Terug naar vorige pagina 

Friesch Dagblad, 28 december 2004
Bron: Friesch Dagblad

Armeense Genocide en toetreding
Door Uğur Ü. Üngör

De discussies over de mogelijke toetreding van Turkije tot de Europese Unie zijn volop in gang. Op het lijstje van toelatingscriteria prijken onderwerpen als economische ontwikkeling, mensenrechten en infrastructuur. Maar vreemd genoeg staat op het lijstje ook dat Turkije een gebeurtenis zou moeten gaan erkennen die bijna negentig jaar geleden plaatsvond: de Armeense Genocide. Maar wat is de Armeense Genocide, en waarom ligt die episode uit de Turkse geschiedenis nog steeds zo gevoelig? De onderhandelingen die Europa en Turkije zijn begonnen, zullen aantonen dat een herziening van de geschiedschrijving niet makkelijk gaat, stelt Uğur ü. üngör.

De Turkse regering die in 1913 middels een staatsgreep aan de macht was gekomen, zocht de Eerste Wereldoorlog bewust op. Zij zagen de oorlog als een kans om eens en voor altijd de economische en sociaal-politieke problemen van het land radicaal op te lossen. Toen dit aan alle fronten eindigde in een serie fiasco's begon de politieke elite in haar apocalyptische paniek een deportatie- en vernietigingsbeleid te voeren tegen de Armeniërs.

Vanaf maart 1915 stapelden de anti-Armeense maatregelen zich in hoog tempo op: aan Armeense kranten werd een verschijningsverbod opgelegd, Armeense ambtenaren werden ontslagen en Armeense politici werden gearresteerd. Op 24 april 1915 werd de gehele Armeense elite van Istanbul opgepakt en naar het binnenland gedeporteerd, waar zij vrijwel zonder uitzondering werd doodgemarteld. Vanaf toen werd de volkomen machteloze Armeense bevolking integraal gedeporteerd naar de Syrische woestijn.

Eenmaal aangekomen, of onderweg al, werden de konvooien afgeslacht door speciale Ottomaanse commando's of door de lokale bevolking. Het verbazingwekkende tempo waarmee de Armeniërs stierven bewees dat "verplaatsing" een eufemisme was voor "vernietiging". In provincies als Harput, Diyarbekir en Bitlis liep de anti-Armeense vervolging uit op een algehele heksenjacht tegen christenen, waarbij ook honderdduizenden Syrisch-Orthodoxen, protestanten en katholieken werden omgebracht.

Binnen een jaar waren meer dan een miljoen mensen vernietigd. Na de oorlog werden onder andere de hoofddaders van de genocide (Talat Pasha, Enver Pasha en een dozijn anderen) door de Ottomaanse krijgsraad bij verstek tot de dood veroordeeld. Deze vonnissen werden echter niet uitgevoerd vanwege de overwinning die Mustafa Kemal (Atatürk) behaalde in het binnenland. De nog levende daders gingen vrijuit, en in 1923 werd uit deze kern nationalistische officieren de Turkse Republiek gesticht. De genocide werd verwezen naar de vergetelheid.

Ontkenning
Vanaf de jaren '60 begonnen vooral Armeniërs in de diaspora aandacht en erkenning te vragen voor de tragedie. Hierop antwoordden opeenvolgende Turkse regeringen verkrampt en hysterisch met ontkenning en trivialisering van de genocide. Deze ontkenningspolitiek is regelrecht terug te voeren op een pamflet dat de toenmalige Ottomaanse regering in 1916 heeft gepubliceerd over de Armeniërs. Dit pamflet, getiteld Armeense aspiraties en revolutionaire acties is een weergave van het ontkenningsmechanisme van de hoofdverantwoordelijken van de genocide. Het is onlangs viertalig herdrukt waarbij aan de argumentatie niets is veranderd.

Volgens de aanhangers van deze theorie zouden "slechts" 300.000 Armeniërs zijn omgekomen, zouden de Armeniërs collectief hoogverraad tegen de staat hebben gepleegd, zou het deportatiebeleid een sympathieke geste van de regering zijn geweest om Armeniërs uit oorlogszones te verwijderen en zou er geen sprake zijn geweest van stelselmatig en opzettelijk doden. Door middel van deze retorische trucs van suppresio veri et suggestio falsi werd zelfs überhaupt een anti-Armeens vervolgingsproces categorisch ontkend.

