Terug naar vorige pagina 

Limburgsch Dagblad, 2 september 1950
Bron: Koninklijke Bibliotheek

Turkije kampt met 'n zeer moeilijk probleem: de minderheidsgroepen
Door Dr. J. van der Ploeg O.P.

Gespleten Christendom boekt steeds meer verliezen in dit land

ISTANBOUL, 28 Aug. (Eig. red.) - In een vorig artikel deelden wij mede, dat er in Turkije, meer bepaaldelijk te Istanboul, drie kranten in het Frans verschijnen. Door Turken geredigeerd is de Franse uitgave van het blad "Cumhuriyet", d.i. "De Republiek". "Istamboul" is een blad der Franse ambassade, terwijl de "Journal d'Orient" een Joods blad is. De drie bladen zijn, zoals alle andere Turkse kranten, slechts zeer bescheiden van omvang en hebben geen van drieën een grote oplage. Het is te hopen dat men de Cumhuriyet niet om zijn kwaliteiten heeft uitgekozen om in het Frans te verschijnen, want dan zou het er met de Turkse pers slecht uitzien. En dit schrijf ik niet omdat ik in het nummer van gisteren een artikel lees met de volgende kop: "De Hollanders willen Indonesië bedriegen, zij willen Guinea behouden", maar omdat het blad heel in het algemeen een gebrek aan critische geest toont. Partijblad is het niet. Naast deze Franse bladen verschijnen er in Turkije ook nog Griekse kranten, uitgegeven door de nog steeds vrij belangrijke Griekse minderheid grotendeels van Turkse nationaliteit die men in Constantinopel en andere havensteden aantreft. Hun pers verschijnt in het nieuw-Grieks. Daarnaast is er ook nog een Armeense pers.

Het vermelden van deze kranten brengt het probleem der minderheden aan de orde. Klein-Azië is van oudsher een land geweest waar allerlei volken naast en door elkander hebben gewoond. De Westkust, Jonië, is, of beter gezegd was, oeroud Grieks cultuurgebied. In het Noordoosten wonen Armeniërs en Nestorianen, in het Zuidoosten de Koerden. In de havensteden wonen of woonden nog velerlei andere vreemden, zo bijvoorbeeld een groot aantal Italianen in Galata (Instabul). Tussen deze minderheden en de Turken bestaan zeer scherpe nationale tegenstellingen, nog verscherpt door de godsdienstige. Wat deze laatste betreft: zowel voor Grieken als voor Armeniërs is de godsdienst een nationale zaak en vertonen godsdienst en natie de neiging tot samenvallen. De Turken daarentegen zijn Mohammedaan en in het verleden vielen ook voor hen natie en godsdienst samen.

Dit laatste verklaart de spanningen die in Turkije bestaan en vooral hebben bestaan tussen de nationale Turken en de minderheden. Tot voor twee jaar was het aan de leden der minderheden niet mogelijk in het leger officier te worden, soldaten werden geen wapens in de hand gegeven. Dit is nu veranderd, maar een wijziging van een bepaling betekent nog geen verandering van geest. Het wantrouwen jegens deze mensen zal nog wel lang blijven voortbestaan en is, gezien hun mentaliteit, ook niet geheel ongegrond.

Kerkelijke gemeenten kunnen ook door de staat als zodanig herkend worden en hebben het recht goederen te bezitten, b.v. een kerk, huizen enz., en daarvan hun priesters te onderhouden. Waar zij geen organisatie hebben, zoals b.v. bij de Armeniërs in Anatolië, hebben zij dan ook geen priesters. Volgens een mij door een Armeens priester verstrekte opgave wonen er te Istanbul ongeveer 50.000 Armeniërs (op zesduizend na schismatiek) die daar een eigen organisatie hebben, en nog eens 50.000 daarbuiten in Anatolië. die geheel geen organisatie en eigen priesters hebben. In Ankara worden de Armeniërs bediend door Latijnse (buitenlandse) geestelijkheid. De staat staat echter niet toe dat deze zich ook bemoeit met Armeniërs buiten Ankara.

