Terug naar vorige pagina
Leeuwarder Courant, 14 juli 1979
Bron: Digitaal Archief Noord-Nederland
Armeniër Nubar Jessayan: Verdeel- en heersprincipe hakte Armenië in twee stukken
Van een medewerker
Nubar Jessayan (58) maakte 23 jaar geleden als schoenstikker in Bunschoten zijn entree in Nederland. Vele beroepen volgden. Al gauw trad hij voor zijn landgenoten, Turken en Grieken op als tolk-vertaler (de Armeense taal verschilt overigens evenveel van het Turks en Grieks als het Nederlands verschilt van bijvoorbeeld Keltisch en Italiaans). Jessayan en zijn vrouw Hripsimi (Hripsimi was in de Armeense geschiedenis dezelfde figuur als Jeanne d'Arc in de Franse) kregen samen zes jongens en een meisje. De jongste twee jongens zitten op een Armeens internaat in Parijs ("Daar leren ze de taal en het schrift optimaal"). Jessayan wil er graag de nadruk op leggen dat de (buitenlandse) minderheden in Amersfoort goed met elkaar overweg kunnen en elkaar graag in hun eigen waarde laten. Hij signaleert dat sommige bedrijven (het overgrote deel) behalve Nederlanders soms werknemers van één bepaalde andere nationaliteit in dienst nemen.
Jessayan kan dat wel begrijpen, het is gewoon een praktische maatregel, vindt hij. In de buurt van de Amersfoortse Flint runt Jessayan een snackbar. Door renovatie gedwongen zijn hij en z'n gezin nu tijdelijk gehuisvest in barakken. Renovatie of niet, iedere Armeniër in Nederland weet de weg naar de Jessayans te vinden. Als geen ander weet Nubar Jessayan waar hij over praat als hij het over het land van zijn voorouders heeft.
AMERSFOORT - Beter een goede buur dan een verre vriend, luidt een Nederlands spreekwoord. Maar wat te zeggen van twee grote buren die je het licht in de ogen niet gunnen. "Verdeel en heers" is een credo van veel (machtige) staten. Op die manier houd je je onderdanen er goed onder. Het is in feite precies wat er eeuwenlang – tot de dag van vandaag – met de Armeniërs is gebeurd. De grote buren in dit verdeel en heersdrama zijn de Russen en de Turken en in mindere mate de Perzen. In het begin van de vorige eeuw raakte Armenië in de Russische invloedssfeer omdat de Perzen "het Russische gezag over Georgië en Armenië erkenden" Een staaltje politiek in de trant van: "over u en zonder".
Wat het betekent om onder Russische invloedssfeer te leven, ervaren de ongeveer drie miljoen Armeniërs sinds 1921 aan den lijve. In dat jaar werden ze namelijk ongevraagd ingelijfd bij de Sowjet-Unie, die na de troebelen van de oktober-revolutie van 1917 en de daarop volgende chaos orde op zaken begon te stellen. Die nieuwe communistische orde moest je dan wel heel letterlijk nemen. Jerevan (nu 1 miljoen inwoners) werd hoofdstad van de Armeense Socialistische Sowjet-Republiek. De stad Alexandropol (genoemd naar Alexander de Grote) werd omgedoopt tot Leninakan (Lenin is de vader van de Russische revolutie), en het nieuwe gebied "mocht" zich voortaan gaan richten op Moskou, duizenden kilometers verder naar het noordwesten.
Dat is slechts de helft van het verhaal. De andere helft (letterlijk en figuurlijk) is Turks. Het jaar 1915 zullen de Armeniërs niet gauw vergeten. In dat jaar (tijdens de eerste wereldoorlog dus) besloot de Turkse regering alle Armeniërs binnen het (Turkse) rijk te deporteren naar Syrië en andere landen van het Midden-Oosten. Die gedwongen verhuizing werd uitgevoerd op de meest barbaarse wijze die je je maar kunt voorstellen.
