Terug naar vorige pagina
Nederlands Dagblad, 5 januari 2007
Bron: Nederlands Dagblad
Nederland moet Turken helpen de Armeense genocide in te zien
Door Inge Drost
Ex-Kamerkandidaat Ayhan Tonça vindt dat de kwestie van de Armeense Genocide behandeld moet worden door historici, niet door politici. Maar als een Turkse historicus over het onderwerp spreekt, is hij er niet. Dus moet de Nederlandse overheid zelf scherper stelling nemen, zodat Turken in Nederland makkelijker afstand kunnen nemen van de druk van de Turkse regering.
In ND van 30 december blikt ex-Kamerkandidaat Ayhan Tonça terug op 2006. Het verlies van zijn verkiesbare plaats op de kandidatenlijst was voor hem "een diepe domper", maar over de inhoud van zijn conflict met het CDA lijkt hij nog niet echt nagedacht te hebben. Nog steeds verkondigt hij zonder merkbare gêne het standpunt van de Turkse regering, die de genocide op de Armeniërs ontkent.
Tonça tracht dat, ook in Nova (27-12), tevergeefs te verdoezelen door te zeggen dat hij de feiten niet ontkent, maar het alleen geen genocide wil noemen. Wat zijn Tonça's feiten? "Er zijn begin vorige eeuw vele honderdduizenden mensen gestorven. Vermoord, zo u wilt. Turken, Koerden en Armeniers." Hij verwerpt dat sprake was van doelbewuste volkerenmoord en wil zo'n kwalificatie niet aan politici maar aan internationaal deskundige historici overlaten.
Bizar: Armeniërs in dit verband in één adem noemen met Turken en Koerden; niemand zal beweren dat op de laatste volkerenmoord plaatsvond! Wél zijn door die internationaal deskundige historici, volgens de regels van hun vak en met hun kennis uit Ottomaanse, Duitse en andere archieven, duizenden ooggetuigenverslagen en foto- en filmmateriaal, de feiten rondom de geplande uitroeiing van de Armeniërs vastgesteld. De International Association of Genocide Scholars, heeft in een schrijven aan Turkije, dat ter vertraging van het wereldwijde proces van erkenning, eerst onderzoek nodig acht ter vaststelling van wat er gebeurd is in 1915, benadrukt dat ter vaststelling van deze genocide geen onderzoek meer nodig is, deze is al in talloze onderzoeken vastgesteld. Geen historisch vraagstuk dus, de feiten liggen op tafel. Tonça zou er zijn ogen niet voor moeten sluiten als hij een geloofwaardig politicus wil zijn.
Aan alle onderdelen van de genocidedefinitie uit het betreffende VN verdrag (1948) is voldaan, aldus ook de moedige Turkse historicus Taner Akçam, in zijn lezing op 18 december jl., georganiseerd door de Universiteit van Amsterdam en de Humanistische Omroep. Hoewel ook hij "vroeger geen flauw benul had wat er was gebeurd" (Trouw, 22-12), leidde hij deze genocide zelf af uit studie van met name Ottomaanse en Duitse archieven. Hij citeert Atatürk in dit verband, die sprak van "een schandalige daad", tevens de titel van Akçams nieuwste boek. Maar Tonça ontbrak in Amsterdam. Jammer.
Turkse druk
De ontkenning door Turkije van deze genocide is uiteraard een politieke zaak, kwalijk voor het aanzien van het land. Kwalijk door de druk op landen en individuen elders, kwalijk door art. 301 van de Turkse Strafwet, dat erkenning van de genocide strafbaar stelt als een belediging van het Turks-zijn.
Ondanks die druk, kan degenen in Nederland die gehoor geven aan die Turkse druk (vooral zij die geacht mogen worden objectief te kunnen oordelen: politici, studenten) verweten worden dat zij alle bereidheid en moed lijken te missen andere informatie dan van de Turkse overheid tot zich te nemen.
Maar doen we in Nederland zelf wel genoeg om de druk vanuit Turkije te bestrijden, hier correcte informatie te regelen, Turken te helpen zich zo onafhankelijker van Turkije op te stellen, ontkenning van een van de grootste misdaden tegen de menselijkheid ook hier te bestrijden, en tenslotte te werken aan dialoog en verzoening? Ik denk van niet. Meer duidelijkheid zal helpen.
Zo kan Nederland zichtbaarder, scherper afstand nemen van de Turkse ontkenningspolitiek, inclusief alle vertragings- en afleidingsmanoeuvres. Mede door de motie-Rouvoet, waarmee in 2004 de Armeense genocide werd erkend, zou Nederland ook moeten aandringen op een helderder EU-uitspraak aan Turks adres, namelijk dat erkenning van de genocide weliswaar niet met zoveel woorden deel uitmaakt van het onderhandelingspakket voor de EU-toetreding, maar dat het hebben van goede relaties met buurlanden wél een voorwaarde is. En dat daarvan de erkenning van het verleden, de genocide, onderdeel is, zoals minister Bot meerdere malen de Tweede Kamer heeft verzekerd.
Nederland moet daarnaast zorgen voor objectieve, voor iedereen toegankelijke informatie over dit deel van de geschiedenis. De Nederlandse jeugd, ook (juist) die van Turkse origine, zal als het aan ons en aan de Minister ligt, in de schoolbanken bekend worden gemaakt met de Armeense genocide. Voor volksvertegenwoordigers en personen in andere publieke functies zouden in voorkomende gevallen één of meer lessen bij het Nederlands Instituut voor Holocaust en Genocide Studies in de kadervorming kunnen worden opgenomen. Op ontkenning die moedwillig, tegen beter weten in en kwetsend plaastvindt, passen in laatste instantie juridische stappen. Expliciete strafbaarstelling, zoals in het wetsvoorstel van mevrouw Huizinga zo zorgvuldig omschreven, is wenselijk en geeft ook daarin de nodige duidelijkheid. Tenslotte mag, als het verleden wordt gedeeld, van Armeniërs en Turken verwacht worden dat zij zich in een dialoog begeven, zoals Koerden en Armeniërs die onlangs al startten.
Dan pas is de weg open om de overeenkomsten weer te zien, in plaats van de verschillen, en kan uiteindelijk verzoening volgen.
Tonça wens ik intussen meer moed toe. Dat zal zijn carrière ten goede komen en dat wens ik hem van harte toe
Inge Drost is lid van het 24 april comité, dat zich inzet voor de herdenking van de Armeense genocide.