Godsdiensttwisten
In Constantinopel plachten de Armeniërs een patriarch te hebben. Sinds jaren is er echter slechts een bestuurder van het patriarchaat, die in onmin is geraakt met een aantal zijner priesters die hij buiten de kerk heeft gesloten. Als gevolg van deze twist hebben de laatste zich beroepen op het gezag van de staat zodat men het onverkwikkelijke ziet gebeuren dat de Turkse rechter door Armeniërs wordt te hulp geroepen om een oordeel te vellen in hun eigen kerkelijke aangelegenheden. Bij een Grieks-Orthodoxe twist wil een bisschop, hoofd der theologische school op het eiland Chalki, bij Istanboul, niet de andere functie aanvaarden die zijn patriarch hem heeft toegewezen om hem van de theologische school te verwijderen. Hij weigert zich te onderwerpen en roept ook de bescherming van de staat in. Deze laatste zal hem ondertussen vermoedelijk weinig baten, want patriarch Athnagora staat op zeer goede voet met de Turkse autoriteiten en zal met behulp van hen zijn wil wel kunnen doorzetten. Dezelfde patriarch heeft ook de oorlog verklaard aan de Grieks-katholieke bisschop mgr. Varchuas, exarch voor de (nog geen duizend) katholieken van Byzantijnse ritus in Turkije, door aan de ouders van orthodoxe kinderen op straffe van excommunicatie te verbieden de lagere school der Grieks-katholieken (waarvan bet personeel bovendien voor een deel orthodox is) te bezoeken. "Propaganda voor Rome", gelijk dit heet, wordt van orthodoxe zijde gezien als een aanslag op de eenheid der Griekse natie, resp. kerkgemeente.

Het gevolg van een en ander is dat de verscheurdheid der christenheid zich op Turkse bodem wel heel erg openbaart, voor de Turken een reden is tot geringschatting der christenen en hun autoriteiten en voor de christenen een factor die hun uitermate schadelijk is. Het christendom is dan ook in het land van Ataturk sterk in achteruitgang. Veel christenen die geen Turkse nationaliteit hebben, hebben het land moeten verlaten. Een groot aantal Turkse Grieken zijn uitgewisseld tegen Griekse Turken, Armeniërs en Nestorianen zijn onder en na de eerste wereldoorlog op bloedige wijze gedecimeerd en meer dan gedecimeerd.

Scholen
Het minderhedenprobleem doet in Turkije zijn invloed ook voelen op het schoolwezen. In princiep zijn alle Turkse scholen staatsscholen met voorgeschreven leerprogram en leermiddelen. Slechts diegenen die tot een erkende minderheid (kerkgemeente) behoren mogen de scholen dezer minderheid bezoeken. Het onderricht is daar niet in het Turks, maar in het Grieks of Armeens, terwijl de Turkse taal verplicht leervak is. Ook deze scholen staan onder staatscontrole, haar leerboeken moeten door de staat worden goedgekeurd, maar zij ontvangen staatssubsidie. Het is duidelijk hoe noodzakelijk deze bijzondere scholen voor de christenen van allerlei gezindten zijn. Het is immers onvermijdelijk dat in een niet christelijk land een kind op de staatsschool dingen te horen krijgt die met zijn geloof niet overeenstemmen. Op de staatsschool kan het bijvoorbeeld leren dat de mens van de aap afstamt, de katechismus moet hierop noodzakelijk correctie aanbrengen.

Ik besluit hiermee enkele beschouwingen over Turkije. In Turkije wordt een belangrijk experiment beproefd: de vereuropeïsering van het land. Volgens onze begrippen behoort het land aardrijkskundig tot Azië, hier wil men echter een deel van Europa zijn. Van het slagen van het experiment hangt de toekomst van het land af. Het doel is nog niet bereikt, maar men is ongetwijfeld een stuk in de beoogde richting gevorderd.