Terug naar vorige pagina
Dagblad voor Amersfoort, 4 januari 1964
Bron: Archief Eemland
Verjaagde Armeniërs leven als gasten onder de volkeren
Door Bas Roodnat
In het programma in de reeks "De Bezetting" over de concentratiekampen dat de NTS uitzond in de avond van 17 december, wees dr. L. de Jong op de vervolging van minderheden, die als een rode draad loopt door de historie. Hij rept ervan dat in het recente verleden daarvan niet alleen de Joden maar ook bijvoorbeeld de Armeniërs de dupe zijn geworden. Onze verslaggever Bas Roodnat die onlangs Griekenland bezocht, had in Athene een gesprek met leden van de Armeense minderheid, die daar een vaak kommervol en onzeker bestaan lijdt.
Vluchtelingen wachten in Athene op betere tijden
Van het trieste lot der joden weten we onstelpend veel. Er is een bibliotheek aan foto- en andere boeken, zowel documentair als geromantiseerd over hun nauwelijks voorstelbaar lijden, maar ook over hun vervoering, toen na twintig eeuwen wachten en geloven dan toch het eigen land, Israël, een feit werd.
Ook over de Armeniërs bestaan boeken. Het zijn er echter veel minder. Misschien spreken de van een fatalistische melancholie doortrokken romans over dit volk minder aan. Misschien zelfs willen wij in het Westen er minder van weten omdat de Armeniërs enkele malen in de recente historie door ons op een gruwelijke manier in de steek zijn gelaten.
Het lot van de Armeniërs lijkt veel op dat van de joden. Eens hadden ze een eigen land, dat werd veroverd, waarna er vervolgingen en moordpartijen waren. Nog steeds hopen de Armeniërs in de diaspora (ze zitten als de joden over de gehele wereld verspreid) in de toekomst kunnen terugkeren naar dat eigen land, dat bij de berg Ararat lag en dat nu is opgedeeld tussen Rusland, Turkije en Perzië.
Veel Armeniërs leven nu in Griekenland, waar ze de gehele historie door heenvluchtten. Een hoogtepunt in die eeuwige stroom was het jaar 1922, toen de eerder Griekse stad Smyrna door de turken werd veroverd. Er woonden heel veel Armeniërs in die stad. Een aantal tienduizenden wist tijdig weg te komen; veel meer werden over de kling gejaagd. Vooral tussen Turken en Armeniërs bestaat een haat, die honderden jaren oud is. De Armeniërs kozen in alle oorlogen en opstanden altijd de kant, die anti-Turks was.
Saamhorigheid
In Athene kwam ik vrij toevallig terecht in het huis van mevrouw Kafafian. De ian-uitgang van haar naam wijst op de Armeense "nationaliteit". (De zanger Charles Aznavour heet eigenlijk Aznavourian: ook hij is van Armeense afkomst) Met haar man Pailig en haar twee dochters woont mevrouw Kafafian in de nieuwe Atheense (buiten-)wijk Ayios Ioannis Kareas, die speciaal voor vluchtelingen werd gebouwd. Er staan flatgebouwen, die uitkijken op verre bergen en op de skyline van Athene.
In deze stad liggen ook de wijken Dourgouti en Kesariani, die onlangs ook in Nederland bekendheid kregen door de hulpactie van het comité Vluchtelingenhulp 1963.
Onder de bewoners van die wijken, in uit modder, karton en wrakhout opgetrokken hutten bevinden zich de Armeniërs, die er na veertig jaar door allerlei omstandigheden nog niet in waren geslaagd zich in Griekenland een redelijk bestaan te verschaffen. Riolering ontbreekt in deze wijken. De vrouwen zijn er aan gewend geraakt het afvalwater steeds weer weg te bezemen (veertig jaar achtereen, elke dag) om te voorkomen dat er in de plassen ziektekiemen broeien. Af en toe zorgt het Atheense stadsbestuur voor een algehele desinfectie.
De Armeniërs klitten aan elkaar, handhaven, al is dat in uit golfplaten opgetrokken kerken, hun streng-orthodoxe religie, houden elkaar via burenhulp op de been. Criminaliteit en nozemdom zijn zeldzaam, van a-socialiteit is geen sprake. Men heeft de kracht, om na al die jaren te blijven doorvechten voor een misschien komend redelijk bestaan.
Mevrouw Kafafian staat er beter voor dan de bewoners van deze krotten. Om welke reden dan ook stond haar gezin een paar jaar geleden hoger op de lijst van de Verenigde Naties en werd het geholpen. Het kreeg dat huis in de wijk Kareas, waar de Armeniërs in enkele aparte straten wonen. Mevrouw Kafafian spreekt vrijwel vlekkeloos Engels. Zij leerde dat in Amerikaanse dienst.
Ze zegt: "Wij, Armeniërs houden van Griekenland, maar Armenië aanbidden wij. Daar zullen we nooit mee ophouden."
Daarna kreeg ik een bezield en fel gesproken college over Armenië en Armeniërs. Ze weet van het Armenië, dat in het jaar 380 als eerste land het Christendom als staatsgodsdienst aanvaardde. En van een wonder, dat de Armeniërs aan het begin van de vijfde eeuw een eigen alfabet schonk.
