Terug naar vorige pagina
Leeuwarder Courant, 29 juli 1983
Bron: Digitaal Archief Noord-Nederland
Zinloos terrorisme om oud Armeens zeer
Door Eddy Evenhuis
Feiten en achtergronden
Telkens weer wordt de wereld
opgeschrikt door Armeense terreurdaden.
Zij zijn gericht tegen Turkse diplomaten,
ambassades en vliegtuigen,
waarbij af en toe ook slachtoffers van
andere nationaliteiten vallen. Over de
hele wereld zijn de laatste tien jaar 39
Turkse diplomaten neergeschoten of bij
bomaanslagen om het leven gekomen.
Verantwoordelijkheid hiervoor claimt
het "geheime Armeense leger voor de
bevrijding van Armenië", naar de Engelse
benaming afgekort tot Asala.
Evenals het geval was bij de strijd, die
tot de vorming van Israël leidde, bestaat
er een politiek lichaam, dat geen directe
betrekkingen met de Asala onderhoudt.
Dat lichaam is nog maar net opgericht,
namelijk de vorige week, in Lausanne,
waar tweehonderd Armeniërs uit vele
landen bijeen waren om een organisatie
te stichten, die het midden moet houden
tussen de World Jewish Congress en de
PLO van de Palestijnen. Dat Lausanne
voor deze vergadering was uitverkoren
was niet toevallig: bij het nooit uitgevoerde
vredesverdrag van Sèvres uit
1920, dat het Ottomaanse imperium verdeelde
onder de winnaars van de eerste
wereldoorlog, zou Turks Armenië een
zelfstandige staat worden. Maar dat verdrag
werd in 1923 in Lausanne herzien:
de Armeniërs herkregen hun zelfstandigheid
niet. Hun laatste eigen koninkrijkje
in de landstreek Kilikië, had al in
1375 opgehouden te bestaan.
Als eerste doel hebben de Armeense
terroristen de erkenning door de Turkse
regering van de massamoord uit 1915
op honderdduizenden Armeniërs gesteld.
Ofschoon zij historisch vaststaat, weigert
de Turkse regering deze genocide toe te
geven, want zo'n officiële erkenning zou
de inleiding zijn voor een tweede Armeense
eis, die van zelfbestuur, en tot
een derde, die van herstelbetalingen aan
het Armeense volk. De Armeniërs in de
diaspora onderhouden onderling sterke
banden, maar die zijn tot dusver voornamelijk
van culturele, economische en
godsdienstige aard geweest. Zij zijn
christenen, wat een van de blijvende
bindende factoren was, toen met de val
van Byzantium in de vijftiende eeuw het
christelijke rijk in het oosten verdween.
Evenals voor hun kerstening, volgens
de Armeense traditie door de apostelen
Bartolomeus en Taddeus, bleef het land
van de Armeniërs een slagveld voor grotere
oorlogvoerende volkeren. In de
laatste eeuwen waren dat de Perzen en
de Turken en daarna de Russen, die in
1920 zo'n 2.500.000 Armeniërs binnen
hun grenzen in een Sowjet-republiek
sloten. In Turkije bleven een 700.000 Armeniërs
over, een aantal dat sterk gedund
was door het bloedbad van 1915 en
de vlucht van veel overlevenden: alleen
in de Verenigde Staten leven tegen de
600.000 nakomelingen van de vluchtelingen
uit deze eeuw, maar feitelijk is
de trek naar het buitenland al sinds de
elfde eeuw aan de gang. Intelligentie,
spaarzaamheid, handelsbegaafdheid en
onderlinge verbondenheid waren ook
voor hen een steun in nieuwe vaderlanden.
De aan vervolgingswaanzin lijdende
laatste sultan van het Ottomaanse rijk,
Abdul Hamid, zag in de Armeniërs een
ondermijnende kracht. Hij beschouwde
alle Armeniërs als spionnen van de Russen,
maakte het woord Armeens tot een
verboden woord en schoot persoonlijk
bijna de klokkenmaker van zijn paleis
dood, toen hij ontdekte dat de man een
Armeniër was. Na het uitbreken van ongeregeldheden,
in 1894, zond hij agenten
naar Oost-Turkije, waar de Moslems
werd meegedeeld dat zij van de Armeniërs
mochten roven aan grond en goed
wat zij maar wilden en dat zij alle Armeniërs,
die tegenstand boden, mochten
vermoorden. Abdul Hamid ontving dagelijks
rapporten van zijn agenten over
de slachting, die drie jaar duurde. Bijzonderheden
bereikte de buitenwereld,
zoals het verhaal van een lid van
de Britse ambassade, dat een sjeik honderde
kelen had afgesneden op de rituele
wijze waarop moslems schapen slachten.
