Terug naar vorige pagina 

Katholiek Nieuwsblad, 13 oktober 2006
Bron: Katholiek Nieuwsblad

Armeense genocide: de loden last van ontkenning
Door Ben van de Venn

Het schrappen van enkele Turkse kandidaat-Kamerleden heeft eindelijk de Armeense genocide in het volle daglicht geplaatst. Krampachtige pogingen om die nog langer te ontkennen, zullen uiteindelijk schipbreuk lijden. De bronnen zijn te overvloedig.

Het overleg van het Inspraak Orgaan Turken in Nederland verwierp afgelopen zondag het beeld dat alle Turken nationalist zijn. Een betere weerlegging van dat beeld hadden de verzamelde Turkse Nederlanders kunnen geven door en masse afstand te nemen van artikel 301 uit het Turkse wetboek van strafrecht, dat sinds 1 april 2005 van kracht is. Dat bepaalt dat iedereen die de Turkse nationale eer bezoedelt strafbaar is. En er is in Turkse ogen geen ergere aantasting van die eer mogelijk dan de erkenning dat in het Ottomaanse Rijk in 1915-1916 naar betrouwbare schattingen tussen de achthonderdduizend en een miljoen Armeniërs zijn gedood. Volgens een VN-verdrag een duidelijke vorm van genocide. Door het incident met de kandidaat-Kamerleden is aan het daglicht gekomen dat het overgrote deel van de Turkse Nederlanders meer Turks dan Nederlands is en niets van een genocide wil weten.

Atatürk
De ontkenning dat er een volkerenmoord op de christelijke Armeniërs was gepleegd, begon al meteen in 1923 toen Atatürk de moderne Turkse Republiek stichtte. Pas in de jaren '50 en '60 kwam door historisch onderzoek aan het licht wat er zich op het einde van het Ottomaanse Rijk had afgespeeld. Dé deskundige inzake de Armeense genocide is het hoofd van het Center for Holocaust and Genocide Studies van de Universiteit van Amsterdam, Ton Zwaan. In een achtergrondartikel in het blad Auschwitz Bulletin 2000 heeft hij de "vergeten genocide" nauwkeurig beschreven.

Het besluit over te gaan tot een bijna complete collectieve vervolging en vernietiging van de Armeniërs is, volgens Zwaan, eind 1914 begin 1915 genomen. Voor deze beslissing was het driemanschap verantwoordelijk dat op dat moment aan de macht was: Talaat Pasja, Enver Pasja en Djemel Pasja. Alledrie behoorden tot de politieke beweging Ittihad ve Terakki, ook welbekend als de "Jong Turkse Beweging". Begin 1913 pleegde het driemanschap als meest radicale vleugel van Ittihad een bloedige staatsgreep en vestigde een dictatoriaal regime. Hun ideologie kenmerkte zich door een militaire visie en extreem Turks nationalisme.

Duitse steun
In de vroege zomer van 1914 sloot het regime een geheim verdrag met het Duitse keizerrijk om isolering te voorkomen en Duits-militaire steun te verwerven. Oktober 1914 bevond het Ottomaanse Rijk zich in oorlog met Rusland, Engeland en Frankrijk. Door deze oorlogssituatie behoefde het regime zich niet te verantwoorden tegenover buitenlandse grootmachten die zich voorheen ontpopten als beschermers van de Armeniërs. In het rijk zelf heerste de staat van beleg, waardoor het regime vrijwel onbeperkte beslissingsmacht genoot. Zo zag het zijn kans schoon af te rekenen met de Armeense bevolking die beschuldigd werd van collaboratie met Rusland en waartegen een traditioneel wantrouwen bestond. Ook speelde een rol dat de Armeense minderheid in het laatste kwart van de 19e eeuw een culturele, economische en politieke "renaissance" beleefde en jaloezie opwekte. Dit alles leidde tot het besluit tot collectieve ter dood veroordeling van een grote groep onschuldigen.

