“Het bloedig juk van den Turk”

“HET BLOEDIG JUK
  VAN DEN TURK”

DOOR
ARNOLD J. TOYNBEE

(“De bevrijding der volken die thans gebukt gaan onder
het bloedig juk van den Turk...” en “De uitdrijving uit Europa
van het Ottomansche Rijk, dat zich zoo grondig onvatbaar
voor Westersche beschaving heeft betoond...”
– Gemeenschappelijke Nota der Geallieerden,
ter beantwoording van President Wilson.)

HODDER & STOUGHTON
LONDON    NEW YORK    TORONTO
MCMXVII


titelpagina

VOORWOORD

NIET één, vertrouwd met de geschiedenis van het Naaste Oosten voor de laatste vijf eeuwen, die zich zal verwonderen over het voornemen, door de Gealliëerden uitgesproken om een eind te maken aan het bewind van den Turk in Europa; in nog mindere mate zal hij in verzet komen tegen hun vast besluit om de Christelijke bevolking van het zoo genaamd Turksch Rijk, in Azië zoowel als in Europa, te verlossen van een heerschappij, die gedurende deze vijf eeuwen niets anders heeft gedaan dan hen te verdrukken. Tot deze hervorming had het inderdaad reeds lang moeten komen. Reeds meer dan een eeuw geleden had men er toe behooren over te gaan, want reeds toen was het helder als de dag, dat de Turk buiten staat was, rassen van een godsdienstige overtuiging, verschillend van de zijne, te besturen. De Turk heeft nimmer voor iets anders gedeugd dan voor vechten. Alle administratie is hem vreemd. Goede rechtsbedeeling gaat zijn krachten te boven. Als bestierder heeft hij zich aldoor doen kennen als onbekwaam, omkoopbaar en hardvochtig. Hij heeft altijd verwoest, nooit opgebouwd.

De Turken zijn, in het recht begrip van den term, heelemaal geen natie. Zij maakten oorspronkelijk een kleinen strijdbaren stam uit, die gedurende de twee eerste eeuwen van zijne veroveringen onder het gezag stonden van een reeks bekwame en gewetenlooze Sultans, die de Christelijke bevolkingen van het Oostelijk Romeinsche Rijk onderwierpen, een deel er van dwingend den Islam te omhelzen en hun gezag versterkend door de kinderen der overigen weg te sleepen om ze met geweld in

pagina 2

Muzulmannen om te scheppen en er een krachtig staand leger, de Janitzaren, uit te vormen, welks dapperheid en krijgstucht hun vergunde, van het begin der vijftiende tot ver in de negentiende eeuw oorlog te voeren. Zooals een beroemd Engelsch geschiedschrijver te boek stelde – de Turken zijn niet anders dan "een rooverbende, die in de door hen verwoeste streken hunne tenten hebben opgeslagen." Naar Edmund Burke getuigde, zijn de Turken, "wilden, met wie geen beschaafde Christennatie banden van bondgenootschap behoorde aan te knoopen."

Het Turksch gezag behoort in Europa te worden afgeschaft omdat het, zelfs in dit klein gedeelte ervan, waarover de Sultan nog altijd regeert, een buitenlandsche macht beteekent, die er zich uitsluitend heeft beziggehouden met het onderdrukken of uitmoorden, folteren of uitdrijven van de Christelijke bevolking van Grieksche of Bulgaarsche afkomst. Om dezelfde reden behoort het te worden verjaagd uit het westelijk kustgebied van Klein-Azië. Desgelijks behoort Konstantinopel er van te worden gezuiverd, een stad van ongeëvenaarde commerciëele en politieke beteekenis, wier wel en wee niet langer aan zulke handen kan toevertrouwd blijven. Hetzelfde geldt van Armenië, Cilicië en Syrië, waar de Turken de laatste twee jaren aan het uitroeien zijn geweest van het vreedzaamste, werkzaamste en schranderste deel der bevolking, hun Christen-onderdanen.

Komt men er toe, een Turksch Sultanaat te laten voortbestaan, laat het dan worden geduld dáár, waar het aan de wereld het minste schade kan toebrengen, in Centraal en Noordelijk Klein-Azië, waar de bevolking grootendeels Mohamedaansch is

pagina 3

en men betrekkelijk weinig Christenen – en dan nog maar alleen in de steden – aantreft om ten prooi te vallen aan Turksch wanbeheer. Ook hier moet men met het lot der onderdanen zijn begaan, maar een zwakke Turksche Staat, zooals dan het geval zou zijn, zou zich niet aan de misdaden kunnen wagen, waaraan hij zich bezondigde, terwijl hij betrekkelijk machtig was.

Dat de gebreken, die het Turksch bestuur aankleven, ongeneeslijk zijn is ten duidelijkste gebleken uit het feit, dat de Jong-Turken troep, die zich na Abdul-Hamid te hebben afgezet, van de teugels van het bewind meester maakte, zelfs dat ondier van wreedheid achter zich lieten in het uitmoorden der onschuldige Armeniërs. De Turk, als gezagsman, is onverbeterlijk en de Gealliëerden zouden zich aan miskenning van alle beginselen van Recht en Menschelijkheid, waarvoor zij het zwaard trokken, hebben schuldig gemaakt, indien zij niet toezeiden, dat na den Oorlog aan het Turksch regime niet langer zal worden toegestaan, over aanhangers van andere gezindten dan de hunne den dwingeland te spelen.

pagina 4

"HET BLOEDIG JUK VAN DEN TURK"

Het Doel der Geallieerden

PRESIDENT WILSON richtte zich, in zijn Nota tot de oorlogvoerende regeeringen, tot beide partijen met het verzoek om de doeleinden te ontvouwen, die zij zich voorstellen met het verder voortzetten van den Oorlog te bereiken. De Gealliëerden, in hun gezamenlijk antwoord op 11 Januari 1917 geopenbaard, verklaren zich volgaarne bereid, aan deze uitnoodiging gevolg te geven en komen deze toezegging na door het geven van een reeks bepaalde vredesvoorwaarden. Onder deze treft men aan:—

"De bevrijding der volken, die thans gebukt gaan onder het bloedig juk van den Turk" en "De uitdrijving uit Europa van het Ottomansche Rijk, dat zich zoo grondig onvatbaar voor westersche beschaving heeft betoond."

Het oogmerk der Gealliëerden om met Turkije af te rekenen is zoodoende zonder voorbehoud aan de buitenwereld bekend gemaakt. Het is van groot belang, na te gaan, waarop het neerkomt en waarom het als rechtmatig moet worden aangemerkt.

De Onderworpen Volken onder Turksch Gezag

Welke zijn de volken, wier bevrijding de Gealliëerden vast besloten zijn te erlangen?