De massamoord aan het einde van de
vorige eeuw verhaastte de ondergang
van Abdul Hamid, want veel Turken
hadden er de schandelijkheid van ingezien
en veel Armeniërs waren ondanks
het risico door Turkse buren en vrienden
verborgen gehouden en gered. Een
delegatie van vier leden van het parlement,
dat Abdul Hamid in zijn nadagen
had moeten dulden, zegde hem in 1909
de wacht aan: die delegatie bestond als
een teken van verdraagzamer tijden uit
een Albanees, een Jood, een Griek en
een Armeniaan, allen burgers van het
Ottomaanse rijk, dat hoe ziek ook en
hoezeer in verval, toch nog uitgestrekt
en machtig was. De Jonge Turken namen
het bewind over; hun sterkste mannen
waren de minister van binnenlandse
zaken Talaat, een gorilla, die vol bonhommie
scheen, maar in werkelijkheid
genadeloos was, en de militaire man Enver
Pasja, die Turkije in 1914 aan de
kant van Duitsland in de eerste wereldoorlog
zou brengen. De verschillende
volkeren onder het Turkse juk werden
opstandig, waarop de Jonge Turken met
Talaat voorop spraken over hun taak om
het rijk te "ottomaniseren" wat op
"verturksen" neerkwam. Zo verdwenen de
Franse bordjes naast de Turkse, maar
het verval en de chaos werden er niet
door tegengehouden en opnieuw werden
de Armeniërs uitgezocht om als zondebokken
te dienen. Zij zouden de woestijn
in worden gestuurd op de valse beschuldiging,
met de Russische vijand te heulen.
Enver Pasja en Talaat hebben hier
wel degelijk genocide laten begaan. Enver
benoemde om te beginnen tot gouverneur
in de provincie Van zijn zwager
die weldra als "de hoefsmid" bekend
was omdat hij Armeniërs onder
meer martelde door hun hoefijzers onder
de voeten te laten slaan. Tienduizenden
mannen werden vermoord, waarbij
de Koerden de Turken van dienst waren,
en daarop werden grote groepen
vrouwen en kinderen de Syrische woestijn
ingestuurd, op weg naar Aleppo, De
jonge vrouwen werden meteen weggesleept.
Begeleidende Turkse soldaten en
de inheemse stammen, die in de bergen
leefden, roofden wat de gevangenen nog
aan eigendommen bij zich hadden, en
vermoordden wie hen maar hinderde of
voor de voeten liep. De anderen sleepten
zich naakt voort onder de brandende
zon. Er zijn beschrijvingen van dergelijke
gruweltochten overgeleverd, o.a. van
een, die verhaalt hoe van ongeveer vijftienduizend
vrouwen en kinderen
slechts 150 in Aleppo aankwamen. Enver
Pasja maakte geen geheim van zijn
verantwoordelijkheid: in een gesprek
met de Amerikaanse ambassadeur Morgenthau
bevestigde hij, dat het kabinetspolitiek
betrof. Talaat pochte in drie
maanden meer voor de "oplossing" van
het Armeense probleem te hebben gedaan
dan Abdul Hamid in drie jaren. Hij
vroeg de Amerikaanse ambassadeur ervoor
te zorgen dat Amerikaanse verzekeringsmaatschappijen
de uitkeringen
bij overlijden van omgekomenen, bij hen
verzekerde Armeniërs, aan de Turkse
staat zouden overmaken...
Al deze dingen staan vast, maar de officiële
erkenning ervan is, zoals gezegd
een politieke zaak. Op buitenlandse
steun tegen Ankara zal de Asala niet
kunnen rekenen: de Amerikanen zullen
hun bondgenoot Turkije niet onder druk
zetten en de Russen zullen het dromen
van een onafhankelijk Armenië niet
willen bevorderen, want dat zou zeker
nationalisme en irredentisme in hun Armeense
Sowjet-republiek opwekken.
Terroristen houden zich meestal niet
met dergelijke kansrekeningen bezig: zij
trekken de aandacht van de wereld door
het plegen van zinloze maar opzienbarende
schanddaden en verwachten daar
wonderwat van. Overigens zal alleen
onder de 250.000 Armeniërs in Libanon,
waar de Asala-terroristen in Palestijnse
kampen zijn opgeleid, een aantal zijn dat
eventueel naar een onafhankelijk stamland
zal willen emigreren Na twee generaties
is de wil om terug te keren naar
het gebied om de Ararat niet zo groot;
vrijwel alle Armeniërs zijn elders
goed terecht gekomen. Koos California vorig
jaar niet als nieuwe gouverneur de Armeniër
George Deukmejian?