Terug naar vorige pagina 

Nieuw Israelitisch Weekblad, 17 december 1993
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Genocide-studie Melson in Leiden onderscheiden

Op de dag van de Rechten van de Mens, vrijdag 10 december, kreeg de Amerikaanse professor Robert Melson in Leiden de PIOOM Prijs 1993. Melson ontving de prijs voor een vergelijkende studie over de holocaust en de Armeense genocide. "Als een politieke orde instort, wie kan dan een etnische groep garanderen dat zijn dodelijke vijanden niet aan de macht komen en hem vernietigen?"

PIOOM staat voor "Programma Interdisciplinair Onderzoek naar Oorzaken van Mensenrechtenschendingen". De Stichting die het programma verzorgt, is in 1988 aan de Leidse Universiteit opgericht met de bedoeling door wetenschappelijk onderzoek het vroegtijdige signaleren en vooral het voorkomen van mensenrechtenschendingen mogelijk te maken. Anders gezegd: wetenschappelijke kennis praktisch toepasbaar maken. PIOOM bekroont om het jaar een onderzoek, dat inzicht geeft in de oorzaken van grove schendingen van mensenrechten.

Melson vergelijkt in zijn boek "Revolution and Genocide; On the Origins of the Armenian Genocide and the Holocaust" (1992) de holocaust en andere gevallen van volkenmoord, vooral de Armeense genocide door de Turken in 1915. Hij legt een verband tussen revoluties en volkenmoord. Zijn theorie: in staten waar door een revolutie het bestaande regime omvergeworpen wordt en waar een oorlog volgt, is de kans op volkenmoord groot.

"Vooral bevolkingsgroepen," schrijft Melson in zijn studie, "die in de jarenvoorafgaand aan de revolutie een snelle opbloei hebben doorgemaakt, zowel in economisch als in cultureel en sociaal opzicht, lopen een grote kans om als vijand van de revolutie te worden gebrandmerkt. Dit kan leiden tot een escalatie van maatregelen tegen deze bevolkingsgroepen, wat uiteindelijk kan resulteren in genocide."

Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog stortte het Ottomaanse Rijk ineen. De Turkse revolutionairen pleegden genocide op de Armeense minderheid (1,5 miljoen slachtoffers). Na de ondergang van de Duitse en Oostenrijks-Hongaarse rijken waren nationalistische en fascistische bewegingen verantwoordelijk voor de Tweede Wereldoorlog, en later voor de vernietiging van joden en zigeuners.

Melson legt geduldig zijn theorie uit. De geleerde met een opvallend glanzende, kale schedel dicteert zijn opvattingen in schrijftempo. "Voor revolutionairen is het niet genoeg om regeringsgebouwen te bezetten. De maatschappij verkeert in totale chaos. In deze situatie moeten de nieuwe leiders de nationale identiteit opnieuw definiëren, volgens de voorschriften van hun ideologie. Ze selecteren "wie voor ons zijn" en bestrijden "wie tegen ons zijn". "Voor" wordt het "volk", de "nati". Met "tegen" worden waarschijnlijk groepen bestempeld als "de vijanden van de maatschappij en de revolutie". Zij lopen gevaar voor onderdrukking en genocide, vooral in oorlogstijd."

In zijn studie "Revolution and Genocide" past Melson deze algemene theorie vooral toe op de Armeense genocide en op de holocaust. De Jonge Turken in 1908, en de nazi's in 1933 kregen de kans door het instorten van de respectievelijke oude regimes een maatschappij naar eigen inzicht op te zetten. Volgens Melson een structurele voorwaarde voor totale binnenlandse genocide. Het "volk" moet worden hervormd, krijgt een nieuwe identiteit: de Turks sprekende moslimse Ottomanen werden "Turken", en de niet-joodse Duitse burgers "Ariërs".

Daardoor, stelt Melson, vielen bepaalde groepen buiten de boot: de Armeniërs uit de Turkse gemeenschap en de joden uit de arische gemeenschap. Zij werden als "vijanden van de revolutie" bestempeld door de regimes.