Het Ottomansch Rijk telt iets meer dan 20.000.000 zielen en van dit totaal zijn er niet meer dan 8.000.000, of minder dan 40%, Turken. Van de rest zijn 7 millioen Arabieren; voorts zijn er

pagina 5

2 millioen Armeniërs (of liever zooveel waren er vóór de gruwelen van 1915); het aantal Grieken bereikt bijna 2 millioen, terwijl er blijkbaar evenveel niet-Turksche bergbewoners zijn: Koerden, Nestorianen, Drusen, Maronieten en zoo voorts. Het niet-Turksche element der totale bevolking van Turkije bedraagt dus meer dan 60% van het geheel. Deze volken waren allen in het land gevestigd, vóór de Turken verschenen – door wie Klein-Azië veroverd werd omstreeks den tijd, dat de Noormannen Engeland overweldigden – en vele der onderworpen rassen waren daar naar menschenheugenis altijd geweest. Al de onderworpen volken hebben, sedert en zoo lang zij onder Turksch gezag waren, in den diepsten staat van verval verkeerd.

De Grieken gaven in de Oude Wereld en in de Middeleeuwen den toon der beschaving aan, totdat het Grieksche Rijk van Constantijn in 1453 door de Turken werd veroverd. Van dat oogenblik verdwenen zij uit de rij der natiën, totdat de Bevrijdingsoorlog van bijna een eeuw geleden een deel der Grieksche natie opnieuw onafhankelijk maakte. De Grieken, die onder Turksch gezag bleven staan, bleven van gemeenschap met het Grieksch nationaal leven afgesneden.

De Armeniërs waren het eerste volk, dat de Christelijke leer tot een nationalen godsdienst maakte. Zij zijn een leerzaam volk, schrander en ijverig, zoo in zaken van praktischen aard als ten opzichte van het geestelijk leven. In de dagen, toen zij een onafhankelijk koninkrijk vormden, brachten zij een schoone letterkunde en bouwkunst voort, die door de Turksche overweldiging te gronde gericht werden. Van dien tijd af hebben de Turken alle kiemen van herleving in de Armeniërs in bloed gesmoord en de

pagina 6

verschrikkelijkste dezer slachtingen werd verleden jaar aangericht.

De Arabieren schonken in de jaren, waarin Middeleeuwsch Europa nog in duisternis lag gehuld, aan een wonderbare beschaving het aanzijn. Hunne ontdekkingen op het gebied der wiskunde, sterrekunde, scheikunde en geneeskunde vormen de grondslagen der hedendaagsche wetenschap, zooals blijkt uit de aanwezigheid van Arabische woorden in onze wetenschappelijke terminologie. Deze Arabische beschaving werd door de Turksche verhuizingen uit Centraal-Azië in de elfde eeuw overstroomd en verder door de Mongolen, die het spoor der Turken volgden en Bagdad, de hoofdstad der Arabische wereld, verwoestten, in de 13e eeuw geheel uitgewischt. De Arabieren staan nog steeds vooraan in de Islamitische wereld; in de bevolking van het Ottomansche Rijk naderen zij in zielen-aantal dicht aan de Turken, terwijl zij in godsdienst niet van hen verschillen. Diensondank sluit de Turksche regeering hen van alle deelname aan het bewind uit en heeft zij zich beijverd, hun herrijzenis tegen te gaan met dezelfde hardnekkigheid, waarmee zij aan alle pogingen van dien aard van Armeniërs en Grieken den kop indrukte. Ook op de Arabieren werden gedurende den huidigen oorlog uitmoording en verbanning toegepast.

Ook de Koerden waren er vóór de Turken, maar zij hebben niet dezelfde traditiën achter zich als de drie andere volken. Ten hunnen aanzien zijn de Turken er op uit geweest, niet om een bestaande beschaving te verdelgen maar om hun te verhinderen, het tot beschaving te brengen, zoo zij lust mochten gevoelen, zich in die richting te ontwikkelen. De Koerd is vele eeuwen lang een zich aan geen

pagina 7

wet storende herder in de bergen geweest; toch doet hij zich, als hij eens in de valleien afdaalt, als een naarstig en vreedzaam bewerker van den bodem kennen. De Turksche regeering heeft zich met klem gekeerd tegen deze neiging, die zich ongeveer een halve eeuw geleden bij de Koerden begon te openbaren, door hun wapenen uit te reiken en verlof te geven, het hunnen Armenischen medeburgers zoo hard mogelijk te maken.

"Het bloedig juk van den Turk" – de eerste Phaze

Dit verminken en klein houden van hooger begaafde volken bevat reeds op zichzelf een geduchte aanklacht tegen de Turksche overheersching; het onrecht wordt echter nog oneindig verergerd door de gruwelijke methoden, die bij de toepassing van het systeem werden gevolgd. Deze methoden zijn in het Antwoord der Gealliëerden op President Wilson's vraag terecht gekenschetst als "bloedig".

In de geschiedenis der Ottomansche dwinglandij vallen drie phazen op te merken en de phaze waarin zij thans verkeert is de ergste. De Ottomansche Staat is van het begin tot het eind een zuiver militaire Staat geweest. Osman, zijn stichter, naar wien de Osmanli Turken zich noemen, was het erfelijk hoofd van een zwervenden stam Turksche vrijbuiters uit Centraal-Azië, aan wiens vader Turksche Sultans, toen reeds in Klein-Azië gevestigd, vergunning verleenden om ten koste van naburige Christenen een eigen vorstendom te vermeesteren, precies op dezelfde manier als de Duitsche Ridders den grond legden tot het prinsdom Pruisen ten koste van de oorspronkelijke bewoners. Dit Ottomansch gewest, aldus in de 13e eeuw met een paar vierkante mijlen gronds in Noord-Westelijk Klein-Azië begonnen, breidde zich

pagina 8

in den loop der volgende driehonderd jaren zoodanig uit, dat het ten slotte van een punt, een mijl of wat van Weenen, tot Mekka en Bagdad reikte. Het vernietigde het eerwaardig Rijk van Konstantinopel, de bewaarder gedurende de Middeleeuwen van de Grieksche beschaving, de vrije Christen-koninkrijken Bulgarije, Servië, Bosnië, Wallachije, Moldavië en Hongarije, alsmede de onafhankelijke Mohamedaansche staten van West-Azië. Zulk een loopbaan van vernielende overweldiging was een ramp voor de wereldbeschaving en succes werd alleen verkregen door middel van een niets-ontziend militarisme.

De Ottomansche opvatting van algemeene dienstplicht bestond in het ontnemen van kinderen aan de onderworpen Christenen – zóoveel kinderen uit elke familie, verdeeld over zóoveel tijd – om dan de kleinen in kazernes tot dweepzieke Moslemin op te leiden en als beroepssoldaten al te richten. Deze Janitzaren, van vroegsafaan voor den krijgs dienst opgefokt en zonder andere band met medemenschen dan verkleefdheid aan hun aanvoerder, waren de meest geduchte krijgers van heel Europa en elk nieuw Christenland door hen veroverd werd dadelijk tot een nieuw werf-gebied van rekruten voor het corps gemaakt. Het Ottomansche Rijk zoog zijn slachtoffers letterlijk het bloed uit en in de wereld historie wordt het als Vampier-Staat door géén overtroffen.

