Terug naar vorige pagina
Algemeen Dagblad, 28 april 2007
Bron: Algemeen Dagblad
Het plan was: vernietiging
Door Marc Guillet
De zon is amper op. In het huis van Taner Akçam in de Amerikaanse stad Minneapolis wijst de klok zes uur. De telefoon rinkelt. Istanbul aan de lijn. "Nee, ik heb geen moeite met dit vroege uur," zegt hij monter. "Ik sta altijd om vijf uur op."
De kwaliteit van mijn Turkse telefoonlijn is niet bijzonder, maar anderhalf uur gaan ongemerkt voorbij. Akçam praat gepassioneerd over het onderwerp dat zijn leven al 25 jaar beheerst: de massamoorden tussen 1915 en 1917 door Turken en Koerden op weerloze Armeense mannen, vrouwen en kinderen. Hoewel Akçam werd geboren in de aan Armenië grenzende provincie Kars, waar een groot deel van de bloedbaden plaatsvond, had hij in zijn jonge jaren geen benul van wat er zich in die contreien had afgespeeld. Hij stuitte er bij toeval op tijdens zijn jaren aan de universiteit. Voordien kende hij alleen de officiële Turkse versie dat de Armeniërs het slachtoffer waren van chaotische oorlogsomstandigheden, van ziekte en op zichzelf staande gewelddaden van bendes. Dat er hooguit 350.000 Armeniërs omkwamen.
En dat het "veel grotere lijden van de moslims in die periode – de etnische zuiveringen onder de Balkan-Turken en de massamoorden door de Armeniërs op ruim een half miljoen moslims – bijna volledig wordt doodgezwegen."
Minutieus begon Taner Akçam duizenden documenten te bestuderen. Hij leerde Ottomaans, het in het Arabisch geschreven Turks waarin ministers, gouverneurs en bureaucraten hun overwegingen, besluiten en notulen aan het papier toevertrouwden. "Aan het slot van mijn onderzoek kon ik, op grond van de grote hoeveelheid van historische bewijzen in Ottomaanse archieven en in rechtbankverslagen, niets anders concluderen dan dat het hier ging om een welbewust plan om het Armeense volk te vernietigen." Armeniërs vonden niet alleen de dood door uitputting, mishandeling en uithongering tijdens de gedwongen deportatiemarsen naar gebieden die nu in Irak en Syrië liggen, maar ook door executie, verdrinking, ophanging en verbranding. Soms moesten de overlevenden de lijken opeten. In zijn boek De Armeense genocide haalt Akçam een Noorse verpleegster aan die noteerde hoe een Turkse agent de gebeurtenissen beschreef: "De gendarme vertelde haar dat er langs de wegen speciale executieplaatsen waren; maar onderweg,
als de konvooien een bevolkt gebied passeerden, werden ze ook aangevallen en beroofd. Zij die te ziek of te uitgeput waren om verder te marcheren, werden doodgeschoten op de plek waar ze neervielen. De gendarme zei dat hij een konvooi van drieduizend mensen had begeleid. "Ze zijn allemaal weg, afgemaakt," verklaarde hij in zijn rapporten."
Akçam erkent dat het woord "genocide" (stelselmatige uitroeiing van een volk of groep) een uiterst beladen begrip is. "Voor Turken is het taboe. Voor Armeniërs is het heilig." Ook weet hij dat het erkennen of ontkennen van de genocide een heet hangijzer was tijdens de Nederlandse verkiezingen. Hij gebruikt het woord volgens de definitie van de Genocide Conventie van de Verenigde Naties in 1948. "Het gaat om de vernietiging – geheel of gedeeltelijk – van een nationale, etnische, raciale of religieuze groepering in oorlogs- of in vredestijd," aldus Akçam. Hij wijst erop dat ook gelet moet worden op de vernietigingsmethoden. "Het doden of zodanig toebrengen van fysieke schade dat de groep ophoudt te bestaan. Het verhinderen dat leden van een groep zich kunnen voortplanten, bij voorbeeld door kinderen van hun ouders af te pakken en hen onder te brengen bij ouders van de dominante groep. Dat is allemaal gebeurd."
De Nederlandse vertaling van zijn boek is net uit ter gelegenheid van de internationale herdenking van de tragedie op 24 april. Zijn studie, die eerst in het Turks en Engels uitkwam, is een bundeling van het door Akçam opgespoorde bewijsmateriaal.
Akçam ondervindt aan den lijve dat hij niet ongestraft het Grote Ontkennen van de Turkse overheid mag doorbreken. Dat hij als eerste Turkse historicus de genocide zo gedegen documenteert, wordt hem door nationalisten zwaar aangerekend. Dat zijn studie wordt geprezen als "een baanbrekend werk" (The New York Times), "een standaardwerk" (Erik-Jan Zürcher, Nederlandse hoogleraar Turkse talen en culturen), en "een briljant boek dat een belangrijke plaats zal innemen in de discussies over dit onderwerp" (Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk), maakt het in de ogen van het Turkse establishment alleen maar erger. "De Turkse justitie, diplomaten en Turkse fascisten doen hun uiterste best mij de mond te snoeren," zegt Akçam. "Ik ontvang regelmatig haatpost met doodsdreigementen, met beweringen dat ik een landverrader ben en een voormalige terroristische leider. Ik word uitgescholden voor Armeense propagandist. Extremisten zoals leden van de Grijze Wolven verstoren mijn lezingen in Amerika."
