Terug naar vorige pagina 

NRC Handelsblad, 1 november 1994
Bron: NRC Handelsblad

Lastercampagne in Turkije maakt Armeniërs bang
Door onze correspondent Froukje Santing

ANKARA, 1 NOV. De in Istanbul zetelende Armeense patriarch Karekin II heeft de hulp van de Turkse regering ingeroepen om een einde te maken aan een lastercampagne, waarin de naar schatting 60.000 in Turkije levende Armeniërs worden afgeschilderd als handlangers van de separatistische Koerdische Arbeiders Partij (PKK).

"Er heerst grote onrust onder zowel de Armeniërs in Istanbul, als onder de laatste duizenden leden van deze minderheidsgroepering in het oosten van het land", aldus Karekin II. "Armeense kinderen in Istanbul durven uit angst voor vergeldingsmaatregelen nauwelijks nog op straat te spelen, terwijl Armeense zakenmensen worden gedupeerd door oproepen per fax om hen te boycotten."

Volgens de patriarch worden de Armeniërs gebruikt in de psychologische oorlog in Turkije tegen de PKK, die in het zuidoosten van het land een guerrilla voert voor een onafhankelijk Koerdistan. De linkse krant Cumhuriyet (republiek) meldde eerder dit jaar dat in de Nationale Veiligheidsraad, een adviesorgaan waarin de regering en het leger zaken met betrekking tot de nationale veiligheid bespreken, is overeengekomen de Armeniërs als zondebok af te schilderen om zo tevens de indruk te versterken dat de terreur in Zuidoost-Turkije in belangrijke mate van buitenaf wordt aangewakkerd.

In Turkije circuleert al geruime tijd een foto waarop een Armeense geestelijke samen met PKK-leider Abdullah öcalan is afgebeeld. De man zou in werkelijkheid een Syrisch-orthodoxe voorganger in Aleppo zijn, die in contact is getreden met öcalan in verband met de aanvallen van de PKK op dorpen in het zuidoosten van Turkije. De foto wordt in de Turkse media evenwel gebruikt als bewijs van de samenwerking tussen de PKK en de Armeniërs. De afbeelding is als poster bovendien op grote schaal verspreid in Oost-Turkije, in de grensstreek met Armenië.

Sinds kort ontvangt de Armeense gemeenschap in de woonwijken Bakirköy en Yesilköy in Istanbul ook dreigbrieven, die zijn ondertekend door 'de Nationalistische Haarden van Istanbul'. In de brieven worden de Armeniërs afgeschilderd als parasieten en worden ze opgeroepen om Turkije te verlaten, "omdat Turkije slechts voor Turken is". Doen ze dat niet, dan zullen ze met geweld naar Jerevan, de hoofdstad van Armenië, worden verdreven.

Onder de 417 PKK-guerrillastrijders van buitenlandse afkomst die in de afgelopen jaren in het Koerdische Zuidoost-Turkije zijn overmeesterd, bevinden zich volgens officiële gegevens 122 Armeniërs. Het bewijs daarvan zou zijn dat ze niet zijn besneden. Volgens patriarch Karekin zijn in het zuidoosten evenwel lang niet alle jongens en mannen besneden, simpelweg omdat niet elke familie in deze nauwelijks ontwikkelde regio daarvoor het geld heeft.

Premier Tansu çiller zei vorige week in een gesprek met de voormannen van tien ontvolkte dorpen in Oost-Turkije dat de PKK naar alle waarschijnlijkheid over helikopters beschikt, die zij via Rusland, Afghanistan dan wel Armenië zou hebben verkregen. Volgens çiller zijn dan ook niet de Turkse veiligheidstroepen, maar de separatische PKK verantwoordelijk voor de gedwongen deportatie van dorpelingen in de Koerdische provincies.

De Armeniërs worden officieel aangemerkt als minderheidsgroepering in Turkije, waardoor ze bijvoorbeeld over eigen scholen beschikken. De relaties tussen de (islamitische) Turken en de (christelijke) Armeniërs worden tot op de dag van vandaag echter bepaald door de slachting in 1915 onder de Armeniërs in Oost-Turkije. Zelf spreken ze van een genocide, waarbij 1,5 miljoen mensen het leven lieten. Turkije ontkent dit en claimt dat het werkelijke dodental rond de 600.000 ligt.