Terug naar vorige pagina
Katholiek Nieuwsblad, 10 december 2005
Bron: Katholiek Nieuwsblad
Is Ankara te ver gegaan?
Door Ben van de Venn
Uitgerekend op de dag dat er een Europese top plaatsvindt, moet de Turkse schrijver Orhan Pamuk voor de rechter verschijnen. Hij zou de Turkse identiteit geschaad hebben door over de volkerenmoord op de Armeniërs te praten. Een gebeurtenis die door Nederlandse politici in 1918 al uitvoerig beschreven is.
"Terecht hebben we op 3 oktober het begin van onderhandelingen gevierd, maar het feest is over. Er moet nu boter bij de vis komen." Krachtige woorden van Olli Rehn, Eurocommissaris voor uitbreiding en dus verantwoordelijk voor toetreding van Turkije tot de EU. Met de boter bedoelt hij dat er vaart gezet moet worden achter het toegezegde hervormingsprogramma. Maar, zal Ankara zeggen, we hebben toch strafwetten veranderd zoals de EU wenste. Het probleem is echter dat in die nieuwe wetten "foute dingen" staan, zoals de rapporteur voor Turkije van het europarlement, Camiel Eurlings, het in een interview met KN noemde (zie KN 53). Zo legt artikel 301 straffen op aan iedereen die schade toebrengt aan "de Turkse identiteit". En dat heeft de Turkse schrijver Orhan Pamuk volgens de openbare aanklager gedaan toen hij in de Zwitserse Tages Anzeiger zei dat dertigduizend Koerden en een miljoen Armeniërs zijn vermoord in Turkije.
Daarom moet hij op 16 december in Istanboel voor de rechter verschijnen, die hem tot drie jaar cel kan veroordelen. Olli Rehn sprak van een "provocatie" en staatssecretaris voor Europese Zaken Atzo Nicolaï schreef in de Volkskrant het onaanvaardbaar te vinden "als in een land dat lid wil worden van de EU, iemand de mond wordt gesnoerd".
Al die verontwaardiging doet wat vreemd aan en lijkt meer op spreken voor eigen achterban. Want heeft Europa ooit met zoveel woorden van Turkije geëist dat het de genocide op de Armeense en Aramese christenen in het begin van de vorige eeuw erkende? De constatering dat honderd jaar geleden bijna 20 procent van de Turken christen was en nu nog 0.03 procent, kan Ankara niet wegpoetsen. De gruwelijke manier waarop Turkije zich begin 20e eeuw van het Armeens christelijke volksdeel heeft ontdaan is uitvoerig gedocumenteerd. In 1912 was de beschuldiging dat de Armeniërs met aartsvijand Rusland samenzwoeren een mooie gelegenheid van die lastige Armeniërs af te komen. Er volgde een orgie van geweld toen de regering van "Jong Turken" in 1915 maatregelen afkondigde die de vernietiging van het Armeense volk beoogden.
Onopgemerkt door Europa, dat in een Wereldoorlog verwikkeld was, begonnen Turkse en Koerdische troepen met het uitmoorden van Armeense dorpen. De overlevenden werden gedeporteerd met het doel hen weg te halen van de Russen met zie ze gecollaboreerd hadden. Althans dat was de officiële lezing. De werkelijkheid was dat honderdduizenden mannen, vrouwen, kinderen en bejaarden door de woestijnen van Syrië weggevoerd werden. De brandende hitte en het wrede optreden van Turkse en Koerdische milities zorgden ervoor dat 90 procent van de Armeniërs op deze tocht bezweek. Niemand hoeft er, gezien de overweldigende historische documentatie, aan te twijfelen dat deze campagne tot doel had het Ottomaanse Rijk systematisch te zuiveren van de christelijke minderheid. Een uiterst belangrijke en weinig gekende historische bron is Marteling der Armeniërs in Turkije. Een boek dat al in 1918 uitgegeven werd door Het Nederlands Comité tot Hulpbetoon aan de Noodlijdende Armeniërs.
In het comité zaten politieke zwaargewichten als de protestant De Savornin Lohman, de katholieke minister-president Ruijs de Beerenbouck en P. van der Does de Willebois, de katholieke burgemeester van 's-Hertogenbosch en lid van de Eerste Kamer. Zij lieten zich geen zand in de ogen strooien en trokken zich het wrede lot aan dat medechristenen in Turkije trof. Het comité zamelde zelfs geld in om de overlevenden te helpen en gaven genoemd boek uit.
