Terug naar vorige pagina
Katholiek Nieuwsblad, 26 mei 2000
Bron: Katholiek Nieuwsblad
Armeens drama staat modernisering Turkije in de weg
Door Ben van de Venn
Meer dan één miljoen doden. Niet door een natuurramp, niet door een ongeluk, maar botweg door etnische en religieuze haatgevoelens. Schrijnend is dat het Armeense volk - want hen is dit overkomen - zelfs 85 jaar na dato in Nederland haar geschiedenis wordt ontnomen.
De steile, meer dan 5000 meter hoge Ararat-berg in het uiterste oosten van Turkije, waar de Ark van Noach strandde, vormt het hart van wat eens het land van de Armeniërs was. Het is slechts een van de bergen in een ingewikkeld bergstelsel in het huidige Oost Turkije. In dit gebied hebben eeuwenlang de Armeniërs gewoond. Een volk dat reeds in 301 het christendom aannam en daarmee de oudste christelijke natie is. Ondanks overheersing door wisselende mogendheden hebben de Armeniërs steeds vastgehouden aan hun christelijke godsdienst en hun eigen Indo-Europese taal en literatuur.
Tot 1375 leefden de Armeniërs betrekkelijk ongestoord in hun koninkrijk. Daarna werd het na verschillende Turks-Russische oorlogen opgedeeld in een Russisch- en een Turks-Armenië. De droom van een vrij en onafhankelijk Armenië bleef echter leven. Terwijl de Armeniërs onder de Russen betrekkelijk vrijgelaten werden op cultureel en staatkundig gebied, vormden de christelijke Armeniërs in het Ottomaanse rijk, zeker na de verovering van Constantinopel in 1453 door de Turken, een achtergesteld en vaak fel vervolgde minderheid. In de jaren 1894-1920 zou er zelfs een grootscheepse uitroeiingscampagne doorgevoerd worden waarin zo'n één tot anderhalf miljoen Armeniërs gedood werden.
Het Armeense probleem
Op 13 juli 1878 werd Turkije na de zoveelste oorlog met aartsvijand Rusland gedwongen het verdrag van Berlijn te ondertekenen. Daarin werd onder meer bepaald dat Turkije zou "waarborgen het leven en het eigendom en de zekerheid van de Armeense natie in haar stamland". Nog geen twintig jaar later bleek dat sultan Abdoel Hamid deze verdragsbepaling aan zijn laars lapte. In 1896 hadden zich ondertussen verzetsgroepen gevormd die zich keerden tegen de vernederende en vaak gewelddadige behandeling van de Armeniërs. In 1896 deden zij als protestdaad een aanval op de Keizerlijke Ottomaanse Bank. Het antwoord van de sultan was buiten alle proporties: Armeense steden werden aangevallen en 100.000 mannen, vrouwen en kinderen op wrede wijze vermoord.
Hier bleek al duidelijk wat de opzet van Sultan Abdoel Hamid was: het 'Armeense probleem' oplossen door de uitroeiing van deze christelijke minderheid. Wat volgde was een aaneenschakeling van pogroms in Armeense steden waarbij de mannen werden gedood en meisjes en jonge vrouwen werden verkracht of in harems terechtkwamen. De Turkse overheid zag of wilde niet zien dat men daarmee het eigen land verzwakte. Want de Armeniërs waren veruit het meest ontwikkelde deel van de Turkse natie, die van belang waren voor de bevordering van de handel, landbouw en industrie. Maar de haat tegen de christenen op Turkse bodem was groter.
Systematische uitroeiing
1908 was een revolutiejaar. De beweging van "Jong Turken" wilde een einde maken aan het bloedig wanbeheer van Abdoel Hamid. De Koerden sloten zich aan bij de sultan, maar de Armeniërs streden aan de zijde van het nieuwe regiem van "Eenheid en Vooruitgang", dat de overwinning behaalde. De Jong Turken hadden in verschillende Armeense dorpen wapens uitgedeeld om op hulp te kunnen rekenen bij aanvallen van de tegenpartij. Ofschoon er ook door de Jong Turken aanvallen op Armeense dorpen waren geweest, kozen de Armeniërs toch weer hun zijde toen ze in 1912 opnieuw in de verdrukking kwamen. Dit is moeilijk te rijmen met de beschuldigingen dat de Armeniërs twee jaar later samenzweerden met de vijand Rusland om het Ottomaanse keizerrijk omver te werpen.
Er waren aan het begin van de Eerste Wereldoorlog in 1914 inderdaad Armeniërs die overliepen naar en spioneerden voor de Russen. Maar dat er onder het parool "herstel van de orde in de oorlogszone wegens begunstiging van de vijand, verraad en gewapende hulp" een orgie van geweld op achtergebleven vrouwen en kinderen in de Armeense dorpen gepleegd werd, was weerzinwekkend. De moorden en deportaties die zouden volgen toonden aan dat de Jong Turken een nog grotere haat koesterden tegen de Armeniërs. Sultan Aboel Hamid had gezegd: "het middel om van de Armeense kwestie af te komen is zich van de Armeniërs te ontdoen". De nieuwe regering waarin Talaät-Pasja en Enver-Bey sleutelposities innamen, kondigden in 1915 maatregelen af die de complete vernietiging van de Armeniërs beoogden binnen 50 jaar.
