Terug naar vorige pagina 

Nieuwsblad van het Noorden, 21 oktober 1963
Bron: Digitaal Archief Noord-Nederland

Dourgouti, verzamelnaam voor onpeilbare ellende
Van onze speciale verslaggever

Zijn stem kwam nauwelijks hoorbaar vragend uit het halve duister van de deuropening: "Een sigaret misschien..?" Hij was een zeer oude man, met levenloze ogen en zoals hij daar stond, bij een zielig uitstallinkje van koopwaar, achter stoffig, gebarsten glas, leek het uiterst toevallig dat hij nog niet dood was.

Terwijl hij de sigaret met trage, onzekere gebaren aanstak, knikte hij een paar maal. Met zijn 73 jaren levend van een rijksdaalder per dag, en helemaal alleen, wist hij dat het niet lang meer zou duren voordat de wrakke planken waaruit zijn winkeltje was opgebouwd zouden worden weggebroken. Het verschil tussen leven en sterven was voor hem zeer gering geworden tenslotte.

Duizenden zoals hij
De naam van deze man heb ik nooit geweten. Die was trouwens ook niet belangrijk, want Griekenland kent er duizenden zoals hij. En waar hij woont, in Athene, niet ver van het centrum, kijken ogen als de zijne je van alle kanten na. Dourgouti heet het kwartier, verzamelnaam voor een hoeveelheid onpeilbare ellende, waarvan wij ons temidden van het comfort der welvaart geen voorstelling kunnen maken.

Een huis?
Hoe moet je bijvoorbeeld het onderdak noemen dat die mensen voor zichzelf hebben gebouwd? Een huis? Nee, dat zeker niet. Een krot, een stulp, een hut, een hok... dat past allemaal wel min of meer voor die optrekjes van leem en stenen, met wanden van platgeslagen blikken, daken van hout, met stukjes van enkele vierkante decimeters soms bij elkaar gezocht. Water is er niet in die huizen, riolen, dat zijn de goten langs de straat, waarvan in de droge hitte elke voetstap stofwolken opwerpt. Alles wat daar staat in Dourgouti is door de vluchtelingen zelf neergezet en er wonen mensen naar wie in veertig jaar tijd nog nooit iemand een vinger heeft uitgestoken. Hun verhalen zijn een aaneenschakeling van de meest afgrijselijke gebeurtenissen, hun levens hebben misschien nooit, misschien een enkele keer, geluk gekend sedert zij veertig jaar geleden in Dourgouti een stuk grond van de staat kregen aangewezen.

Dourgouti is niet de enige buurt waar midden in een miljoenenstad, met verhoudingsgewijs misschien nog wel meer dure auto's dan in Nederland, dergelijke toestanden tientallen jaren konden blijven bestaan. Neem Kesariani, óók in Athene, een verzameling krotten, soms met aandoenlijke hardnekkigheid fris gekalkt, langs de bedding van een 's zomers droge sloot.

De lage huisjes, van enkele vierkante meters oppervlakte, waarin dikwijls grote gezinnen leven, liggen allemaal zo hoog mogelijk tegen de oever. Want 's winters staat er wel water in de sloot en als het een paar dagen hard regent lopen de voorste huizen altijd onder.

Of vraag in de tweede stad van Griekenland, Thessaloniki, de op een na grootste byzantijnse schatkamer der wereld, naar de wijk Aghia Fontini, vlak bij het zakencentrum. De mensen daar zullen u huizen aanwijzen, die werden gebouwd met de grafstenen van een nabijgelegen kerkhof.

Waag er anders een lange tocht aan naar de omgeving van de Bulgaarse grens, dan wel naar de kleine nederzettingen aan de voet van de machtige Olympus. Ook daar leven vluchtelingen, die ondanks al hun werken nooit meer hebben kunnen bereiken dan een leven, dat naar westerse maatstaven gemeten, niet meer mag heten dan een vorm van sterven.

