Terug naar vorige pagina
Algemeen Dagblad, 23 april 2007
Bron: Algemeen Dagblad
Armeniërs voelen zich steeds minder veilig
Door Marc Guillet
Istanbul - Onder de christelijke Armeense minderheid in Turkije groeit de onrust. Elke dag leven ze onder psychologische druk. Ze zijn bezorgd en sommigen voelen zich steeds minder veilig. Het op gruwelijke wijze afslachten van drie christenen, vorige week in het zuidoosten van Turkije, bewijst in hun ogen eens te meer dat de overheid haar beloften om de religieuze minderheden te beschermen niet waarmaakt.
Aan de vooravond van de internationale herdenking van de massamoord op de Armeniers in Turkije, die begon op 24 april 1915, voelen veel van de resterende 60.000 Turkse Armeniers zich bedreigd door een nieuwe golf van radicaal en gewelddadig nationalisme. "De politie is in gebreke gebleven. Degene die achter het moordcomplot op Hrant Dink zat, is nog steeds niet gearresteerd", zegt een Armeense vrouw die uit angst haar naam niet in de krant wil. Ze brengt een bezoek aan de Armeense Balikli bergraafplaats buiten de oude stadsmuren waar de vermoorde hoofdredacteur van het Armeense weekblad Agos dicht bij de ingang ligt begraven. Bij het graf liggen veel verse bloemen en worden kaarsen gebrand. "Elke dag komen er mensen bidden", zegt een van Turkse mannen die het onderhoud van het kerkhof verzorgen. Nationalistische extremisten lijken de wind in de zeilen te hebben. Bij Armeense kerken in Istanbul werden na de moord op Dink ruiten ingegooid. Vooraanstaande Armeniers ontvingen doodsbedreigingen.
Velen voelen zich geintimideerd door het heersende klimaat van intolerantie en chauvinisme.
Bij de krant Agos is de stemming een mengeling van onverwerkt trauma en strijdbaarheid. Overal hangen en staan uitvergrote foto's van hun vermoorde hoofdredacteur, die de Armeniers in Turkije met zijn weekblad een eigen stem gaf. Een kritisch, maar alternatief geluid dat redelijkheid en samenwerking bepleit en daarmee afstand neemt van de rigide retoriek waarvan zowel Turkije als Armenie en de Armeense diaspora zich bedienen, aldus redacteur Markar Esayan. "Na 90 jaar van zwijgen heeft Agos ruimte gecreeerd voor een dialoog", zegt Esayan. "Het politiseren van de genocidekwestie in het buitenland is contraproductief. Turkije en Armenie kunnen alleen door directe contacten en open grenzen de voorwaarden scheppen om de relaties te normaliseren." Dat pleidooi met hernieuwde energie gevoerd na de dood van Hrant Dink. De tweetalige krant heeft het aantal pagina's uitgebreid van 12 tot 24, waarvan tweederde in het Turks. Snel zal de normalisering van de betrekkingen niet gaan, zo is de algemene verwachting.
Ruim 90 jaar na de Armeense genocide blijven de pesterijen en de discriminatie aanhouden, zo vertelden vorige week drie Armeense vrouwen in hun huis in het centrum van Istanbul. "Wanneer we reizen hebben we steeds problemen met de douane en de politie. Wegens onze Armeense achternaam denken ze dat we buitenlanders zijn. De onnozelheid is onvoorstelbaar!", zegt een van hen. Een andere vrouw zegt dat de anti-Armeense stemming haar zorgen baart, maar ze is vastbesloten zich niet te laten intimideren. "Dit is ook mijn land. Ik laat me niet wegjagen". Toch heeft ze voor de zekerheid al haar vluchtroute uitgestippeld. "Naar Tessaloniki. Binnen 4 uur ben ik in Griekenland".