In juli 1915 werd in Constantinopel een algemeen plan ter uitroeiing van de Armeniërs uitgedacht en later ten uitvoer gebracht. Het kwam erop neer dat de mannen zouden worden gedood en de vrouwen en kinderen weggevoerd naar de woestijnen in Syrië. Men ging ervan uit dat het overgrote deel dit land niet levend zou bereiken. Ondertussen zou in alle moskeeën haat tegen de christenen gepreekt worden om de gemoederen te verharden bij het aanschouwen van zoveel lijden en wreedheid..
Wat er zich daarna afgespeeld heeft kan niet anders genoemd worden dan de eerste op wrede wijze uitgevoerde genocide van de 20ste eeuw. Een op ooggetuigen gebaseerd verslag van de gebeurtenissen is vastgelegd in een boek uit 1918, uitgegeven door het Nederlandsch Comité tot Hulpbetoon aan de noodlijdende Armeniërs, getiteld Marteling der Armeniërs in Turkije; naar berichten van ooggetuigen. Genoemd comité bestond onder andere uit politieke zwaargewichten als: Mr. A.F. De Savornin Lohman, Mr. W. Baron de Vos van Steenwijk, Mr. P.J.J.S.M. van der Does de Willebois en Mr. CH. Ruijs de Beerenbrouck...
In Marteling der Armeniërs komt onder andere een door de Engelsen gevangen genomen Turkse officier aan het woord. Hij vertelt hoe zijn divisie, waaraan een bende Koerdische en Turkse vogelvrijverklaarden was toegevoegd, te werk ging in Armeense dorpen: "Mannen, vrouwen en kinderen werden zonder genade omgebracht. (...) De Armeniërs werden uit de steden verdreven, loopgraven werden aangelegd, de Armeniërs daarin gedreven en dan doodgeschoten. De loopgraven werden daarna weer met aarde gevuld en talrijke Armeniërs levend begraven. Mijn compagnie kreeg bevel om naar het dorp Karkoek te gaan, waar overeenkomstig de gegeven orders, op straf van dood, het dorp omringd, de inwoners doodgeschoten en de huizen verbrand werden. (...) De loop van rivieren was door de lijken van duizenden Armeniërs gestremd. (...) In Bitlis werden talrijke Armeense notabelen opgehangen zonder vorm van proces of enige rechtvaardiging."
Ooggetuigen verhalen
Schokkend zijn de verhalen over de deportaties van vrouwen en kinderen in Marteling der Armeniërs in Turkije. Een ooggetuige geeft de volgende schildering: "Ik zag ze gaan. Eén eindeloze optocht, begeleid door gendarmen die met stokken gewapend de menigte voortdreven. Half gekleed, doodmoe sleepten zij zich voort. Bejaarde vrouwen waren neergezegen, maar moesten weer voort wilden zij geen kennis maken met de dreigende stok. Anderen werden voortgedreven als een ezel. (...) Iets verder strompelde een oude vrouw die afgetobd in de modder neerviel. Een soldaat wist niet beter te doen dan haar twee- of driemaal met de stok te slaan, maar zij roerde zich niet. Dan maar een schop met zijn zwaargelaarsde voet, maar ook dat baatte niet, onbeweeglijk bleef de oude vrouw liggen. Nog eenmaal gaf de soldaat een harde schop, waardoor het slachtoffer in de greppel rolde. De oude vrouw was dood. De mensen die op hun vermoeide doortocht hier in de stad aankomen, hebben sinds twee dagen niet gegeten.
Mijn zegsman vertelde mij nog, dat een jonge Armeense op de weg van Konia naar Karabunar haar pasgeboren kind in een waterput wierp. Zij kon het niet meer voeden. Een andere moeder had haar kind, dat zij niet kon zien doodhongeren, onderweg uit het venster van de wagon geworpen."
Even afschuwwekkend is het verhaal dat het Zwitsers Comité optekende uit de mond van ooggetuigen uit Oerfa, waar "de Turken alle wezen die zonder onderdak waren in karren wegvoerden en ze in de Eufraat gooiden. Van een groep, die 5000 leden telden toen zij Charpoet verlieten, kwamen er niet meer dan 213 in het Noord Syrische Aleppo aan: de weerbare mannen waren in het water geworpen, de grijsaards, vrouwen en kinderen werden van hun kleren beroofd en bloot gesteld aan de kille nachten en brandende zonnestralen overdag, met de te verwachten gevolgen. Overal zag men misvormde lijken van vrouwen, meisjes en kinderen."
Ottomaanse idealen
De deportaties waren geen gewone verplaatsingen, maar maakten onderdeel uit van het plan van de regering de Armeense minderheid weg te vagen. Reeds in 1918 kan men vaststellen dat de Turkse Centrale regering vrijwel geslaagd is in haar opzet om het Armeense volk uit te roeien. Van een totaal van 1.845.450 Armeniërs zijn er dan 244.000 gevlucht en 1.396.350 vermoord of gedeporteerd.
Het is onbegrijpelijk dat de Turkse regering tot nu toe, bij alle schriftelijke bewijzen die er zijn, de genocide op de Armeniërs heeft ontkend. Tot welke absurde taferelen dat leidt zien we nu in Assen. De Armeniërs mogen hun doden niet herdenken omdat daardoor "Turkse gevoelens worden gekwetst". De omslag naar een seculiere staat in de jaren twintig van de vorige eeuw ingezet door Ataturk kan alleen maar slagen als Turkije zich ontdoet van de leugens omtrent de genocide op de Armeniërs. Grote delen van de Turkse gemeenschap in Nederland zijn nog lang niet zover; zij geloven blijkbaar, al of niet gestuurd vanuit Turkije, nog in de idealen van het Ottomaanse Rijk.