Terug naar vorige pagina
Dagblad van het Noorden, 8 juni 2000
Bron: Dagblad van het Noorden
De ontkende massamoord
Door Lejo Siepe
Deze anekdote vertelt de Turkse publiciste Yelda Özgan uit Instanbul tijdens haar vele lezingen op seminars in Europa. Sinds 1988 vraagt Özgan in woord en geschrift aandacht voor de positie van de minderheden in haar land en het aanwezige racisme van haar landgenoten ten aanzien van nietmoslims. Zij publiceert met enige regelmaat over de mensenrechtensituatie in Turkije. Zij werkte als journaliste voor verschillende kranten en tijdschriften en in 1996 schreef zij haar eerste boek "In Instanbulin Diyarbakir tot minderheid gemaakt"over de positie van de Koerden en de Armeniërs in haar land.De autoriteiten benadrukken toch steeds dat er in dit land 99.9 procent moslims zijn en dat er geen enkele andere minderheden zijn. Maar in Instanbul leven bijvoorbeeld nog zo'n 80.000 Armeniërs maar ook nog talloze zigeuners en joden."
Houding
Het gebeurde in de vastenmaand Ramadan. Een baardige moslim werd boos op een 14-jarige jongen die nadat hij een brood had gekocht in een bakkerswinkel snel een hap nam om zijn honger te stillen. "Jij bent een jongen, schaam je je niet? Waarom vast je niet", bitste de baardman hem toe. De jongen zweeg en stak snel zijn brood in de tas. Buiten vroeg hij zachtjes aan zijn vader: "Zou hij nog woedender zijn geworden als ik had gezegd dat ik een Armeniër ben?"
Ooit waren er meer Armeniërs. Maar in 1915 luidde de deportatie van enkele honderden Armeense religieuze, politieke en intellectuele leiders in Istanbul het begin in van een massamoord die uiteindelijk naar schatting zo'n 700.000 Armeniërs het leven kostte. Het Ottomaanse rijk vreesde namelijk dat de christelijke Armeniërs aanspraak zouden maken op Turks grondgebied. De Armeniërs, met hun eigen taal, geloof en organisaties, werden als een bedreiging gezien en moesten als het ware plaats maken voor loyale moslims uit andere delen van het Ottomaanse Rijk, die naar het oosten van Turkije werden gestuurd om daar een nieuw leven te starten. De Armeniërs waren een sta in de weg. Armeense mannen, vrouwen en kinderen werden op transport gesteld en later in koelen bloede afgemaakt door Turkse legereenheden en commando's.
Sommige Armeniërs vluchtten halsoverkop naar andere landen, hun bezittingen achterlatend. Ook naar Nederland. In 1918 startte de Nederlandse overheid een Comité tot Hulpbetoon aan de Noodlijdende Armeniërs. In het Comité zaten vooraanstaande notabelen zoals jonkheer meester De Savornin Lohman, minister van Staat. Het Comité zamelde geld in voor de hulpbehoevende Armeniërs en gaf een gedetailleerd boek uit met ooggetuigenverslagen van de verschrikkingen uit die tijd: "Marteling der Armeniërs in Turkije". Het document geeft een nauwkeurige beschrijving van het leed dat deze bevolkingsgroep doormaakte en noemt namen van Turkse bevelhebbers die opdracht tot de moordpartijen gaven.
Taboe
Turkije ontkent tot op de dag van vandaag de genocide op de Armeniërs. In het publieke debat of in het sociale leven is het een taboe om over de Armeense genocide van 1915 te spreken. Het woord genocide ligt sowieso gevoelig bij de Turken. "Je hebt genocide en massamoord. Beiden hebben een verschillende juridische betekenis en de politieke consequenties van die woorden zijn verschillend", zegt Yelda Özgan, die voor een kort bezoek over is uit Duitsland waar zij sinds 1998 verblijft. Zij staat op het punt om weer in Istanbul te gaan wonen en de vraag over de Armeense genocide verlamt haar enigszins. "Ik moet op mijn woorden passen. Het woord genocide kan ik moeilijk in de mond nemen. Ik ben niet zo moedig. Natuurlijk, ik schrijf nooit direct over de Armeense kwestie. Ik schrijf in metaforen, soms in diplomatieke taal, maar nooit noem ik die gebeurtenis rechtstreeks bij naam. Dat levert problemen op met de autoriteiten."
De Turken willen volgens haar niet herinnerd worden aan de gebeurtenissen, omdat het Ottomaanse rijk in 1923 overging in een Turkse republiek. "Onze vaderlandse geschiedenis begint pas in 1923 met Kemal Atatürk, de grondlegger van het moderne Turkije."
Özgan vestigde zich enkele jaren geleden in Hamburg, nadat de Turkse media een felle campagne tegen haar waren gestart. Sinds 1976 is zij politiek actief op het terrein van de mensenrechten, maar de schrijfster is een van de weinigen die de Armeense kwestie op de Turkse agenda durft te plaatsen. "Mijn lezing in het Franse parlement, die tot doel had om een dialoog tussen de Armeense en de Turkse gemeenschap in dat land te bevorderen, werd in de rechtse krant "Turkiye" verdraaid weergegeven. Het dagblad beweerde dat ik zou hebben gezegd dat Armeniërs uit de hele wereld aanspraak konden maken op Turks grondgebied. Dat maakte mij tot doelwit van de hele rechtse pers."
