Terug naar vorige pagina
Katholiek Nieuwsblad, 27 juni 2003
Bron: Katholiek Nieuwsblad
"Deze deur mag niet dichtgeslagen worden"
Door Gianni Valente
Het hoofd van de grootste christelijke minderheid in Turkije, de Armeense patriarch Mesrop II, legt uit waarom het zo belangrijk is dat Turkije in de EU opgenomen wordt. Hij toont zich in het Italiaanse tijdschrift 30Tage vol vertrouwen over de nieuwe politieke koers van het land.
Menig Europese waarnemer zag in de overwinning van een islamistische partij bij de laatste verkiezingen het EU-lidmaatschap van Turkije in rook vervliegen. Van deze sombere gedachten heeft in ieder geval de Europarlementariër Arie Oostlander niet veel last, getuige het rapport dat hij onlangs uitbracht (zie KN 37). Wat hem betreft bestaat er geen fundamenteel bezwaar tegen het openen van de onderhandelingen met Turkije in het najaar van 2004.
Uit onverwachte hoek krijgt Oostlander steun. Het hoofd van de 80.000 Armeniërs in Turkije, de grootste christelijke minderheid, patriarch Mesrop II, is ook uitgesproken voorstander van een toetreding van Turkije. Hij maakte in november en december 2002 zelfs een rondreis langs verscheidene Europese hoofdsteden om politici en kerkelijke vertegenwoordigers voor de toetreding te winnen. Van 'onder een hoedje spelen' met de regering in Ankara kan hij moeilijk beschuldigd worden; daarvoor waren zijn eerdere aanvaringen met de regering over de rechten van religieuze minderheden te fel.
Welke zorgen heeft u uitgesproken tegen uw Europese gesprekspartners?
"De afgelopen maanden kwam het helaas steeds weer voor dat enkele conservatieve kringen de religie ter sprake brachten. Het is hun mening dat Turkije alleen al op religieuze overwegingen uit Europa geweerd moet worden. Klinkklare nonsens. Het gaat om een politieke beslissing. Ze kunnen rustig hun economische, politieke en sociale overwegingen ter sprake brengen, maar ze moeten de religie erbuiten laten."
Als men de zwartkijkers echter mag geloven, hebben de islamisten bij de jongste verkiezingen gewonnen.
"De kleine partij van islamitische extremisten is er niet in geslaagd de kiesdrempel van 10 procent te halen. De Gerechtigheids- en Ontwikkelingspartij, die met grote winst de verkiezingen afsloot, is een nieuwe politieke organisatie. Zij is ontstaan uit het samengaan van twee elementen: de gematigde islamisten en de meerderheid van de vroegere kiezers op de Moederlandspartij, die de gestorven president Ozal opgericht heeft. Het is een centrumrechtse partij die, omdat ze een sterke meerderheid achter zich heeft, de regeerbaarheid van het land kan garanderen."
Niemand zal dus proberen de "sharia" als staatswet in te voeren?
"Ik heb de partijleider, Recep Tayyip Erdogan, ontmoet, en ook Abdullah Gul, de minister-president. We spraken over de rechten van de minderheden en allebei verzekerden ze mij hervormingen te willen doorvoeren waarmee aan alle groepen dezelfde mogelijkheden geboden zou worden. Want zij hangen een gematigd islamisme aan, dat de traditie van tolerantie en het multireligieuze samenleven weer opneemt, dat zo lange tijd typerend was voor het Ottomaanse Rijk. Op religieus gebied streeft men er alleen naar binnen de familie en de maatschappij een legitiem en openbaar kader voor de islamitische traditie te scheppen. Men wil de te strenge lekenstaat wat versoepelen, die ook het leven van religieuze minderheden zwaar maakt. En dat zal ons ook voordeel brengen."
Bent u bij de door u gevoerde gesprekken in Europa op weerstand gestoten?
"Nee, iedereen was het erover eens dat Turkije een strategisch belangrijke rol speelt in de Europese belangen. Men vond het een versterking van de Europese Unie als zij een confederatie van landen en verschillende ervaringen wordt. En ook degene die op de joods-christelijke wortels van Europa wijst, moet toegeven dat men het continent nauwelijks als christelijke club bestempelen kan. Ik vind het bovenmatig schijnheilig en gevaarlijk om, met de doelstelling Turkije erbuiten te houden, steeds op de religie te pochen."
Wat bedoelt u daarmee?
"Een verwijzing naar de christelijke wortels van Europa in de toekomstige Europese grondwet werd door velen afgewezen. En nu men voor Turkije op basis van politieke en economische motieven de deur gesloten wil houden, komt deze of gene plotseling op de proppen met de innige wens van een zogenaamde christelijke zuiverheid van Europa. En daarmee verwerpt men de bereidheid anderen op te nemen, zoals Jezus ons zelf in de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan geleerd heeft."
Waarom is deze afwijzende houding in naam van het christendom zo gevaarlijk volgens u?
"Als Europa na veertig jaar halfhartige beloftes nu onder het mom van de religie de deur dichtslaat voor Turkije, kan ik bijna niet geloven dat de Turkse regering haar houding ten opzichte van ons zal veranderen. Maar in de publieke opinie zal dan onvermijdelijk een gevoel van afkeer tegenover de christelijke minderheden ontstaan."
Het is verrassend dat u zo nadrukkelijk voor de belangen van Turkije opkomt. De betrekkingen tussen Armeniërs en Turkije zijn immers decennialang vertroebeld door de controversiële herinnering aan de Armeense genocide die de Jongturken in 1915 aangewakkerd hebben.
"De Armeense Kerk heeft om duidelijke redenen belang bij de Turks-Armeense dialoog. Andere Armeense gemeenschappen eisen - vooral onder druk van politici van de republiek Armenië en de diaspora - als grondbeginsel voor welke dialoog met de Turken dan ook de erkenning van de regering in Ankara van de genocide op de Armeniërs. Ze zijn van mening dat het niet vergeten mag worden, omdat dat de enige manier is om herhaling van dergelijke gruweldaden te voorkomen. Mijn opgave als man van de Kerk is niet een oordeel over de geschiedenis te vellen, maar om wonden te helen, niet om er nog meer zout in te strooien. In het jaar 1915 is er iets verschrikkelijks gebeurd in Turkije, alleen de gedachte daaraan is al ondraaglijk. Of men het nu volkerenmoord, uitroeiing of anders noemt, dat verandert niets aan de hoofdzaak. Te verlangen dat de Turken eerst deze volkerenmoord erkennen als voorwaarde voor een opening, is misschien wat al te drastisch.
Zo loopt men het gevaar niet verder te komen, omdat men gehinderd wordt door het verleden. Als men echter de lijn blijft volgen van het gemeenschappelijk samenleven, van wederzijdse openheid, dan zal langzamerhand gewerkt kunnen worden aan de vermindering van het wantrouwen. De jonge generatie zal dan over het verleden spreken, de schuld van hun voorouders erkennen en toegeven, om te komen tot een zuivering van de herinnering. En die zal niet de speelbal van belangen worden, waarbij anderen aan de touwtjes trekken."