Terug naar vorige pagina
Eindhovens Dagblad, 27 april 1995
Bron: Lexis Nexis
Turkije herdenkt Gallipoli en negeert moord op Armeniërs
Door Theo Hoeymakers
Met de nodige luister herdacht Turkije deze week dat precies tachtig jaar geleden een van de bloedigste veldslagen uit de Eerste Wereldoorlog op Turks grondgebied in een beslissende fase raakte. Er waren parades en uit het verre Australië en Nieuw-Zeeland waren de nazaten van de geallieerde strijders van destijds gearriveerd om de plechtigheden bij te wonen. In het broederland Bosnië werd nog aan partijtje voetbal gespeeld tussen Nieuwzeelandse en Turkse VN-militairen. De Turken wonnen, ook nu.
Tegelijkertijd memoreerden Armeniërs – overal ter wereld – dat op diezelfde Turkse grond tachtig jaar geleden een begin werd gemaakt met de eerste genocide van deze eeuw – met een "Ruanda" avant la lettre. Een "wapenfeit" dat door Ankara nog altijd krampachtig wordt genegeerd. Een navrante, hoewel geen toevallige, samenloop van omstandigheden.
Ontbinding
Het Ottomaanse Rijk verkeerde in 1915 al geruime tijd in staat van ontbinding. De jonge Turken hadden in 1908 de laatste sultan terzijde geschoven en probeerden een op moderne, westerse leest geschoeide staat te vestigen. In het wereldconflict hadden ze de kant van het Duitse keizerrijk gekozen. De christelijke Armeense minderheid in hun land had haar hoop gevestigd op de Russische tsaar, wiens troepen begin 1915 als bondgenoten van de geallieerden het Ottomaanse rijk binnenvielen.
De naar een vorm van onafhankelijkheid strevende Armeniërs waren in de jaren negentig van de vorige eeuw al eens het doelwit geweest van pogroms. Sultan Abdulhamid stuurde er de Koerden, vanouds aartsvijanden van de Armeniërs, op af en er vielen duizenden doden. Maar in 1915 was de wraak van de nieuwe machthebbers, ervan overtuigd dat de Armeniërs als een vijfde colonne van de Russen fungeerden, nog veel verschrikkelijker.
Een kleine twee miljoen Armeniërs werden – verstoken van voedsel, drank en onderdak – de woestenijen van Syrië en Mesopotamië ingejaagd. Voor en tijdens deze gedwongen deportatie werden honderdduizenden afgeslacht, verkracht en uitgehongerd onder meer door gerecruteerde Koerdische en Turkse bendes. De Armeniërs houden het op een dodental van anderhalf miljoen. Turkije negeert deze bijna vergeten episode uit de moderne geschiedenis en ontkent dat er van een genocide sprake was.
Gallipoli
De massamoord op de Armeniërs – hoewel geconstateerd door Amerikaanse en Duitse diplomaten – bleef voor de buitenwereld grotendeels verborgen. Eind april 1915 lanceerden de geallieerden hun aanval op Gallipoli, het Turkse schiereiland aan de westkust van de Dardanellen. Britten, Fransen, Australiërs en Nieuwzeelanders wilden zo Constantinopel veroveren, de Duitsers aan het zuidelijk front een genadeklap toebrengen en de oorlog bekorten.
Er rustte van het begin af aan een doem op deze operatie. Winston Churchill had eerder dat jaar als minister van marine een operatie over zee geopperd. Admiraal De Robeck, die het bevel voerde, blies de hele aanval echter af nadat enkele van zijn schepen op mijnen waren gelopen. Later bleek dat de Turken op dat moment al van plan waren zich terug te trekken.
Het Britse opperbevel besloot nu tot een landing van het leger op de Turkse kust, die met veel vertraging eind april werd gelanceerd. Intussen hadden de Turken, onder leiding van de Duitse generaal Liman von Sanders, hun posities versterkt. De geallieerden slaagden er – door een slechte voorbereiding en een onbekwaam opperbevel – niet in een adequaat bruggehoofd te slaan en werden vastgepind op de kusten van het schiereiland. Gallipoli werd een faliekante mislukking, waarvoor Churchill de politieke verantwoording nam. Hij trad later dat jaar af en zou zich hevig gedesillusioneerd in de loopgraven van het westelijk front melden.
Het was, zo zou de Britse historicus AJP Taylor later schrijven, zijn laatste kans om het door hem zo geliefde Britse Empire in zijn oude glorie te herstellen.
Verzet
Later dat jaar deden de geallieerden bij de Suvla-baai nog een poging de weg naar Constantinopel te openen. Na aanvankelijke successen liep deze aanval eveneens vast op het taaie Turkse verzet, geleid door Mustafa Kemal, de latere Atatuerk, en ontaardde het offensief in een loopgravenoorlog. Eind van dat jaar moesten de geallieerden hun troepen evacueren. De operatie in de Dardanellen had niets opgeleverd. Aan beide kanten waren zo'n kwart miljoen slachtoffers gevallen. Een getal dat overigens nog ver beneden dat van de Armeense genocide lag.