De tweede Phaze – Abd-Ul-Hamid

Dit was de eerste phaze van de Ottomansche geschiedenis; het tweede tijdperk, onvermijdelijk gevolg van een uitsluitend op oorlog aangewezen Staat, geeft inwendig en uitwendig verval te zien. Het Rijk werd gaandeweg afgeknot door Oostenrijk, Rusland en andere buitenlandsche machten, terwijl

pagina 9

de onderworpen volken tot het herwinnen hunner vrijheid kwamen door zich meer en meer van het Turksche juk los te maken. Een wijze regeering zou aan deze gevaren het hoofd hebben geboden door verbetering van den toestand, waarin het Rijk verkeerde. Zij zou er naar hebben gestreefd, hare onderdanen tevreden te maken, aan hunne eigenschappen gelegenheid gevend, zich te ontplooien om uit hen een schild tegen den buitenlandschen vijand te smeden. Maar het ontbrak de Turksche regeering zoowel aan de noodige verbeeldingskracht als aan de vereischte welgezindheid om zulkeen staatkunde tot de hare te maken. Het eenige, waarover zij beschikken kon, was hare militaire traditie van geweld en misleiding en zoo trachtte zij de naweëen van hare eigen verdorvenheid te ontgaan door de onderworpen volken nog zwakker en rampzaliger te maken dan zij het zelf was. Dit was de politiek van Abd-Ul-Hamid, die van 1876 tot 1908 de scepter voerde en zijne methoden kwamen neer op het ophitsen van het eene ras tegen het andere. De Koerden werden aangemoedigd, de Armeniërs te verdelgen en aan de Turksche soldaten werd gelast, aan de slachting deel te nemen, zoo de Armeniërs weerstand mochten bieden. De Bulgaren zagen zich vergunning verleend, middels gewapende benden de dorpen van Macedonië te "bulgariseeren", terwijl terzelfder tijd aan de Grieken werd toegestaan om gewapende benden te vormen, teneinde dit bulgariseeren te beletten; de Macedonische boeren hadden het met beide groepen te kwaad en als zij aan de benden gastvrijheid verleenden om hen te bewegen, hen te sparen, daagden Turksche troepen op, die het dorp in brand staken onder voorwendsel, dat het zich aan landverraad jegens den Ottomanschen Staat had bezondigd.

pagina 10

De derde Phaze – de Jong-Turken

In de eerste phaze betaalde de onderworpen volken hunne schatting in kinderen en werden dan niet verder lastig gevallen. In de tweede phaze werden ze op elkaar losgelaten om elkaar, naar den Machiavellistischen trant van Abd-Ul-Hamid onschadeliik te maken. De derde phaze werd ingevoerd door de Jong-Turken en zij gingen daarmede over tot het stelselmatig uitroeien van de onderworpen rassen van regeeringswege – eene regeering dus, die hare krachten wijdde aan het uitmoorden harer eigen onderdanen! En deze methode werd met verdubbelde kracht en gewetenloosheid gevolgd, sinds de Turksche regeering het oorlogspad betrad en zij er zeker van was, dank zij Duitschland's bijstand, dat zij de beschaafde wereld ongestraft kon tarten.

De Jong-Turken zijn "Nationalisten", die bij de Germanen en Magyaren ter schoole zijn gegaan. Hun nationaal ideaal is, hun eigen nationaliteit met geweld aan anderen op te dringen. Toen de Jong-Turken in 1908 meesters werden, kondigden zij een program van "verottomanisatie" af. Elke taal in het heele Rijk buiten de Turksche zou voortaan worden geweerd; Turksch moest de éénige officieele taal zijn en zelfs moest alle hoogere opleiding in die taal worden gegeven. De niet-Turksche meerderheid moest met geweld aan de Turksche minderheid worden geassimileerd. Het program was afgekeken van het verpruisen van de Polen en het vermagyariseeren van de Roemeniërs, Slovaken en Zuid-Slaven in Hongarije, die de Geallieerden – blijkens een andere paragraaf in hunne Nota – voornemens zijn, eveneens van vreemde overheersching te verlossen. Maar de Turken, in hun ijver tot Nationalisatie, zijn, gelijk zij dit

pagina 11

in hun Militarisme deden, verder gegaan dan hunne Europeesche "tegenhangers". De Pruisen ontnemen aan Poolsche landbouwers den eigendom van hun land, maar zij betalen hun hiervoor de prijs; de Turken daarentegen drijven Grieken en Bulgaren uit hunne woonsteden en bezittingen en laten hen gansch berooid gaan. De Magyaren mobiliseeren troepen om Slovakken en Roemeniërs bij de verkiezingen te kunnen intimideeren, terwijl de Turken de boeven uit de gevangenis laten en hen in de Gendarmerie opnemen om het uitmoorden van het Armenische ras ter hand te nemen. Van den omvang van hun optreden af hebben de Jong-Turken hun nationalistisch program nagestreefd door het aanrichten van bloedbaden. De Adana-moorden van 1909, de verschrikkelijkste slachting onder de Armeniërs gehouden tusschen de Hamidiah-moorden van 1895-6 en die thans aan den gang, vielen voor, binnen het jaar na de afkondiging van de Jong-Turksche Constitutie, die aan alle bewoners van het Rijk gelijke rechten toezegde. In 1913 was het Turksche Leger bezig de Armeniërs te verdelgen, omdat zij er een on-Ottomanschen nationalen geest van eigen maaksel op durfden nahouden. Dit werk werd onderbroken door den Balkan-Oorlog, maar de Turken wreekten zich voor hun nederlaag in dezen oorlog, die groote groepen van Grieksche en Slavische nationaliteit van hunne overheersching vrijmaakte, door wat er aan Grieken en Slaven, in het land hun gelaten, overbleef, uit te moorden. Zij hielden zich hiermede in de pauze tusschen het einde van den Balkan-Oorlog en het begin van den Europeeschen Oorlog bezig en Griekenland stond op het punt, ter bescherming van het snel dunnend overschot Grieken in Turkije's macht den

pagina 12

strijd opnieuw aan te binden, toen deze crisis werd ingehaald door het zooveel grooter conflict. Zoodra Turkije Duitschland's bondgenoot werd, hield Duitschland de Jong-Turken van verdere geweldenarijen tegen hunne Grieksche onderdanen terug, omdat het tegen Duitschland's belang zou zijn, indien Griekenland haar heul zoeken en zich in den strijd aansluiten zou bij de Entente. Maar Duitschland liet hen hun gang gaan tegenover hunne andere onderworpen volken en hiervan zijn het resultaat geweest de gruwelen aan Armeniërs en Arabieren begaan, waarmee in 1915 werd begonnen en sedert geregeld is voortgegaan.