Morele verontwaardiging tegen de onethische absurditeit van de ontkenningspolitiek belemmert een serieuze analyse ervan. Afgezien van angst voor territoriale of materiële eisen, is het namelijk zeer begrijpelijk waarom opeenvolgende Turkse politieke elites de discussie in zijn geheel nooit irrelevant hebben verklaard. Men kan er immers simpelweg op te wijzen dat de genocide tijdens het Ottomaanse Rijk is gepleegd, dus dat de Republiek er op geen enkele wijze verantwoordelijk voor is.

De realiteit ligt namelijk complexer en pijnlijker. Niet alleen zijn sinds 1923 de hoofddaders juridisch (laat staan moreel) nooit veroordeeld, zij zijn zelfs in ere hersteld en vervullen thans plaatsen in het nationale geheugen van de Turken. Terwijl een "Himmlerstrasse" in Berlijn als een obsceniteit zou gelden, zijn naar bijvoorbeeld Talat Pasha talloze straat- en wijknamen genoemd.

Een aanzienlijk deel van de "Founding Fathers" van de moderne Turkse Republiek zijn hoofdverantwoordelijken voor de genocide. Voorbeelden van deze kopstukken zijn Celal Bayar (1883-1986), Sükrü Kaya (1882-1959), Kâzm özalp (1880-1968), en Mustafa Abdülhalik Renda (1881-1948). Deze heden ten dage in Turkije vol trots gekoesterde nationale helden hebben tijdens de oorlog zeer ernstige misdaden begaan. Vandaar dat iedere referentie aan de genocide onherroepelijk inhoudt dat Turkije ongenadig in zijn heersende nationale mythen wordt aangepakt. Een afzwakking van het nationaal bewustzijn zullen nationalisten ervaren als een nachtmerrie, namelijk het begin van het einde van de Turkse samenleving als natiestaat.

Perspectieven
Hoewel het discutabel is of Europese parlementen Turkse erkenning van de Armeense Genocide op zuiver humanitaire en morele gronden aankaarten, is het een reëel probleem in de Turks-Europese betrekkingen. Het onderwerp is één van de intransigente (onbespreekbare, red.) taboes in Turkije. Bij elke Armeense motie die in westerse parlementen wordt ingediend, schuimbekt de nationalistische Turkse pers woedend en dreigen rabiate nationalisten met boycots en zelfs pogroms.

In dit klimaat houden veel Turkse intellectuelen angstvallig hun mond en komen christenen hun huis niet uit. Mocht de regerende Ak Partij ooit zijn geïnteresseerd om een open discussie te beginnen over de genocide, dan zal ze niet alleen moeten opboksen tegen het Ministerie van Onderwijs (waar decennialang de leugen regeert), maar ook tegen invloedrijke kringen in het nog altijd oppermachtige Turkse veiligheidsapparaat. Deze zijn erbij gebaat het ontkenningsapparaat in stand te houden. De discussie rondom de Armeense Genocide wijst dus uit dat onder het oppervlak veel ernstiger problemen liggen.

Er zijn ook andere geluiden te horen vanuit de kwetsbare Turkse civil society. Tegenwoordig zijn voor het Turkse lezerspubliek veel meer wetenschappelijke publicaties over de periode beschikbaar dan twee decennia geleden. Er wordt door meer mensen objectiever en met meer distantie nagedacht over onder meer de nationale mythen. In een cursus over de Eerste Wereldoorlog aan de Bosporus Universiteit in Istanbul worden zelfs enkele colleges gedoceerd over "de Armeense massamoord". Uit gesprekken met de hoogleraar blijkt dat langzaam maar zeker grondige veranderingen optreden in Turkije, hoewel er nog een lange weg is te gaan. De ontmanteling van niet transparante, veelal militaire organen in het staatsbestel en verdere democratisering van de dynamieke samenleving is in deze aanleiding tot voorzichtig optimisme

Uğur Ü. Üngör heeft sociologie en geschiedenis gestudeerd aan de universiteiten van Groningen, Utrecht en Amsterdam. Hij specialiseert zich in genocide en nationalisme, en is de auteur van enkele artikelen over de vervolging van minderheden in Oost-Turkije in de eerste helft van de twintigste eeuw. In de zomer van 2004 verrichte hij archiefonderzoek in Istanbul voor zijn masterstudie "Holocaust- en Genocidestudies" aan de UvA.