In haar boeken bekritiseert zij de racistische politiek van de Turkse overheid, een onderwerp dat haar niet geliefd maakte. Artikelen van haar hand werden gecensureerd. De Turkse vereniging van schrijvers weigerde haar als lid. Zelfs haar linkse vrienden keerden haar de rug toe. "Ik raakte geïsoleerd. De politie viel bij mij binnen, nam alles mee. Mijn computer, diskettes, artikelen. Ik voelde mij eenzaam in Turkije. Ik denk dat internationale ondersteuning van mijn strijd tegen het racisme in mijn land ook een bescherming voor mijn persoon kan betekenen. Het zou mijn situatie aanzienlijk verbeteren als een van mijn boeken ook in een andere taal vertaald werd."
Eind jaren negentig ontvluchtte zij Turkije. "Sinds 4 december 1998 proef ik weer een leven zonder angst, toen ik op een uitnodiging inging van een Duitse stichting voor politiek vervolgden." Sinds die tijd verblijft zij in Noord-Duitsland. Maar nu overweegt zij dus weer terug te keren naar haar vaderland. "Mijn zoon woont nog in Istanbul. Ik mis hem erg."
De Armeense Kwestie en de reactie van de Turkse overheid hierop, is een centraal thema in haar werk. "Sterker nog", zegt Özgan, "wat er ook aan negatiefs gebeurt in Turkije, krijgt het etiket "Armeens"." Na de arrestatie van de Koerdische leider Abdullah Öcalan werd de Hezbollah, de fundamentalistische terreurorganisatie actueel. "De kranten wisten het zo te schrijven dat ook de Hezbolllah Armeens werd. In diezelfde tijd ontdekten de kranten dat de financieel verantwoordelijke man bij deze fundamentalistische stroming van Hezbollah ergens van Armeense afkomst was, en vervolgens werd meteen geschreven dat hij een Armeniër is."
Het woord Armeniër heeft in de Turkse publieke opinie een negatieve klank. "Als wij gedwongen worden om over Armeniërs te praten dan is het in de trant van: "Ze wilden een onafhankelijke staat oprichten, zij waren separatisten. In 1915 bevond Turkije zich in oorlog met Rusland. De Armeniërs waren bondgenoten van de Russen, dus er moesten maatregelen genomen worden. De Armeniërs vormden een vijfde colonne in het hart van Turkije. Dat kon dus niet. Wij hebben de Armeniërs hun verdiende straf gegeven." Op deze manier wordt er over deze bevolkingsgroep gesproken", aldus Özgan. "In de Turkse geschiedenisboeken lezen wij echter niets over de Armeense Kwestie. Tijdens mijn schooljaren in Diyarbakir wist ik zelfs niet eens dat er zoiets als een Armeniër bestond."
De Armeense minderheid in Turkije kan zich nauwelijks staande houden. Voortdurend knabbelen de Turken aan de rechten en plichten van de circa 80.000 Armeniërs in het land. De Armeense taal en cultuur zijn ondergeschikt gemaakt aan het Turks. Veel Armeniërs nemen Turkse namen aan en leiden veelal een dubbel leven. "Een van de belangrijkste factoren om een cultuur levend te houden zijn scholen. Er zijn gelukkig nog Armeense scholen in Istanbul. Maar elk jaar doen zich weer problemen voor. Het meest recente voorbeeld is de regel dat het vak maatschappijleer nu in het Turks moeten worden gegeven in plaats van het Armeens. Om dat weer recht te zetten, moet er door de directie van de school een verzoek tot wijziging worden ingediend. Maar er komt nooit antwoord. Dat betekent voor het Armeens onderwijs weer een stap terug."
Opeisen
De huidige Turkse autoriteiten vrezen dat de Armeniërs die in de diaspora leven aanspraak maken op schadevergoeding, grondgebied opeisen, en beslag laten leggen op vroegere familiebedrijven die nu in Turkse handen zijn. "Die vrees is gegrond", zegt Özgan, "maar dat doet er niets aan af dat wij eerst onze verontschuldigingen moeten aanbieden voor het leed dat is geschied. Waarom kunnen wij geen spijt betuigen.?"
Andere Turkse intellectuelen en academici voelen niets voor openlijke excuses aan de Armeniërs. "Wat mij stoort is de opvatting van wederkerigheid. Zo van: de Armeniërs hebben ons wat aangedaan dus hebben wij de Armeniërs wat aangedaan. Dat gelijk stellen vind ik onethisch. In plaats van benadrukken dat anderen ons steeds iets aandoen, moeten wij het veel meer hebben over wat wij als Turken anderen hebben aangedaan."
Terwijl de rest van de wereld schuld belijdt (de Paus aan de joden, de Duitse bondspresident Johannes Rau in de Knesset, de Japanse keizer aan het Nederlandse volk, premier Kok aan de Indonesiërs), ja, terwijl er een vloedgolf aan excuses het begin van deze 21ste eeuw markeren, doen de Turken alsof hun neus bloedt. "Mijn eigen streven is het veranderen van die mentaliteit. Ik wil iets rechtzetten. Wij kunnen en moeten die gebeurtenis van 1915 niet vergeten. Wij Turken moeten leren om spijt te betuigen. Ik probeer helemaal niet de Armeniërs, de Joden of de Grieken te behagen, geenszins. Maar het is een morele zaak. Daar worden wij op den duur ook beter van. Als wij in staat zijn om verontschuldigingen aan te bieden, dan kunnen wij ook bedanken, en zal men ons sympathieker vinden. Ik probeer zo goed mogelijk met mijzelf in het reine te komen vanuit een ethisch oogpunt, en wil dat mijn zoon later niet zegt dat ik amoreel ben geweest. Daarom vraag ik aandacht voor de Armeense kwestie.
Die mag niet verdoezeld worden."