De Armenische Gruwelen van 1915

Niet meer dan één derde van de 2 millioen Armeniërs in Turkije hebben er het leven afgebracht en dit nog alleen door, òf zich tot de Islam te bekeeren, òf, met achterlating van alles wat zij bezaten, over de grenzen te vluchten. De vluchtelingen zagen hunne vrouwen en kinderen onderweg bezwijken; in andere gevallen bracht de uitwijking mede, dat een vrouw zich tot den levenden dood van een huwelijk met een Turk en de opname in zijn harem verwezen zag. De overige twee-derden werden "gedeporteerd" – dat is, men dreef hen uit huis en hof en in benden over ruwe bergwegen, zonder voedsel of dekking voor den tocht, in schroeiende hitte of bittere koude, honderden mijlen ver. Zij werden bestolen en gemarteld door hunne bewaker en gesubsidieerde rooverbenden die hen in de wildernis aanrandden en met wie hunne bewakers het broederlijk eens waren. Wanneer zij van dorst versmachtten, hield men hen met gevelde bajonet van de drinkplaats terug. Zij stierven van

pagina 13

honger of verkleuming en uitputting of in verlaten streken grepen de bewakers en de roovers hen aan maakten hen bij troepen af – een aantal op de eerste pleisterplaats, anderen eerst na weken te zijn voortgejakkerd. Ongeveer de helft der gedeporteerden – wier totaal aantal zeker 1.200.000 bedroeg – bezweken op dezen tocht, terwijl de andere helft langzaam wegkwijnde aan het einde ervan, men deporteerde hen naar de meest onherbergzame streken van het Ottomansche Rijk; de malaria-brengende moerassen in de Provincie Koina; de oevers van de Euphraat, waar deze, tusschen Syrië en Mesopotamië, door een steenachtige wildernis stroomt; de heete en uiterst verlaten baan den Hedjaz-spoorweg. De nog in leven gebleven uitgedrevenen hadden het, alles te samen gerekend, nog harder te verantwoorden dan zij, die in den beginne werden van kant gemaakt.

Dezelfde uitroeiings-campagne werd tegen de Nestoriaansche Christenen op de Perzische grens en tegen de Arabieren van Syrië in gang gezet; het gold hier Mohamedanen zoowel als Christenen, zonder onderscheid. In Syrië heerscht een schrikbewind. De Arabische hoofden werden reeds gevangen gezet, terechtgesteld of verbannen en de massa der bevolking is verlamd van vrees, zich voorbereidend op het lot dat den Armeniërs trof en elk oogenblik verwachtend, dat het besluit tot hunne uitmoording genomen zal worden.

Deze slachting op grooten schaal, waaraan nu reeds twee der aan den Turk onderworpen volken werden blootgesteld en die de gansche 60% van de bevolking, die niet-Turksch van afkomst zijn, boven het hoofd hangt, is het rechtstreeksche werk van de Turksche regeering. Het "Deportatie Plan"

pagina 14

werd te Konstantinopel door het Centraal Gezag opgezet en gelijktijdig aan alle plaatsdlijke autoriteiten in het Rijk geseind; het werd uitgevoerd door de ambtenaren, de Gendarmerie, het Leger en de benden struikroovers en boeren, door het Gouvernement in dienst genomen. Geen Staat zou meer volkomen verantwoordelijk kunnen zijn voor wat binnen zijne grenzen wordt gedaan, dan de Ottomansche Staat aansprakeijk is voor de afzichtelijke misdaden, die hij gedurende den Oorlog aan zijne onderworpen volken heeft begaan.

Grondig onvatbaar voor westersche Beschaving

Deze wandaden en de phazen der Ottomansche Geschiedenis, die er toe voerden, toonen, om de bewoordingen van de Nota der Gealliëerden tot de onze te maken, ten duidelijkste aan, dat "het Ottomansche Rijk zich voor westersche beschaving grondig onvatbaar heeft betoond." Inderdaad, waar het Ottomansch gezag zich verbreidde, was het met alle beschaving gedaan. Waar het gevestigd bleef, was het aan de beschaving onmogelijk tot uiting te komen. Zij herleefde alleen dáár, waar de verdrukte volken er in slaagden, ten koste van eigen bloed en met den bijstand van beschaafde natiën, die er beter aan toe waren dan zijzelven, het juk van den Turk af te werpen; en deze worstelingen kwamen aan de vrijheid en den vooruitgang der geheele wereld ten goede, waar immers het feit eener Turksche heerschappij, over welk volk ook, reeds op zichzelf een onberekenbaar verlies, ook voor de menschheid in het algemeen, medebracht.

Aan deze lange loopbaan van gruweldaden zijn de Gealliëerden thans vastbesloten, een einde te maken.

pagina 15

"De bevrijding der volken die gebukt gaan onder het bloedig juk van den Turk" is hun doel. Toch geven zij van geen heerschzuchtig oogmerk jegens de Turken blijk. In een andere paragraaf hunner nota verklaren zij nadrukkeijk, dat het nimmer in hun voornemen heeft gelegen, de algeheele vernietiging of de staatkundige uitwissching der Germaansche volken te bewerken." Deze verklaring geldt gevolgelijk ook voor de Magyaren, Bulgaren en Turken, die als volken de bondgenooten der Duitsche rijken zijn. Er zijn gewesten in Klein-Azië, waar de Turk ontegenzeggelijk in aloud bezit is van het land. De Gealliëerden hebben niet de minste bedoeling om den Turk uit deze gewesten te "deporteeren", zooals de Turk de Armeniërs "deporteerde" uit de streken, die hun toebehoorden. De Turk zal, zoo goed als de Duitscher, de Magyaar en de Bulgaar blijven, waar hij thuis behoort. Van het uitgestrekt gebied, waarover hij heden de scepter zwaait, zal het hem vrijstaan, zijn precies pond vleesch te nemen, maar wee hem, zoo hij daarbij één droppel Christen-bloed vergiet!

Europa's Reorganisatie

Deze afrekening met Turkije vloeit logisch voort uit het hoofddoel der Gealliëerden in den Oorlog. "De reorganisatie van Europa, door een duurzame regeling verzekerd, gelijkelijk gegrond op het beginsel van nationaliteit, het recht van alle natiën, klein of groot, op het genot van volle veiligheid en vrije economische ontwikkeling en tevens op grensregelingen en internationale schikkingen, zoo getroffen, dat zoowel de landgrenzen als de kustlijnen tegen onrechtmatige aanvallen zullen zijn gewaarborgd."

pagina 16

Dit oogmerk is er niet een, gisteren opgekomen; het heeft allen voorstanders van vrijheid sinds een eeuw voor den geest gestaan.

"Laat de Turken", zeide Mr. Gladstone in een beroemde rede, "nu hunne ongerechtigheden op de éénig mogelijke manier uit den weg ruimen, door n.l. zichzelven weg te pakken. Hun Zaftiehs en Mudirs, hun Bimbashis en Yuzbashis, hun Kaimakams en Pashas – hoop ik allemaal, met pak en zak, uit het gewest te zien gebezemd, dat zij braak gelegd en verontheiligd hebben."

Het gewest waarvoor Mr. Gladstone in deze woorden opkwam was... Bulgarije; maar hoezeer Bulgarije vrij werd, werden op de andere volken, die nog steeds onder de dwinglandij zuchten, verschrikkingen toegepast, oneindig erger, in omvang en in ongerechtigheid, dan die welke in 1876 de verontwaardiging der buitenwereld gaande maakten.

