

De "Armeense genocide" van 1915 vindt haar oorsprong in de 19de eeuw, toen opkomend nationalisme in een steeds zwakker Ottomaans rijk de tegenstellingen verscherpte: niet-Turkse en niet-islamitische volkeren binnen het rijk begonnen rechten te eisen. De sultans gaven hun die rechten onder druk van de Europese grootmachten, die de Turken voortdurend op de vingers tikten als ze wreed optraden tegen rebelse minderheden als de maronieten in Libanon of Bulgaarse boeren. Maar alleen de Armeniers eisten die rechten ook daadwerkelijk op.

Zo ontstond in het Ottomaanse rijk een "Armeense kwestie" die de Turken tenslotte op hun manier "oplosten". Niet alleen in 1915: de genocide verliep in etappes en begon in 1894-1896, toen bij massaslachtingen 200.000 Armeniers werden vermoord. In 1909 vermoordden de Turken 25.000 Armeniers in Adana. Na het hoogtepunt (1915-1917), toen meer dan een miljoen Armeniers werden gedeporteerd en op doorgaans afgelegen plekken van het Turkse rijk werden vermoord, ging het moorden door. In 1918 werden in Russisch Armenie 198.000 Armeniers vermoord en in 1920 in Alexandropol nog eens 60.000. Slechts 300.000 Armeniers overleefden die bloedbaden.

Het lijdt geen twijfel dat de genocide van 1915 was gepland: het ging er de Turken uitdrukkelijk om, de lastige en "ongelovige" – want christelijke – Armeense minderheid, een Fremdkorper in het rijk, fysiek te liquideren. "Europa" zou niet moeilijk doen: dat was zelf in een wereldoorlog gewikkeld en had geen aandacht voor wat zich in het verre Turkije afspeelde. "De oorlogsomstandigheden gaven de Turkse regering haar lang verbeide kans zich van de Armeniers te ontdoen", schreef de toenmalige Amerikaanse ambassadeur Morgenthau.

De basis voor de massavernietiging werd in 1910 gelegd door Mehmet Talaat Pasha, de sterke man van het regime van de Ittihadisten (Jong-Turken), die twee jaar eerder de macht van de sultan hadden ingeperkt. Om in Turkije gelijkheid, homogenisatie en vooruitgang te bewerkstelligen, aldus Talaat in een geheime rede, moest het worden "geottomaniseerd" en moesten de Ghiaurs (ongelovigen) worden "ontworteld".

De genocide van 1915 was goed georganiseerd (en werd uitgevoerd met actieve medewerking van Duitse diplomaten en officieren). Het Turkse parlement werd naar huis gestuurd en Talaat c.s. namen alle macht in handen. Eerst werden de Armeense intellectuelen en priesters opgepakt en vermoord. Daarna werden alle weerbare Armeniers "opgeroepen voor militaire dienst" en, als ze waren samengebracht, geliquideerd.

Tenslotte volgde de deportatie van de rest van de Armeense bevolking, die niet langer in staat was weerstand te bieden. Ze werd gedeporteerd naar dunbevolkte streken en daar – voor zover de slachtoffers niet onderweg bezweken – aan haar lot overgelaten of uitgehongerd, doodgeslagen, levend in brand gestoken, verdronken in zee of verstikt in grotten waarvoor een vuur werd aangestoken.

Onder druk van de Westerse geallieerden (in het Verdrag van Sevres) kwam het na de oorlog en na de val van het bewind van de Jong-Turken tot een reeks processen tegen de belangrijkste daders. Deze fase is de enige in de geschiedenis waarin de Turken het bestaan van een "Armeense genocide" en hun schuld daaraan hebben toegegeven. Er werd ook een handvol vonnissen uitgesproken - de na hun val op een Duitse oorlogsbodem gevluchte hoofdschuldigen, onder wie Talaat, werden bij verstek ter dood veroordeeld. Maar daadwerkelijk gestraft werden er slechts weinigen. En toen Kemal Ataturk, de stichter van het nieuwe Turkije, aan de macht kwam, werd de vervolging van de schuldigen gestaakt, werd ontkend dat er zoiets als een "Armeense genocide" was geweest en vond ook "Europa" het welletjes: het was politiek interessanter de gunst van Ataturk te winnen. En zo verdween de genocide uit het nieuwe vredesverdrag (dat van Lausanne in 1923) en werd gemakshalve vergeten. Zoals Adolf Hitler in 1939 zei (wellicht met de Endlosung van het "joodse vraagstuk" in zijn achterhoofd): "Wer redet heute noch von der Vernichtung der Armenier?"

Mehmet Talaat Pasha, de architect van de genocide (die hij via een radiozender in zijn woning coordineerde), werd in 1921 in Berlijn op straat door een Armenier vermoord. De dader werd vrijgesproken, omdat zijn daad een crime passionel zou zijn geweest.