Naar schatting 600.000 Armeniërs werden vermoord. Toen de eerste wereldoorlog voorbij was, bleek de grens tussen Rusland en Turkije dwars door het vroegere Armeense gebied te lopen. De overlevende ontheemden waren terecht gekomen in landen als Syrië, Irak en Libanon. Nog even vlamde de hoop op toen bij het Verdrag van Sèvres een onafhankelijk Armenië werd erkend. Op 28 mei 1918 werd de "Vrije Republiek Armenië" (erkend door Turkije) uitgeroepen. De rood-blauw-oranje vlag wapperde aan de voet van de Ararat (waar ooit Noach met zijn ark strandde). Het wapen, adelaar en leeuw, bezegelde de vorming van de jonge staat. Het oude volk (al in de 7e eeuw voor Christus leefde het, deel uitmakend van het Assyrische rijk, in de contreien van de Ararat) had eindelijk zijn eigen huis.
Aan die droom kwam dus in 1921 een eind doordat de Armeniërs toen "de zegeningen van het communisme" deelachtig werden. De rood-blauw-oranje vlag werd verboden en vervangen door een rode variant. De adelaar en de leeuw (uit het wapen) werden als "volksvijandige elementen" beschouwd: de Russificatie was begonnen. Maar het volk bleef natuurlijk (jaren achtereen in het geheim) Armeens praten, het eeuwenoude eigen schrift bleef bestaan en de Sowjet-Armeniërs ontwikkelden zich tot een welvaart die tot een van de hoogste in de 15 Sowjet-republieken gerekend mag worden.
Geen weg terug
"Voor ons is er geen weg terug, waar moeten we naar toe?", zo vraagt Nubar Jessayan (58) zich af.
De Jessayans kwamen 23 jaar geleden naar Nederland. Het uit Griekenland (in feite een tussenstation) afkomstige gezin kreeg 17 jaar geleden de Nederlandse nationaliteit. Er wonen in Nederland zo'n 3000 Armeniërs, van wie er 500 wachten op een verblijfsvergunning. Behalve in Amersfoort wonen er ook veel Armeniërs in Almelo. Het daar verschijnende blad Bajkar (Strijd) heeft zich – blijkens een niet ondertekend artikel – nogal opgewonden over de zinsnede in "Hervormd Nederland" waarin de heer Jessayan zegt: "We hebben immers geen land".
Ik bedoel hiermee dat we niet terug kunnen. De Sowjet-Unie valt af, en de rest van ons land (inclusief steden als Trabzon, Erzurum en Kars) is nu Turks gebied. We zullen de Turken dit gebied terugvragen. Hoewel een onafhankelijk Armenië ons doel is, wijzen we iedere vorm van geweld af. Wij zijn van nature tegen het gebruik van geweld, want waarom zou je volstrekt onschuldige mensen vermoorden terwille van je eigen ideaal? Dat zou misdadig zijn. Dat wil niet zeggen dat we niets van onze (nationale) gevoelens laten blijken", zegt Jessayan.
Hij toont ons een exemplaar van het in Frankrijk verschijnende Armeense blad Haratch en memoreert dat in Athene een Armeens blad onder de naam "De Vrije Dag" uitkomt. Ook in de Verenigde Staten komen dergelijke bladen uit. Ongemerkt is Jessayan aangeland bij de "diaspora" van zijn volk: de verspreiding over de hele wereld. Behalve de joden zijn er dus meer volken die zich overal verspreid gevestigd hebben. Het verschil is dat de joden de staat Israël als nationaal tehuis hebben. Dat geldt dus niet voor de Armeniërs.
"De belangen van ons volk mogen niet worden geschaad door Sowjet-machtspolitiek. Mijn mening is dat de belangen van het volk altijd moeten voorgaan en dat de politiek pas op de tweede plaats komt. Helaas gebeurt (zoals in Rusland) vaak het omgekeerde. Trouwens ook in Nederland stellen sommige politieke partijen hun eigen belangen boven die van het volk, dat is niet goed", zegt Jessayan.
Nieuwe situatie
Na de Tweede Wereldoorlog zwermden de Armeniërs, mede om economische motieven, uit over vele landen van Europa en daarbuiten. In Turkije bestaat staat sinds jaar en dag een grote kloof tussen de islamitische meerderheid en de christelijke minderheid, waartoe ook de Armeniërs (die Armeens-Gregoriaans zijn) behoren. In de praktijk betekende het leven in Turkije voor de Armeniërs vaak een voortdurend blootgesteld zijn aan intimidatie. De sleutelposities werden vrijwel allemaal door Turken bekleed.