Heinrich von Treitschke stelde vele zaken boven vrijheid, toch dwong hare schending, zooals de Turk ze beging, hem tot een uiting van afkeuring, die in kracht niet voor die van Gladstone onderdoet. In de naaste toekomst zal, "schrijft hij, naar wij hopen, paal en perk worden gesteld aan het schandaal dat zulkeen heidendom zich ooit op Europeeschen grond kon nestelen. Wat heeft dit Turksche Rijk gedurende drie heele eeuwen uitgericht? Verwoesting en niets anders."

Treitschke en Gladstone, mannen die in Europa zeer uiteenloopende idealen voorstonden, bleken het omtrent de noodzakelijkheid van zulkeen verlossing van den Turk volkomen eens te zijn en thans zien wij de Gealliëerden strijden om wat zij beoogden in vervulling te doen gaan.

pagina 17

Het Beginsel van Nationalileit

In de oplossing van de Turksche quaestie zullen de Geallieerden op opvallende wijze een historische taak kronen, waarvoor zij in het verleden bleken heel wat veil te hebben. De bevrijding van de onderworpen volken van Turkije en de reorganisatie naar het beginsel van nationaliteit namen een eeuw geleden een aanvang, toen de Serviërs en de Grieken hun kamp voor nationale onafhankelijkheid streden – een strijd die een onderdeel vormde van den algemeenen strijd voor vrijheid in Europa en waardoor de volken van andere onderworpen landen niet weinig werden bezield. Engeland, Frankrijk en Rusland traden in 1837 naar voren om aan Griekenland de belooning voor haren heldenmoed te verzekeren, toen zij op het punt stond, het tegen haren verdrukker af te leggen; door Rusland werd Turkije gedwongen, aan Servië, bij het vredesverdrag van 1831, zelfbestuur toe te kennen; wederom, in 1877, was het Rusland, dat, na den oorlog met Turkije, Roemenië en Servië aan hare suzereiniteit onttrok, voor nog meer verdrukte broeders van Servië en Griekenland vrijheid bedong en aan Bulgarije onafhankelijkheid als natie verzekerde. In den Balkan Oorlog van 1912-13, zetten de Balkan-Staten, gewapenderhand en zonder hulp van buiten-af, het werk voort en verdreven het Ottomansch Rijk uit alle provinciën, waarover het in Europa nog den dwingeland speelde, met uitzondering van Konstantinopel en Thracië. In 1916 verklaarde de Sherif van Mekka, aan het tegenovergesteld uiteinde van het gebied van den Ottomanschen Veroveraar, een Arabische provincie en de Heilige Arabische stad, waarvan hij het wettig

pagina 18

hoofd is, onafhankelijk. Het is de taak der Entente, Arabieren van Syrië en de Armeniërs, die zichzelven niet kunnen redden, van het juk te bevrijden.

De Syriërs en Armeniërs hebben zich niet, zooals de Turken en Duitschers het gelieven voor te stellen van Turkije, in de ure des gevaars, afvallig betoond. Integendeel hebben Arabische en Armenische dienstplichtigen zich loyaal gedragen door, in den Balkan-Oorlog en in het huidige zooveel verschrikkelijker conflict, te vechten voor een zaak, die heelmaal niet de hunne was. Hunne hoofden zijn te voorzichtig en het volk is te vreedzaam, er staat voor hen te veel op het spel en hunne krachten zijn te zeer verdeeld, dan dat het één oogenblik in hen zou opkomen, in opstand te komen. Toch heeft dit loyaal en oprecht gedrag hen niet behoed voor de woestheid hunner Turksche meesters; het heeft hen integendeel blootgesteld aan een koelberekend plan van uitmoording, dat de Jong-Turken op dit oogenblik met alle macht bezig zijn ten uitvoer te leggen. De verlossing van deze onschuldige lieden uit de hel, waarin zij zich bevinden en die hen aan doodsgevaar blootstelt, zoolang het Ottomansch en Pruisisch militarisme den strijd volhouden, is de heilige plicht der Geallieerden, willen zij hun plechtige belofte gestand doen.

Konstantinopel

Ziedaar wat de Gealliëerden, bij de oplossing der Turksche quaestie, aan het beginsel van nationaliteit verschuldigd zijn.

Zij hebben zich echter verder plechtig verbonden om op te komen voor het recht van alle natiën, klein of groot, op het genot van volle veiligheid en vrije economische ontwikkeling en hiermee wordt de status van Konstantinopel te berde gebracht.

pagina 19

Sinds de Turken het in 1453 op den laatsten Christen Keizer veroverden, is Konstantinopel de staatkundige hoofdstad van het Ottomansche Rijk geweest. Maar van af den dag, dat het een stad mocht heeten, was het bovendien de strategische en economische sleutel tot de Zwarte Zee en hingen er de vrijheid en de economische ontwikkeling van alle volken, die de kustlanden van de Zwarte Zee bewonen, van af. Konstantinopel is de meest cosmopolitische van alle steden. De Turk is er, krachtens veroveringsrecht, meester van, maar dat recht wettigt evenzeer zijn gewapende uitdrijving thans, als zijn bezitverkrijging toen, terwijl men op grond van ruimer overwegingen, met betrekking tot bevolking, gevoelens, traditiën en overblijfselen van het verleden tot de slotsom komen moet, dat Konstantinopel evenzeer moet worden beschouwd als de hoofdstad voor alle Christenvolken van het Oosten. Het is echter niet het uitsluitend bezit van een der oorspronkelijke bewoners, onverschillig of hunne tegenwoordigheid dagteekent van meer verwijderde of betrekkelijk nieuwe data. De belangrijkste wijk van Konstantinopel is Pera, aan de overzijde van den Gouden Horen, dat bewoond wordt door buitenlandsche handelaren, die een gemeenschap vormen, even internationaal van samenstelling als b.v. de handelswereld in de Chineesche "Verdrags-haven" Shanghai. Het leeuwendeel van den transitohandel, waaraan Konstantinopel den rang van wereidhaven dankt, gaat door de handen van deze buitenlandsche ingezetenen. Maar zelfs deze lieden zijn niet aan te merken als de meest belanghebbende partijen, waar het geldt den economischen status van Konstantinopel en van de Straat. Zijn de omstandigheden niet naar

pagina 20

hun zin, dan kunnen zij hunne zaken naar elders overbrengen. De partijen voor wie de toekomst van Konstantinopel niets meer of minder is dan een levensquaestie zijn Rusland en Roemenië, twee landen, door hun geographische ligging voor altijd gedwongen om hun zeehandel te drijven over de Zwarte Zee en door de Straat, die er toegang toe geeft en daardoor in economisch opzicht aan de genade overgeleverd van elke andere mogendheid, in wier handen zich het gezag over de zee-engte bevindt.