De geschiedenis
De recente historie van Griekenland verklaart de oorzaak van een vluchtelingenstroom, zo groot, dat een van de vijf Grieken zelf vluchteling is, of althans vluchtelingen onder zijn naaste familieleden telt. In 1923 werd te Lausanne een verdrag gesloten, dat een einde maakte aan de Grieks-Turkse oorlog. Volgens die overeenkomst werden 1,25 miljoen Grieken-van-oorsprong uit Klein-Azië Griekse staatsburgers. Zij mochten zich vestigen in Griekenland, dat daarbij ook de verantwoordelijkheid nam voor hun integratie. In diezelfde periode verleenden de Grieken tevens asiel aan 70.000 anderen, onder wie 50.000 Armeniërs. Uit Griekenland vertrokken daarentegen 350.000 Turken. Door deze vluchtelingenstroom werd de Griekse bevolking, destijds 5 miljoen zielen groot, ineens met bijna 20 procent vergroot.

Van de 50.000 Armeniërs konden er ruim 40.000 naar andere landen emigreren. Kort na de tweede wereldoorlog waren er nog 9.000 over, die in Griekenland wilden blijven. Van integratie was voor deze mensen tot nu toe nauwelijks sprake en de omstandigheden stonden een vooruitgang op dit punt nadrukkelijk in de weg. Natuurrampen, een verbeten burgerkrijg en armoede maakten het voor Griekenland vrijwel onmogelijk zelf veel aan zijn vluchtelingenproblemen te doen.

Bovendien bracht het einde van de tweede wereldoorlog nog een nieuwe toevloed van 50.000 vluchtelingen van Griekse oorsprong. Op grond van de Griekse wetgeving kregen zij prioriteit bij de hulpverlening.

Hulpprojecten
Op 1 september van dit jaar was de situatie aldus: Van de in totaal 16.000 in Griekenland verblijvende vluchtelingen waren er 7.500 van Griekse origine die uit Roemenië en Rusland afkomstig waren.

De resterende 8.500 waren niet-Grieken, onder wie als voornaamste groepen 7.000 Armeniërs, 800 Wit-Russen en 500 Assyriërs. Ongeveer 5000 van deze uitgewekenen zijn nog niet geïntegreerd. Voor 2.000 mensen liggen de fondsen gereed, waarmee deze integratie kan worden bereikt. De 3.000 anderen moeten het bij gebrek aan financiële middelen tot nu toe zonder dat vooruitzicht stellen.

Het gaat alles bijeen genomen om duizend gezinnen, waarover het hogecommissariaat voor de vluchtelingen van de Verenigde Naties zijn zorgen heeft uitgestrekt.

De hulpprojecten, die nog op uitvoering wachten, behelzen het verschaffen van een eenvoudige, maar toereikende behuizing, het creëren van een oudedagspensioentje en een behoorlijke verzorging voor een klein aantal ouderen, het op poten zetten van een klein boerenbedrijf voor vluchtelingen, die in de agrarische sector werkzaam zijn geweest en het verschaffen van een behoorlijke vakopleiding aan jongeren.

Geen waarborg
Van Griekenland zelf kan niet veel verwacht worden en zeker niet voor de vluchtelingen die de Griekse nationaliteit niet bezitten. Het is een land, dat de status van onderontwikkeling nog maar juist is ontwassen en daardoor in vooralsnog te grote schoenen is gestapt. Het land heeft 60.000 eigen vluchtelingen verzorgd, het heeft er nog duizenden over, voor wie de V.N. niets kunnen doen. De uitgewekenen, die statenloos of in elk geval niet-Grieks zijn, die bijvoorbeeld geen stemrecht hebben en dus politiek onbelangrijk zijn kunnen uitsluitend hulp verwachten op grond van menselijke overwegingen. In een land, dat om maar iets te noemen, te kampen heeft met een grote werkeloosheid en waar voor een derde van de hele bevolking slechts gedurende een gedeelte van het jaar arbeid te vinden is, houdt dat geen enkele waarborg.

Daarom is het goed dat de V.N., die zich per definitie niet met binnenlandse vraagstukken bemoeien, zich het lot van de vluchtelingen in Griekenland hebben aangetrokken. Het zijn deze mensen voor wie Nederland nu geld bijeen moet gaan brengen.

Het gaat om mensen als de oude man, voor wie een sigaret zo iets uitzonderlijks is geworden, dat hij er, zachtjes en bescheiden, om wil vragen. Onze hulpverlening is hun laatste kans, daar is geen woord van overdreven.