Aan de hand van ooggetuigen geeft het boek een fabelachtig nauwkeurig verslag van de gruwelijkheden die zich vrijwel op hetzelfde moment in Oost-Anatolië afspeelden. Een voorbeeld is het verpletterende verhaal van een Duitse spoorwegbeambte. "Van de 18.000 gedeporteerden van Karput en Siwas, kwamen 350 vrouwen en kinderen te Aleppo aan, en van de 19.000 uit Erzeroem 11, een ziek kind, 4 jonge meisjes en 6 vrouwen. Mohammedaanse reizigers, die dezen weg gevolgd hebben, vertellen dat de weg onbegaanbaar is door het kolossale aantal lijken dat er langs de weg ligt. Als de uitgehongerde en uitgemergelde vrouwen en kinderen te Aleppo aankomen, vallen zij als beesten op het voedsel aan. Maar bij de meesten werken de inwendige organen niet meer, zodat zij na een paar happen de lepels wegwerpen." Op andere plaatsen lezen we over het vermoorden van het mannelijk deel, het wegslepen van jonge vrouwen en meisjes naar Turkse harems, het verkopen van kinderen op slavenmarkten en een langzame dood door honger en ziekte. Een ooggetuige ziet "Turken die Armeniërs aan elkaar vastbinden om er dan op te schieten".
"De moreele gevolgen van de wegvoering der Armeniërs zullen eerst na den oorlog worden gevoeld", lezen we. "De wereld zal het nooit willen geloven, dat uit strategisch oogpunt de deportatie van een miljoen vrouwen en kinderen, de dwang tot islamisering en de vermoording van honderd duizenden noodzakelijk is geweest (zoals de Turksche regering voorgeeft)." Toch heeft Turkije de massamoord weten te verkopen aan de wereld. Zoals men ook de cijfers gebagatelliseerd heeft. Dat Pamuk aangeklaagd wordt omdat hij het zwijgen heeft doorbroken, toont aan dat Ankara vastberaden is de genocide op de Armeniërs te blijven ontkennen. Een eerlijk historisch onderzoek zou ook ontlastende feiten aan het licht brengen. In genoemd boek komen voorbeelden voor van Turken die zich verzet hebben tegen de verdrijving en vermoording van de Armeniërs.
De Turken van Alaschkert bijvoorbeeld telegrafeerden naar Constantinopel om te protesteren en in Adabazar verzamelde zich aan het station een groot aantal moslims om het vertrek van de Armeniërs te verhinderen. Zo'n onderzoek kan de Turken op wat schuldbetalingen komen te staan, maar het zou een zelfreinigend proces op gang kunnen brengen en het prestige van Turkije doen toenemen. Camiel Eurlings zal het proces bijwonen. "Een veroordeling heeft zeker een negatief effect op de toetredingsonderhandelingen", laat hij in een persbericht weten. Opnieuw krachtige taal. Komt er dan toch een grens tot waar Turkije kan gaan?
Volgens de definitie in het mensenrechtenverdrag van de VN uit 1948 mag de massamoord op de Armeniërs in 1915 genocide heten. Rest echter de vraag of deze genocide een plaatselijk verschijnsel was, iets van lagere autoriteiten op het platteland, of van hogerhand bevolen was. Er is minstens één historische bron die dit laatste ondubbelzinnig aantoont: Ambassador Morgenthau's Story. In deze memoires van Henry Morgenthau, Amerikaans ambassadeur van 1913 tot 1916 in Turkije, komt een onthullend gesprek voor dat hij had met Talaat Pasha, minister van Binnenlandse Zaken van de Jong Turkse regering. Als Morgenthau in 1916 met Pasha discussieert over de massamoord, zegt Pasha: "Het heeft geen zin dat wij daarover praten; we hebben al afgerekend met driekwart van de Armeniërs. Er zijn er geen meer in Bitlis, Van en Erzeroum. De haat tussen de Turken en de Armeniërs is nu zo intens dat we ons van hen moeten ontdoen. Als we dat niet doen, zullen ze op wraak zinnen."
Eerder had Pasha al gezegd dat de Turken geen onderscheid konden maken tussen schuldigen en onschuldigen, want "de onschuldigen van vandaag kunnen morgen schuldig zijn". Als Morgenthau erop wijst dat Turkije schade zal lijden omdat de Armeniërs de industriëlen en zakenmensen zijn in Turkije die de meeste belasting betalen, is Pasha's antwoord: "Wij geven niets om het commerciële verlies. We hebben alles uitgerekend en weten dat het ons niet meer dan vijftien miljoen dollar zal kosten. Daar maken we ons geen zorgen over. Ik heb u gevraagd hier te komen om u te laten weten dat ons beleid inzake de Armeniërs vaststaat en dat niets ons daarvan af kan houden. Wij willen geen Armeniërs in Turkije. Ze mogen in de woestijn wonen, maar nergens anders." Morgenthau houdt zijn gesprekspartner met nadruk voor dat zijn regering een fout maakt. "Ja, we maken misschien fouten", is het antwoord, "maar we zullen nooit spijt hebben."