Het Recht op volle Veiligheid

Dit is niet maar een theoretische quaestie. Het is elk jaar opnieuw een probleem van praktischen aard voor de nationale huishouding van Rusland en zet aan Rusland's nationalen handel een karakter van onzekerheid bij, dat voor haar welvaart uiterst fnuikend is. Als beheerscher van de Straat bezit de Turk niet alleen technisch het recht om de Straat voor de scheepvaart te sluiten, maar hij maakt van dit recht op een willekeurige wijze gebruik. In de laatste zes jaren werd de Straat tot driemaal toe door Turkije gesloten: gedurende haren oorlog met Italië, gedurende den Balkan-Oorlog en na het uitbreken van den Europeeschen Oorlog, maar vóór Turkije zelve aan den strijd deelnam. Het is misschien mogelijk, de sluiting in elk dezer gevallen als een door krijgskundige overwegingen geboden maatregel, om Turkije's staatkundig bezit van deze "territoriale wateren" te vrijwaren, te verdedigen. Maar dit aanvoerend, voert men tevens het sterkst mogelijke argument aan om een onafhankelijk en onverantwoordelijk gezag niet in het bezit te laten van een commercieelen zeeweg, de gepaste regeling van

pagina 21

welks gebruik voor de economische welvaart van de Russische en Roemenische natiën onmisbaar is. Zelfs al ware Turkije een welwillend gezind en behoorlijk bestuurde Staat, zou de toestand ondragelijk zijn; zij is echter gedurende de laatste eeuw – daargelaten of dit haar schuld was of niet – vaker dan éénige andere Staat in de wereld in oorlog geweest en hare vijandigheid heeft zich voornamelijk tegen Rusland gekeerd, de mogendheid die er bij het verstoren van het vrij gebruik van de Straat het ergste aan toe is. Het sluiten van de Straat in het laatst aangehaald geval, toen Rusland in oorlog was met Duitschland en dringend behoefte had aan den invoer van benoodigdheden, kan moeilijk anders worden uitgelegd dan als een daad van vijandelijkheid – een voorlooper van den openlijken oorlog die Turkije Rusland een week of wat later aandeed. Dit economisch wapen bij het sluiten van den vrede in Turkije's handen te laten gaat niet aan. Door het sluiten van de Straat in elk gegeven jaar, juist wanneer de oogst in Rusland binnen was en op 't punt stond te worden afgescheept en wanneer de Russische importeurs hunne jaarlijksche inkoopen in het buitenland op krediet hadden gedaan ten bedrage van de geschatte opbrengst van de oogst in de wereldmarkt, kon Turkije Rusland met een financieele crisis bedreigen, die haar aan den rand van een staatsbankroet bracht. Van volle veiligheid en vrije economische ontwikkeling zou dan voor Rusland geen sprake zijn en niet alleen voor Rusland maar voor de heele wereld, want hoe zouden Turkije en hare Duitsche meesters, met zulk een troefkaart in handen, aan de verleiding weerstand kunnen bieden om een economischen "oorlog na den oorlog" op touw te zetten, die Rusland van hen afhankelijk

pagina 22

maken en henzelven in staat stellen zou, die eerzuchtige plannen tegenover haar te verwezenlijken, die zij buiten machte waren met geweld van wapenen ten uitvoer te brengen?

Geen andere Keuze

Het is om deze reden dat, wanneer het tot eene reorganisatie van Europa, gewaarborgd door een duurzame regeling, komt, het beheer van de Straat, zoogoed als het gezag over onderworpen volken, den Ottomanschen Turk uit de handen moeten worden genomen, waarmede een ander beginsel der Gealliëerden zal worden gehuldigd. Toch zullen onzijdigen, terecht verlangend naar een zoo spoedigen vrede als met het bereiken der essentieele doeleinden, waarom het gaat, is overeen te brengen, geneigd zijn te vragen, of elk doel op zichzelf of beide doeleinden, van het regelen van het Turksch beheer onafscheidelijk, niet kunnen worden bereikt op minder drastische wijze dan door het herzien van grenzen en het overbrengen van het gezag over het gebied in quaestie op anderen. Kan de bevrijding van de onderworpen volken worden tot stand gebracht, zonder dat aan Turkije's staatkundige eenheid wordt getornd, b.v. middels een stelsel van decentralisatie en het verleenen van plaatselijk zelfbestuur, een stelsel dat onder waarborg en contrôle der buitenlandsche mogendheden zou kunnen werken? Geldt het hier, vraagt men verder, niet juist een zaak, waar omtrent de voornaamste oorlogvoerenden van weerszijden, met toevoeging van de Vereenigde Staaten, op minnelijke wijze met elkaar in overleg zouden kunnen treden? Het antwoord hierop is, dat dit precies de oplossing was, waarvoor men zich gedurende de

pagina 23

19de eeuw uitsloofde en dat juist door den tegenwoordigen oorlog aan deze pogingen voor goed een einde werd gemaakt. Gedurende de 19de eeuw stelde het Europeesch Concert Turkije inderdaad onder een soort van curateele. Het Ottomansch tarief van in- en uitvoer werd bij verdrag geregeld, terwijl de douane en andere deelen der inkomsten werden beheerd door een Internationale Administratie van de Ottomansche Schuld, waarin houders van Turksche schuldbrieven waren vertegenwoordigd. Men nam tot onderscheiden proeven met plaatselijk zelfbestuur zijn toevlucht; Kreta en de Libanon genoten zelfbestuur, onder waarborg der Mogendheden; een poging werd gedaan om aan de anarchie in Macedonië, door het Turksch bewind opzettelijk aangestookt, een eind te maken door dat bewind te dwingen, buitenlanders toe te laten als gendarmerie-inspecteurs, met bepaalde spheren van toezicht; er was een belofte van hervormingen in de Armenische Vilayets, aan Turkije op het Internationaal Berlijnsch Congress afgedwongen, waarvan echter niets dan het op papier brengen terecht kwam. Het is ongelukkigerwijs maar al te waar, dat dit vereenigd Europeesch curatorschap hersenschimmig was, dat het faalde, niet alleen in het afschaffen, maar zelfs in het temperen van het regime van uitmoording, dat het Turksch gezag altijd heeft gehuldigd; het is evenzeer een feit, dat de Jong-Turken dezen oorlog hebben benut om deze curateele in haar geheel te verwerpen. Het Britsche volk is niet lichtvaardiglijk of in eigengerechtigheid tot deze oplossing gekomen – het heeft haar stilzwijgend tot de zijne gemaakt door deze Nota te samen met zijne Bondgenooten te onderteekenen. De Engelschen staan op deze twee voorwaarden met betrekking tot eene oplossing van de Turksche quaestie – bevrijding

pagina 24

van de onderworpen volken en de uitdrijving der Turken uit Europa – omdat zij zoo volkomen overtuigd zijn, dat zij billijk zijn en er geen andere keuze overblijft. Deze overtuiging is echter reeds op zichzelf een pijnlijke erkentenis van te hebben gefaald. Zij leidt tot de herroeping van een politiek, waaraan men een eeuw lang hechtte, want gedurende de geheele negentiende eeuw betoonde zich Groot-Brittannië, in het bijzonder, een voorstander van de staatkunde die er op uit was, het Turksche vraagstuk te regelen zonder aan Turkije's grondgebied te raken, zij het dan met behulp van een stelsel van toezicht door het Europeesch Concert uit te oefenen. Voortdurend bewoog zich de Britsche diplomatie in deze richting en het vertrouwen van Britsche zijde in deze politiek was zóó oprecht, dat Groot-Brittannië zestig jaar geleden in samenwerking met een harer tegenwoordige bondgenooten een bloedigen strijd voor hare handhaving aanbond. Indien Engeland zich thans een overtuigd aanhanger verklaart van een tegenovergestelde en meer drastische gedragslijn, is dit niet anders dan het gevoig van het feit, dat het stelsel van gemeenschappelijk Europeesch toezicht, na jarenlange proefnemingen, die de oude dwinglandij, uitmoording en wanhoop slechts bestendigden en zelfs nog verergerden, door den tegenwoordigen Oorlog voor altijd onmogenlijk werd gemaakt.