Prominente Armeniërs in Turkije vinden dat bemoeienis met de Armeense genocide van parlementen zoals die van Frankrijk en Nederland averechts werkt en Turkije alleen maar sterkt in zijn koppige ontkennen. Akçam: "Dat is inderdaad een dilemma. Vast staat echter dat er zonder externe druk helemaal geen debat zou zijn. Er zijn dus positieve neveneffecten. Het zou helpen als meer Turkse intellectuelen hun angst zouden afwerpen en niet langer zouden luisteren naar het kop-dicht-en-zit-beleid van Ankara." Naast Akçam zijn er nog enkele Turkse intellectuelen, columnisten en schrijvers die hun nek durven uitsteken. Orhan Pamuk noemde de genocide in een interview en werd voor de rechter gedaagd. Schrijfster Elif Shafak trof hetzelfde lot wegens haar jongste roman De bastaard van Istanbul. Ook de Turks-Armeense journalisten, die werken voor het Armeense weekblad Agos (dat werd opgericht in 1996), dragen bij aan het openbreken van het debat.
Soms is dat levensgevaarlijk, zoals de moord op hoofdredacteur Hrant Dink bewees. "Een opening zou kunnen zijn dat Atatürk nooit heeft ontkend wat er rond 1915 is gebeurd," zegt Akçam. "Hij noemde de leiders van de genocide "moordenaars" en hij veroordeelde de slachtingen als "schandelijke daden"."
Akçam geeft in zijn boek ook voorbeelden van moedige Turken en Koerden die protesteerden tegen de bloedbaden. Zo was er Haji Halil – de vrome moslim aan wie het boek is opgedragen – die een Armeens gezin een halfjaar bij zich liet onderduiken. Dit ondanks een telegram van een generaal waarin stond dat "elke moslim die een Armeniër beschermt voor zijn huis zal worden geëxecuteerd en zijn huis zal worden platgebrand". Koerdische dorpelingen redden 20.000 tot 30.000 Armeniërs. Turkse burgers protesteerden tegen de vernietigingspolitiek. "Ondanks de voorschriften van de Koran doodt men duizenden onschuldige vrouwen en kinderen," zei een van hen. De bevolking van Kastamonu beklaagde zich tegenover haar gouverneur-generaal dat Armeniërs "met hun families en kinderen naar de heuvels worden gejaagd als naar een abattoir en dat ze daar werden vermoord." De prefect van Midyat protesteerde tegen orders om de christenen in zijn gebied te vermoorden.
Als vergelding werd hij in opdracht van de gouverneur-generaal van Diyarbakir vermoord. Akçam wijst op deze voorbeelden, omdat ze volgens hem "de weg wijzen naar een ander soort relatie tussen Turken en Armeniërs".
Turkse nationalisten putten hoop uit het vonnis in februari van het Internationale Gerechtshof in Den Haag. Dat sprak Servië vrij van genocide in Srebrenica, omdat juridisch niet bewezen kon worden dat er een vooropgezet plan was om de moslims uit te roeien. Akçam noemt de hoop dat de Turkse leiders die tijdens de Armeense tragedie aan de macht waren, zullen worden vrijgepleit, zelfbedrog: "Elk internationaal rechtscollege zal tot de conclusie komen dat er sprake was van genocide. Tevens zal men echter besluiten dat de huidige Turkse Republiek daar niet voor verantwoordelijk kan worden gehouden, omdat deze pas in 1923 werd opgericht. "Het probleem is echter niet juridisch maar moreel. Het fundamentele probleem is dat Turkije niet gelooft dat er sprake was van enig misdrijf. Men gaat ervan uit dat de Turkse leiders het recht hadden om een deel van de bevolking onder dwang te deporteren, omdat de staat verwikkeld was in een overlevingsoorlog.
Door de nederlaag in de Balkanoorlog van 1912-1913 verloren de Turken meer dan 60 procent van hun Europese grondgebied. Uit alle macht wilden de Turkse leiders voorkomen dat het oosten van Anatolië een Armeense staat zou worden. Het doel van de verwijdering van twee miljoen burgers uit Anatolië was om een homogene, "geturkificeerde" staat te creëren."
Volgens Akçam is Turkije bang dat het openbreken van het debat de veiligheid van Turkije in gevaar zal brengen. "Wat Turkije moet doen is een nieuw veiligheidsconcept ontwikkelen: niet langer het schenden van mensenrechten accepteren, maar een beleid voeren dat is gebaseerd op moraliteit." "De oplossing voor de impasse kan alleen worden gevonden in een directe dialoog tussen Turkije en Armenië. Er dient een normalisering te komen van de relatie. Ik hoop dat de Europese Unie de helpende hand zal toesteken."