Volkerenmoord is in de visie van Melson het gevolg van revolutie en een daaropvolgende oorlog. De Jonge Turken verklaarden – zes jaar na hun revolutie van 1908 – de oorlog aan Rusland, en begonnen de Armeniërs uit te roeien. Zes jaar nadat ze aan de macht kwamen, waren de nazi's in oorlog met de rest van Europa. Als de binnenlandse "vijand" gelijkgeschakeld wordt met de buitenlandse, wordt de situatie penibel voor de minderheden. De interne problemen worden geweten aan een complot van de binnenlandse met de buitenlandse vijanden, wat volkerenmoord rechtvaardigt in de ogen van de regimes.

Zowel Armeniërs als joden waren kwetsbaar door de snelle vooruitgang in hun maatschappelijke positie in de periode voor de revolutie. De traditionele Ottomaanse en keizerlijke elites vreesden de Armeense en joodse economische bloei, en de jonge nationalistische Turken en racistische Duitsers moesten ook niets van deze succesvolle minderheden hebben. De Armeense en joodse diaspora in Rusland versterkte het idee van een buitenlands complot, en zij werden gebruikt om de genocides te rechtvaardigen. Het succes en de internationale connecties van joden en Armeniërs waren voldoende om hun als zwarte schapen te gebruiken.

Met zijn algemene theorie, die hij ook toepast op de Rode Kmer in Cambodja en de Bolsjewieken in Rusland, wil professor Melson absoluut niet het unieke karakter ontkennen van de poging van de nazi's om alle joden ter wereld te vernietigen. "Als een cultus van de dood, een project om genocide te plegen op wereldwijde schaal," schrijft hij, "was het nazisme de essentie, het hart der duisternis, van het extreme kwaad dat revolutionair racisme heet." Meer nog, de motivatie voor zijn studie van genocide die twintig jaar duurde, ligt in Robert Melsons persoonlijke achtergrond. "Ik werd twee jaar voor de Tweede Wereldoorlog geboren," zei hij in zijn dankwoord in Leiden. " Mijn ouders en ik overleefden de nazi's omdat we er Slavisch uitzagen en omdat mijn ouders dapper, slim en handig waren in het nadoen van niet-joden."

Met valse papieren overleefde het gezin de oorlog. Later maakte Melson de dood van miljoenen mensen mee in Nigeria, waar de militaire regering in 1966 weigerde voedseltransporten naar de opstandige Ibo-stam door te laten. "Een oefening voor wat we later hebben gezien in Ethiopië, Somalië, Mozambique en Soedan."

In zijn dankwoord paste de Amerikaanse politicoloog zijn theorie ook toe op de huidige situatie in het voormalige Joegoslavië. "Als een politieke orde instort, wie kan dan een etnische groep garanderen dat zijn dodelijke vijanden niet aan de macht komen en hem vernietigen. Deze grote angst heeft alle groepen in Joegoslavië gegrepen, met inbegrip van de Serviërs die de grote veroorzakers van de volkerenmoord zijn. Als de staat niet meer functioneert, kijken mensen eerst naar hun eigen families, hun stam, hun taal, ras of religie. Ze zoeken steun, veiligheid. Ze zijn bang voor anderen. En angst leidt tot haat."

Melson noemde het slechts een schrale troost voor de wereld dat in Bosnië slechts een "gedeeltelijke" genocide plaatsvindt, in tegenstelling tot de volkerenmoord op de Armeniërs of op de jodentijdens de holocaust. "Zeventig jaar na de Armeense genocide en achtenveertig jaar na de holocaust pleegt een Europese staat volkerenmoord, terwijl Europa, de Verenigde Staten en de Verenigde Naties niets kunnen of willen doen om de slachting te stoppen. En als volkerenmoord niet kan worden beëindigd in Europa, lukt het evenmin ergens anders."