Betrokkenen
Van de meeste Armeense huizen, op deze heuvel aan de rand van de Anatolische stad Kayseri, is niets anders over dan ruines. Littekens van de 'etnische zuiveringen' onder de Armeniers die in 1915 begonnen. Een van de verlaten huizen heeft een massief houten voordeur met twee verroeste sleutelgaten, waarin al 92 jaar geen sleutel heeft gestoken. Abdullah ünal (70) werd hier geboren. "Turken hebben deze huizen verwoest. Eind jaren 40 woonden hier nog 65 Armeense gezinnen. Nu nog een. De meesten zijn vertrokken naar het buitenland of naar Istanbul." Het huis van de laatste Armenier ziet er goed onderhouden uit en heeft twee schotelantennes. Het hek zit op slot. En hoewel de buren zeker weten dat de 90-jarige eigenaar thuis is, doet hij niet open. Zijn dochter, Lütfine Teke (62), woont sinds 1980 in het centrum van Istanbul, niet ver van het kantoor van het Armeense weekblad Agos. Ze is bezorgd over het oprukkende nationalisme in Turkije. "Na de moord op Hrant Dink is dat toegenomen.
Het vergroot de druk op ons". Haar vriendin Ani, die bij haar op de thee is, valt haar bij: "Natuurlijk zijn we bang, maar dit is mijn land, een heel mooi land, en ik ben niet van plan me te laten wegjagen". Haar dochter vaart uit tegen de "bekrompen chauvinisten", die zich zo op hun nationalisme voorstaan. "Ze zouden hun geschiedenis eens moeten leren", briest ze. "Armeniers woonden al duizend jaar in oost-Anatolie toen de Turken in de zesde eeuw na Christus als nomaden en krijgers vanuit de steppen van Centraal-Azie de geschiedenis binnenreden".
Armeense genocide
Een kwart eeuw voor de Holocaust heeft zich in Anatolie, het hartland van het uiteenvallende Osmaanse Rijk, een andere volkenmoord afgespeeld. Het regime van de Jong-Turken ontwapende eerst alle Armeense militairen. Zij moesten dwangarbeid verrichten. Velen werden geliquideerd door hen de keel door te snijden. Daarna arresteerde men circa 235 vooraanstaande Armeniers in Istanbul. Dat gebeurde op 24 april 1915. Die datum is later gekozen als het begin van de Armeense genocide. In heel Anatolie organiseerde en coordineerde Talat Pasha, de minister van Binnenlandse Zaken, massadeportaties van Armeense mannen, vrouwen en kinderen naar gebieden als Deir ez-Zor, in het hart van de Syrische woestijn. Buitenlandse diplomaten kregen te horen dat de volksverhuizing nodig was als evacuatie uit oorlogsgebied en dat het ging om een tijdelijke maatregel. Vrijgelaten Turkse criminelen, Koerdische stammen en Turkse immigranten, die kort daarvoor uit de Balkan en de Kaukasus waren gekomen,
kregen instructies, wapens en geld om Armeniers af te slachten. Het aantal Armeense doden is onbekend. Elk getal is een slag in de lucht, omdat niet vaststaat hoeveel Armeniers er in het Osmaanse Rijk woonden en hoeveel er tijdens de oorlog zijn geemigreerd. Armeniers spreken van 1,5 miljoen. Turkije houdt het op enkele honderdduizenden. Volgens Erik-Jan Zürcher, een Nederlandse hoogleraar in de Turkse talen en culturen, "is 600.000 tot 800.000 doden het meest waarschijnlijk".
Tot nu toe
Turkije ontkent dat er van 1915 tot 1917 bewust is geprobeerd de Armeense minderheid uit te roeien. Het officiele standpunt is dat er tijdens de oorlogshandelingen en de deportatie van Armeniers honderdduizenden zijn omgekomen. Volgens Ankara hadden de Turkse leiders het recht om de onbetrouwbare, christelijke minderheid te deporteren, omdat de staat verwikkeld was in een overlevingsoorlog. Kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog hadden de christelijke, Europese grootmachten besloten om de resten van het uit elkaar gevallen Osmaanse Rijk onder elkaar te verdelen. In het westen waren Britse en Franse troepen begonnen met hun offensief in Gallipoli. En in het oosten en zuidoosten omsingelden Russische militairen en Armeense vrijwilligers het land. Amerika erkent dat er sprake was van "een tragedie die niet vergeten mag worden", maar is tegen het gebruik van de term genocide. Veel andere landen hebben de bloedbaden van toen wel erkend als genocide, waaronder Nederland.
Het Europees Parlement eist dat Turkije de "Armeense genocide" erkent als voorwaarde voor toetreding tot de Europese Unie. Ankara is daar fel op tegen.