De Turksch-Duitsche Overeenkomst

Het was om zich aan dit toezicht te onttrekken, dat de Jong-Turken den oorlog, als Duitschland's trawant, begonnen; aan alle toezicht van buiten-af komt vanzelf een eind, indien een der Groote Mogendheden (en in nog sterker mate indien een groep van twee Groote Mogendheden) buiten den kring der

pagina 25

toezichthouders treedt, alle verantwoordelijkheid voor de politiek door de Turksche Regeering tegenover hare onderworpen volken en op de economische zeewegen, waarover zij gezag heeft, toegepast, van zich werpt en die Regeering krachtig steunt in haar terugwijzing van alle recht van interventie van de zijde van de andere betrokken Mogendheden. Hierop kwam juist de koop neer, tusschen Duitschland en de Jong-Turken beklonken, toen Turkije de Gealliëerden, zonder aanleiding van hun kant, in October 1914 te lijf ging. De Jong-Turken stelden al hunne militaire en economische hulpbronnen tot Duitschland's beschikking. Turksche troepen (waaronder niet te vergeten de noodige dienstplichtigen van Turkije's onderworpelingen) zijn thans voor de Duitsche zaak in de Riga, de Halicz en de Dobrudja liniën aan het vechten. De uitgestrekte onontgonnen economische hulpbronnen van het Turksche Rijk zullen, ingeval van overwinning, zoodra het weer vrede zal zijn, wagenwijd voor Duitsche ondernemingsgeest worden opengesteld. Dit zijn concessies, waarvoor Turkije zich vroeger altijd naijverig wachtte, ze aan éénige andere Mogendheid te maken en de prijs die Duitschland ervoor heeft betaald bestaat uit de waarborg van dit ééne: dat de Jong-Turken ook in de toekomst in staat zullen worden gesteld, alle toezicht van buiten-af terug te wijzen en hun politiek van "verottomanisatie" ongestoord door te voeren.

De vrije Hand om te verottomaniseeren

De Turk heeft niet gedraald om de overeenkomst van zijn kant na te komen en is niet minder vlug geweest in het gebruik maken van "de vrije hand", hem door Duitschland verleend. In de eerste plaats verwierpen de Turken de "capitulaties" – een stelsel

pagina 26

van verdragen, op zichzelven niet bijzonder billijk, maar tot wier naleving Turkije zich dan toch verbonden had – waarbij de civiele vrijheden van buitenlanders, in Turkije gevestigd, werden gevrijwaard tegen de onvolmaaktheden van een Turksche rechtsbedeeling. Daarna verwierpen zij de tarief-verdragen om er een eigen tarief van in- en uitvoerrechten – onlangs gepubliceerd – voor in de plaats te stellen. Vervolgens verklaarden zij het Hervormings-plan voor de Armenische Vilayets, dat het Europeesch Concert hen ten leste had bewogen te ratificeeren, voor vervallen en ontsloegen de beide Inspecteurs-Generaal, een Hollander en een Noor, die zijzelven hadden aangesteld om het plan ten uitvoer te leggen. Toch waren deze contract-breuken kleinigheden vergeleken bij de Armenische Deportaties, waarvan wij de gruwelen hierboven in het kort aanstipten en waartoe zij wel zorgden niet over te gaan, vóórdat de Expeditie tegen de Dardanellen was mislukt. 0m het uitdrijven van alle niet-Turksche elementen uit het Rijk volledig door te zetten, zijn zij thans bezig te trachten, zich van de Amerikaansche zendelingen te ontdoen.

De Campagne tegen de Zendelingen

De houding door de Jong-Turken tegenover de zendelingen aangenomen bewijst, dat hun "Nationalisme" hen niet alleen tot misdaad verleid maar ook stapelgek gemaakt heeft. De Amerikaansche zendelingen hebben voor meer dan tachtig jaren in Turkije gearbeid. Hun doel was, den godsdienstzin in de onderworpen Christenvolken te bevorderen en hun een verlichte moderne opvoeding te verschaffen; zij hebben dit doel belangeloos en met een merkwaardig succes nagestreefd, terwijl zij

pagina 27

hun werk alleen dan tot de Moslermin uitstrekten, wanneer zij daartoe van die zijde werden aangezocht. Zij zijn de scheppers van zoo goed als alle secondaire opleiding, waarop Turkije in onze dagen bogen mag. Het is vooral het leergierig en vooruitstrevend element van de bevolking van Turkije, dat onder hun invloed geraakte en dat van hen een moreele en intellectueele aansporing ontving, die het in eigen boezem nimmer zou hebben gevonden. Het opvoedend werk door de zendelingen verricht had niet onvermeld mogen blijven onder de pogingen in den loop der 19de eeuw aangewend om Turkije geleidelijk, door inwendige verbetering, te hervormen; inderdaad was dit werk van veel meer invloed en veel meer hoopgevend voor de toekomst dan het meerendeel van de staatkundige middelen, met de noodige diplomatische praal en plichtpleging door het Europeesch Concert aangewend. Daarbij waren de zendelingen op een even goeden voet met het Turksch Bestuur als met de onderworpen volken. Zij bemoeiden zich niet met de politiek hunner pupillen en hielden er evenmin politieke bijbedoelingen voor zichzelven op na. Zij waren de meest kostbare helpers, die de jong-Turken zich hadden kunnen wenschen in wat zij vóór alles behoorden te hebben nagestreefd, indien zij hunne democratische ontboezemingen waren nagekomen. Bovendien hadden zij van deze helpers minder te vreezen dan van énig ander.

Instede van dit in te zien, hebben de Jong-Turken, na het werk der zendelingen te hebben te niet gedaan door de onderworpen volken, die er voornamelijk van profiteerden, uit te roeien door ballingschap, schande en dood te brengen over de knapen en meisjes in hunne scholen en door de inlandsche meesters, door de zendelingen voor hun taak bekwaamd, dood

pagina 28

te martelen, ten slotte de Amerikaansche scholen, colleges en zendingsposten in vele deelen des Rijks geconfiskeerd en den zendelingen zelven het vuur zoo na mogelijk aan de schenen gelegd om hen te nopen het land te verlaten, waarvan zij de weldoeners zijn.

