Terug naar vorige pagina
Algemeen Dagblad, 3 april 2007
Bron: Algemeen Dagblad
Turkije pleegt "culturele genocide"
Door Marc Guillet
Turkije is een verwarrend land. Zelden ben ik zulke verpletterende gastvrijheid tegengekomen als in Turkije. Waar een boer zo arm als een kerkrat in het Koerdische dorpje Hosap een wildvreemde zoals ik uitnodigt in zijn warme lemen hut en zijn vrouw en dochters zelfgebakken brood, zelfbereide kaas en bitterzoete thee serveren. Al sinds 1983 kom ik in Turkije en talloze keren werd ik door totaal vreemde Turken bij hen thuis uitgenodigd.
Aan de andere kant is er de Turkse overheid die allergisch is voor alle buitenlanders; behalve als het gaat om toeristen, maar daar kan geld aan verdiend worden en die gaan ook snel weer terug naar huis. Ook de in Turkije officieel erkende minderheden – Armeniers, Joden en Grieken – hoeven niet op enige sympathie te rekenen. In tegendeel. De moderne geschiedenis van de Turkse Republiek (sinds 1923) is een aaneenschakeling van pogingen hun geld, hun bezittingen en hun rechten te ontnemen.
Af en toe doet Turkije een onhandige poging om de buitenwereld ervan te overtuigen dat het van goede wil is. De restauratie vorige week van een middeleeuws Armeens kerkje op een eilandje in het Van-meer was zo'n poging. Uit het oogpunt van public relations viel de hele excercitie in het water, omdat iedereen doorzag dat het vooral ging om een politieke zet in het pokerspel tussen de Armeense diaspora en de Turkse diplomatie in het debat over de Armeense "genocide".
Ik was kortgeleden op het eiland om dit hoogtepunt van de Armeense architectuur te bewonderen. Van de scheiding van kerk en staat, waar Turkije zo hoog over opgeeft, bleek niets. De kerk was volledig ingekapseld als een overheidsgebouw; een "museum" volgens Ankara. In de Turkse logica mocht er daarom ook geen kruis op de kerk en geen bel in de klokkentoren. Columnist Cengiz Candar schoot uit zijn slof en noemde het "culturele
genocide".
Dat gaat me te ver. Maar de respectloze manier waarop de Turkse overheid de heropening overgoot met een nationalistisch sausje, bedierf wel grondig het feestje. Grote Turkse vlaggen en portretten van Atatürk verstoorden het beeld. Absurd is ook dat de Armeense naam Ahtamar voor het eiland werd omgedoopt in het Turkse Akdamar.
Turkse overheidsdienaren, zoals de gouverneur van het gebied, keken verstoord toen de gasten uit Armenie kaarsjes in de kerk aanstaken en wierrook brandden. De overdreven achterdocht dat de Armeniers de kerk weer wilden opeisen als hun kerk, stond op de gezichten van de Turkse gastheren te lezen.
In plaats van vasthouden aan die obsessieve, collectieve angst zou Turkije weer de weg moeten inslaan van tolerantie en respect voor religieuze en etnische diversiteit zoals in de hoogtijdagen van het Osmaanse Rijk. Niet uit opportunistische redenen om een betere indruk te maken op de buitenwereld, maar uit principe om te laten zien dat het moderne Turkije een volwassen land is geworden dat niet langer als een paranoide patient overal spoken en vijanden ziet.