Toen destijds het Turkse leger een invasie op Cyprus uitvoerde, streden geen Armeniërs mee in de straten van Kyrenia en Nicosia; ze werden als "niet betrouwbaar" op het vasteland van Klein-Azië achtergelaten. De situatie is sinds 20 juli 1974 (landing op Cyprus) maar weinig veranderd. De "zieke man aan de Bosporus" (zoals Turkije ooit door Bismarck werd gekenschetst) is nog steeds ziek. Turkije wordt gekweld door interne onlusten (aanslagen van extreem rechts en extreem links) godsdiensttegenstellingen (islamieten/christenen) en het overhoop liggen met minderheden. Behalve de Armeniërs wonen er ook nog Assyriërs, Koerden, Alevieten, Turkmenen en Grieken in het land.
Om in Nederland voor een verblijfsvergunning in aanmerking te komen, moeten Armeniërs "vanuit hun oorspronkelijk woongebied" naar Nederland zijn gekomen. Daarnaast moeten ze persoonlijk én schrijnend leed hebben ervaren.
Mevr. Haars
"Ik heb met mevr. Haars (staatssecretaris van Justitie) gesproken. Hoe kun je haar duidelijk maken dat een Armeniër persoonlijk leed is berokkend. We hebben collectief verschrikkelijk geleden in 1915. Ons volk is gedeporteerd, geknecht en gedeeltelijk uitgeroeid. Geldt dat nu niet meer?", vraagt Jessayan zich af.
In Genève werd in 1951 een vluchtelingenverdrag vastgesteld door de Verenigde Naties. Volgens deze overeenkomst moeten de Armeniërs als vluchtelingen worden erkend. In dit verdrag is bepaald dat een vluchteling iemand is die, als gevolg van gebeurtenissen die voor 1 januari 1951 hebben plaatsgevonden gegronde vrees heeft voor achtervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit of zijn politieke overtuiging. Daarbij komt dan nog dat hij de hulp en bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of wil inroepen. Ook Nederland heeft dit verdrag ondertekend.
"Door de vermenging van Armeniërs met andere volken gaan wij langzaam ten onder, zonder dat er daarvoor een afslachting aan te pas hoeft te komen. Ons volk sterft op de stoep van de Westerse beschaving. Wat geen veroordeling van Nederland inhoudt, maar wel een situatie aanduidt die in West- Europa en in de Verenigde Staten is ontstaan en waaraan voor de Armeniërs nauwelijks te ontkomen is. En Chileense vluchteling kan misschien ooit terug, wij kunnen dat niet", zegt Jessayan.
Natuurlijk speelt bij de hele situatie van de Armeniërs in Nederland – dat komt vaker voor – de kwestie van het generatieconflict mee. De jonge Armeniërs hebben (soms) geen boodschap aan wat hun ouders zeggen. Ze proberen hun eigen plaats binnen de Nederlandse samenleving te vinden. Ze gooien het verleden niet weg, maar leven er ook niet dagelijks mee. Bij hen speelt zich misschien het proces af dat Jessayan aanduidt als "Ondergang zonder afslachting".
De jongere generatie zal hier tegenin brengen dat de vestiging van een vrije republiek Armenië politiek volslagen onhaalbaar is; een droom die nooit in vervulling kan gaan. In het theoretische geval dat de Sowjet-Unie en Turkije akkoord zouden gaan met de vorming van zo'n nieuwe staat, zouden trouwens alle Armeniërs ook niet op stel en sprong terug gaan. Toen Suriname in 1975 onafhankelijk werd, vertrokken duizenden vlak voor de souvereiniteitsoverdracht (op 25 november) naar het oude moederland. Het merendeel zit nu nog in Nederland. De gedachte om met zijn allen een onafhankelijke staat op te bouwen, sprak hen niet aan, economische motieven bleken belangrijker.
Het verschil met de Armeniërs blijft wel dat de Surinamers in Nederland iedere dag op het vliegtuig naar Parimaribo kunnen stappen om zich in de jonge republiek te vestigen. Dat kunnen de Armeniërs niet. Hun land is opgedeeld tussen twee grote landen. De roep om vrijheid is synoniem aan de roep om het behoud van de eigen identiteit, het spreken van de taal, het geven van eigen onderwijs en de uitoefening van de eigen godsdienst. Dat mag niet verloren gaan vindt Jessayan. En wie zou hem daarin ongelijk kunnen geven?