Op 4 April 1916, publiceerde het Turksche blad Hilal een artikel, waarin een lezing, gehouden door een lid van den Duitschen Rijksdag, Traub genaamd, werd geprezen, volgens welk artikel de redenaar zich zou hebben verklaard "tegen alle zendelingswerk binnen het gebied van het Turksche Rijk."

"De opheffing", schrijft Hilal, "van de scholen door kerkelijke zendingen opgericht en bestuurd, een maatregel zich aansluitend bij de afschaffing van het capitulatie-stelsel, is van niet minder belang. Dank zij hunnen scholen, waren buitenlanders in staat, grooten invloed uit te oefenen over 's lands jongelingschap en zij waren bij slot van rekening de geestelijke en intellectueele leiders van het vaderland. Door deze scholen te sluiten heeft het Gouvernement een einde gemaakt aan een even vernederenden als gevaarlijken toestand."

Hier spreekt zich de leer van de verottomanisatie uit. Zij werd in grover termen geuit door een Turkschen gendarme, sprekend tot een Deensche Zuster van het Roode Kruis, die uit hare betrekking in een hospitaal te Erzindjan was ontslagen omdat zij tegen de deportaties van Armeniërs protest aanteekende. "Eerst", zeide de man, "zullen wij de Armeniërs over de kling jagen, dan de Grieken en daarna de Koerden". "Hij zou er zeker", merkt de Deensche dame op, "graag aan hebben toegevoegd: en daarna de buitenlanders!"*

* Zie het officieel Britsch verslag: "The Treatment of Armenians in the Ottoman Empire." (Misc. 31, 1916).

pagina 29

Het Turksch-Duitsch Verbond

Zonder den moreelen en militairen steun van Duitschland zouden de Jong-Turken nimmer in staat zijn geweest, deze campagne van verdelging van alle goede elementen in de landen en onder de volken onder hun gezag zoover te drijven als zij doen. Het is echter niet bloot toeval alleen, dat er toe leidde, dat Turken en Duitschers elkaar in dit werk der schande zóó wel zouden verstaan.

Bij het nastreven harer eerzuchtige doeleinden heeft Pruisen kostbare instrumenten gevonden in het Habsburgsche en in het Ottomansche Rijk. Deze Staten zouden in een vrij, democratisch Europa anachronismen zijn en bestemd, werd aan de normale ontwikkeling der wereld niets in den weg gelegd, zich te vervormen in vrijwillige bondgenootschappen dan wel zich op te lossen in de volks-eenheden, die er thans de elementen van uitmaken. Maar noch federatie noch oplossing was van de gading van de tyrannieke minderheid die elk dezer Rijken, ter bereiking van haar eigen zelfzuchtige oogmerken, tot dusver hebben beheerscht en gexploiteerd. In het Habsburgsche Rijk zijn de verdorven Magyaarsche aristocraten, die Hongarije beheerschen en door Hongarije het heele Rijk, de dwingelanden. In het Ottomansche Rijk zijn het de Jong-Turken, een geheim eedgenootschap, waarvan het centraal gezag in Konstantinopel zetelt en dat vertakkingen heeft in het binnenland, terwijl hun een bende vunzige gelukzoekers als stroomannen dient om den schijn van een democratisch bewind te helpen ophouden.

De Jong-Turken en de Magyaarsche oligarchie zagen in, dat de steun van Pruisen en deze alleen hun dwinglandij kon beschermen tegen den drang der

pagina 30

Democratie in Europa. De Pruisen begrepen, dat de Turken en Magyaren hun 70.000.000 menschen konden leveren om daaruit hun "kanonnen-voer" te trekken, boven en behalve de 70.000.000 Duitschers, Polen, Elzassers en Denen, bereids tot dat doel beschikbaar. Deze extra 70.000.000 schenen hun de heerschappij der wereld te beloven. De zaak werd beklonken en zoo werd de Oorlog begonnen, waaronder de heele wereld thans zucht en waaronder zij zal voortgaan te zuchten, zal de Vrijheid niet ondergaan en aan het kwaad sinds eeuwen opgetast niet verder paal en perk worden gesteld.

Er bestaat geen uitzicht op terugkeer tot den status quo vóór Augustus 1914 – in de eerste plaats, omdat de status quo, onder den Turk, op zichzelf niets anders was dan het laten voortduren van een verdrukking en een ellende, die der beschaafde wereld tot oneer strekten en die reeds lang geëindigd had moeten zijn; in de tweede plaats, omdat de stand van zaken gedurende den Oorlog oneindig erger was gemaakt dan hij vóór den Oorlog was. Elk element ten goede dat onder Turksch bestuur was staande gebleven en een systeem, in zichzelf te bedorven om voort te bestaan, minder ondragelijk had gemaakt, wordt thans uitgeroeid, door middel van deportatie, afpersing, roof en moord. Het kwaad heeft zich van alle goed ontdaan. Aan de Turksche dwinglandij is, dank zij het verbond met Duitschland, een onnatuurlijk leven ingeblazen en de Centrale Bondgenooten droomen er van de klok in Zuid-Oostelijk Europa een volle eeuw terug te zetten. Door een der Balkan Staten tot een bondgenootschap te verleiden door hem te paaien met het vooruitzicht, de overigen te kunnen berooven, hopen zij den vrijheidsdrang in den Balkan geheel uit te roeien en

pagina 31

voor het Militarisme het terrein te herwinnen, dat de negentiende eeuw hier voor de Democratie won, om er een brug over te bouwen, door middel waarvan drie tyrannieke volken, de Pruis, de Magyaar en de Turk, elkaar de hand zullen kunnen reiken in het onderdrukken en uitroeien, zonder inmenging van elders, van een aantal kleinere en zwakkere volken, van de Elzas tot Roemenië en van Sleeswijk tot Bagdad.

Het is niet een quaestie van verbeteren van den status quo. De status quo in Turkije, die voorheen reeds onverbeterlijk bleek, wordt ijverig omgezet in iets dat nog oneindig erger is en dit gebeurt, achter het bolwerk van het Militarisme, in het aangezicht der beschaafde wereld.

Het Antwoord der Geallieerden

Ziehier dan de redenen, waarom de Geallieerden drastisch zijn in hunne eischen, maar dit wordt bovendien verklaard uit het feit, dat zij niet behoeven te schroomen, ze vóór de wereld bloot te leggen. Duitschland dat niet, zooals de Gealliëerden wel deden, op President Wilson's verzoek ingingen, omdat zij zich voor hare oogmerken schaamt en voor de ontvangst ervan, door alle vrije, democratische volken der beschaafde wereld, terugdeinst, zal zonder twijfel trachten, alle mogelijke munt, waarop zij maar komen kan, uit het meer open en rechtschapen bescheid der Gealliëerden te slaan. Op zulke listige kunstgrepen voorbereid, heeft men het wenschelijk geacht, "de bloedige overheersching van den Turk", zoowel gedurende den oorlog als eeuwen daarvóór, te schetsen, het aan den lezer overlatend, er het zijne van te denken.

pagina 32

Colofon