Zondebokken
Maar vrijwel op hetzelfde tijdstip begon hun vervolging. Ze waren christenen en moesten worden uitgeroeid. Eerst door de Perzen, daarna door vrijwel iedereen in de buurt, vooral door de Turken. Hun land werd veroverd, het volk gedeeltelijk naar de omringende landen gejaagd, waar ze overal de moeilijke positie van minderheid moesten gaan innemen.
Ze werden de zondebokken voor van alles, zoals ook de joden dat waren en zijn. De in Turkije wonende Armeniërs streden in de Eerste Wereldoorlog een felle guerilla aan de geallieerde zijde. In 1915 trachtten de Turken, vertelt mevrouw Kafafian, de toplaag van het Armeense volk te vernietigen: een miljoen intellectuelen werd toen verbannen of vermoord. Maar na 1918 kreeg dit volk dan toch zijn beloning voor moed en lijden. Hen werd een eigen staat geschonken, ongeveer op de historische plek.
Dit nieuwe Armenië heeft het enkele maanden uitgehouden. Daarna kwamen de Turken en het Armeense lot werd opgeofferd aan de inmiddels gewijzigde politieke omstandigheden in de wereld. Het verhaal wordt eentonig: vervolging, moord, verkrachting. Vervolgens kwam de Grieks-Turkse oorlog, resulterend in de catastrofe van Smyrna in 1922.
Mevrouw Kafafian: "Mijn vader werd toen vermoord. En de vader van mijn man Pailig. Ikzelf kwam – ik was een kind – met mijn moeder het land uit. We wonen nu hier. Maar misschien moeten we eens weer weg. Wij Armeniërs hebben al duizend jaar in het buitenland gewoond. Als mijn man en ik hier kunnen blijven treft het lot misschien ook onze kinderen. Of onze kleinkinderen. Die moeten dan een land hebben, waar ze heen kunnen. Armenië moet dat land heten en daarom moeten we Armeniërs blijven. Zo denken we er in de hele wereld over. Wij hebben onze eigen taal, tradities, ons geloof, vergeet u dat niet. Wij hebben onze kranten. Hier in Athene, in Frankrijk, in Zuid-Afrika en in Argentinië. Ze zijn gedrukt in onze eigen lettertekens, die van rechts naar links worden gelezen. Thuis spreken we altijd Armeens."
De oudste dochter van mevrouw Kafafian bezoekt het gymnasium, haar jongste de Armeense school, waar veel tijd wordt besteed aan de Armeense taal en geschiedenis. Pailig Kafafian is horlogemaker. Ruim drie jaar geleden kon het gezin de krepeerwijk verlaten: "Sinds die tijd voelt mijn man zich gezonder en jonger."
Twee zusters van mevrouw Kafafian wonen in de Sowjetrepubliek Armenië. Ze gingen er – samen met nog vijftienduizend Armeense vluchtelingen – omstreeks 1947 heen. Mevrouw Kafafian: "Ik ging niet mee omdat ik mijn eerste kind verwachtte. Mijn zusters hoopten eindelijk hun eigen vrijheid terug te vinden. Maar al gauw kreeg ik een brief dat ik niet naar Rusland moest komen. Het was er niet zo best gesteld met die vrijheid. Nee, ze kunnen niet terug, dat is onmogelijk.
Discriminatie?
De Kafafians zijn redelijk gelukkig. Als een anker in een toch als onzeker gevoeld leven hebben ze hun geloof en hun door de eeuwen heen geheiligde tradtities. Worden de Armeniërs, evenals de joden, gediscrimineerd?
Het wordt wat Griekenland betreft ontkend door de heer Y.H. Djedjizian, directeur van de Howard Karagheusian-stichting in Athene. Deze organisatie, in 1921 opgericht door de in Amerika rijk geworden Armeniër Miran Karagheusian en genoemd naar zijn op veertienjarige leeftijd overleden zoon, houdt zich bezig met het helpen van behoeftige landgenoten in de verstrooiing.
De heer Djedjizian zegt, dat de Griekse overheid geen discriminerend onderscheid maakt. Maar: "Betrekkingen als onderwijzer en bankbediende zijn dikwijls toch niet voor ons toegankelijk." En in februari 1962 werd er een wet aangenomen, volgens welke niet-Grieken geen buschauffeur in openbare dienst kunnen zijn. Nu is buschauffeur een beroep, dat juist veel wordt uitgeoefend door in de krepeerwijken wonende Armeniërs.
Verklaring van een Griek: "De regering gaat heel streng optreden tegen overtreders van verkeersreglementen. Om dat te kunnen is het wettelijk gemakkelijker als we in de openbare busdiensten te maken hebben met mensen met de Griekse nationasliteit." Hij voegt er aan toe, dat veel Armeniërs niet Grieks willen worden, om hun zoons uit de militaire dienst te houden.
De heer Djedjizian ontkent dat. Veel Armerniërs willen Grieken worden, maar de procedure neemt jaren in beslag. En mevrouw Kafafian zegt, dat Armeniërs Armeniërs willen blijven.