Gruwelijk lot
In februari en maart 1915 werden de 150.000 tot 200.000 Armeense officieren en soldaten in het Ottomaanse leger ontwapend en geplaatst in "arbeidbataljons". Uithongering, mishandeling en regelrechte massamoorden door Turkse legereenheden en Koerdische hulptroepen leidden tot decimering van deze groep. In de nacht van 24 april 1915 werden in een zorgvuldig geregisseerde actie vele honderden vooraanstaande Armeniërs, politici, journalisten, zakenlieden en intellectuelen, opgepakt. Na per trein te zijn afgevoerd, werden ze vrijwel allemaal vermoord. Met deze twee acties was de "ruggengraat" van de Armeense bevolking gebroken.

Nu kwam de weg vrij om reusachtige deportaties op gang te brengen in het hele rijk. De Armeniërs werden gedwongen hun woonplaats te verlaten en bijeengedreven om te voet of per trein op transport te worden gesteld naar verafgelegen bestemmingen in Zuid-Ottomaanse provincies (het huidige Syrië en Irak).

De gedeporteerde wachtte een gruwelijk lot. Ooggetuigenverslagen en diplomatieke correspondentie verhalen over zware mishandeling, moord op grote groepen, verkrachting en seksuele verminking van vrouwen en meisjes. Mensen werden levend begraven, collectief verbrand, opgehangen, verdronken. Verder stierven velen aan uithongering, uitputting en ziekten. Naar schatting ging het hier om 1,2 tot 1,4 miljoen Armeniërs, van wie driekwart het niet heeft overleefd.

Weinig twijfel
Het aantal bronnen dat Zwaans weergave ondersteunt is overweldigend en laat weinig twijfel over de juistheid ervan. Een betrouwbare historische bron vormen de archieven van de Duitse buitenlandse dienst. Door het bondgenootschap met Duitsland waren veel Duitse diplomaten, militairen en anderen actief in het Turkse rijk. Van hen zijn talloze gedetailleerde rapporten bekend die de vervolging en massamoorden beschrijven.

Veel van dit materiaal is bijeengebracht door Wolfgang Gust in zijn boek Der Völkermord an den Armeniërn 1915/1916 waarvan in 2005 een nieuwe versie verschenen is. "De manier waarop de "verhuizing" uitgevoerd was, toont aan dat de regering inderdaad het doel heeft het Armeense ras in het Turkse rijk te vernietigen", schreef ambassadeur Wangenheim in 1915 aan de Duitse Rijkskanselier.

De betrokkenheid van Duitsland bij de genocide is tot nu toe erg onderbelicht geweest. De keizerlijke ambassadeur Konstantin von Neurath was maar een van de vele Duitsers die in Turkse rijk een rol speelden. Onder Hitler werd hij minister van Buitenlandse Zaken. Hitler wist dus waarover hij sprak toen hij voor de inval in Polen bezwaren tegen jodenvervolging pareerde met: "Wie praat nu nog over de vernietiging van de Armeniërs?"

"Nooit spijt"
Ook uit andere landen zijn talloze bronnen bekend over het verloop van de genocide. De Duitse priester Johannes Lepsius maakte al na de eerste slachtingen van Armeniërs in 1895/96 onder sultan Abdul Hamid II, het lijden van de Armeniërs wereldkundig. Hij riep met name christenen op tot morele en financiële steun voor hun vervolgde Armeense medechristenen. Zijn oproep bereikte veel westerse landen, waaronder Nederland. In 1918 verscheen het boek Marteling der Armeniërs uitgegeven door het Nederlands Comité tot hulpbetoon aan de Noodlijdende Armeniërs. Het comité, waarin politieke topfiguren als De Savornin Lohman, en Ruijs de Beerenbroek zaten, riep christenen op de Armeniërs financieel te ondersteunen. Het boek geeft op basis van ooggetuigenverslagen een ongewoon nauwkeurig verslag van de gruwelijkheden.

In Amerika brengt de New York Times in 1915 en 1916 vrijwel dagelijks verslag uit over de uitmoording van de Armeniërs. In het rijtje bevestigingen van de genocide nemen de memoires van de Amerikaanse ambassadeur in Turkije van 1913 tot 1916, Henry Morgenthau, een voorname plaats in. In Ambassador Morgenthau's Story geeft hij een verslag van een gesprek met Talaat Pasja, minister onder de Jong Turkse regering en nauw betrokken bij de genocide. In dat gesprek zegt Pasja: "Het heeft geen zin dat wij daarover praten; we hebben al afgerekend met driekwart van de Armeniërs." Eerder merkte Pasja op dat de Turken geen verschil konden maken tussen schuldigen en onschuldigen, want "de onschuldigen van vandaag kunnen morgen schuldig zijn". Als Morgenthau zijn gesprekspartner voorhoudt dat zijn regering een fout maakt, is het antwoord: "Ja we maken misschien fouten, maar we zullen nooit spijt hebben."

Van onverdachte zijde is het bewijs voor de genocide dat de Turkse regering zelf in 1919 in een militair tribunaal Talaat Pasja, Enver Effendi, Djemal Effendi en dr. Nazim bij verstek ter dood laat veroordelen. "De slachting en vernietiging van de Armeniërs was het resultaat van een beslissing door het Centraal Comité van de Ittihad ve Terakki," lezen we in een transcriptie van het proces door Vahakn N. Dadrian.

Nationale mythen
Vanwaar toch die krampachtige ontkenning van de geschiedenis die uiteindelijk toch niet vol te houden is? Uğur Ü. Üngör, die in 2004 archiefonderzoek verrichtte in Istanboel heeft daar in het Friesch Dagblad van 28 december 2004 een opmerkelijke verklaring voor. De hoofddaders van de genocide werden door de Ottomaanse Krijgsraad ter dood veroordeeld. Door de overwinning van Kemal Atatürk zijn deze vonnissen nooit voltrokken. De nog levende daders gingen vrijuit en uit deze groep nationalistische officieren werd de Turkse Republiek gesticht. De hoofddaders van de genocide werden zo in ere hersteld en vervullen een plaats in het nationale geheugen van de huidige Turken. Terwijl een Himmlerstrasse in Berlijn ondenkbaar zou zijn, zijn er naar mensen als Talaat Pasja talloze straten en wijken genoemd in Turkije. Onder de Founding Fathers van de moderne Turkse Republiek bevinden zich hoofdverantwoordelijken voor de genocide. Voorbeelden zijn kopstukken als Celal Bayar (1883-1986), Sükrü Kaya (1882-1959), Käzm özalp (1880-1968) en Mustafa Abdülhalik Renda (1881-1948). Vandaar dat iedere verwijzing naar de genocide inhoudt dat Turkije zich in zijn nationale mythen voelt aangetast.

"Een mening"
Deze verwevenheid van de genocideplegers met de moderne Turkse Republiek verklaart veel. Werden ook de christelijke Arameeërs en Assyriërs in het zuidoosten van Turkije niet voor het grootste deel aangepakt en verjaagd uit hun 3000 jaar oude hartland? Pogingen tot terugkeer van naar het buitenland getrokken Arameeërs worden ook nu nog stelselmatig geblokkeerd. Daarom kun je beter spreken over Ottomaanse genocide tegen christenen.

Verklaart de nationale heldenstatus van genocideplegers ook niet de hardnekkige pogingen mensen die over de genocide spreken de mond te snoeren? En hoe kan een land nationale geschiedenis schrijven als het geen afstand neemt van zijn duister verleden. Het gaat hier niet om "een mening", zoals Turkse Nederlanders suggereren. Het gaat over een miljoen moorden of meer. Het gaat om het afleggen van een historische last die een hele natie is opgelegd. En het gaat om het leed en recht van nabestaanden om minstens te rouwen over hun (overgroot)vaders, waarvan ze nu niet weten waar die begraven zijn.