Armenische gruwelen – hoofdstuk 8: de houding van Duitschland

VIII – DE HOUDING VAN DUITSCHLAND

"De bevelen komen van hooger hand," schrijft een der getuigen, in het vorig Hoofdstuk aangehaald, "en iedere opschorting moet uit de zelfde bron komen." Maar waar bevindt zich die "hooger hand"? Want het is van het grootste belang tot haar door te dringen, als de overblijvende Armeniërs, die in ellende verwijlen te Sultanieh en te Der-el-Zor, nog van hun noodlot gered zullen worden. Wij hebben het spoor der misdaad terug kunnen volgen tot Enver en zijne bent te Konstantinopel, maar dat is niet genoeg. Door aan den oorlog deel te nemen ging Turkije contractueel bij Duitschland in de leer, en ruilde het zijne vrijheid van handelen in tegen Duitschland's leiding. Wat is de houding van Turkije's patroon ten aanzien van den georganiseerden moord van het Armenische ras? En wat heeft het corps van Duitsche ambtenaren op Ottomaansch gebied ter zake verricht?

"Volgens verklaringen der vluchtelingen uit Syrië hebben vele Duitsche Consuls de moorden der Armeniërs geleid of aangemoedigd. In het bijzonder worden vermeld de Heer Rossler, Consul

pagina 151

te Aleppo,* die naar Aintab is gegaan om de uitmoording in persoon te leiden, en de beruchte Baron Oppenheim, die voor het eerst het denkbeeld opperde om de vrouwen en kinderen, die van de nationaliteit van een der Gealliëerden waren naar Oerfa te deporteeren, ofschoon hij zeer goed wist, dat die ongelukkigen daar onvermijdelijk getuige zouden zijn van de barbaarsche handelingen door de troepen gepleegd tot zelfs in de straten der stad, welke letterlijk doorweekt waren van bloed."

Dit is een sinister gerucht, maar het is natuurrlijk geen overtuigend bewijs. Het is slechts een draadbericht uit Kaïro, dat in het laatst van September in de Parijsche pers is openbaar gemaakt. Het zelfde vermoeden zien wij evenwel weer opduiken in de te New York verschijnende "Gotchnag" van 4 September.

"Een buitenlandsch correspondent meldt, dat Provinciale Gouverneurs, die te kort schieten in ijver om het bevel tot deportatie der Armeniërs uit te voeren, door de Duitsche ambtenaren op hunnen plicht worden gewezen. Laatstgenoemden nemen deel aan de uitvoering van het deportatieplan, en verdubbelen de gestrengheid daarvan. De correspondent verklaart, op grond van berichten als dit, dat het plan om de Armeniërs

* De man, die het opzet tegen het ongelukkige Zeitoen heeft uitgedacht.

pagina 152

uit te roeien door de Duitschers is uitgedacht, en dat het op hun raad ten uitvoer gebracht is."

Iedereen zal inzien, dat deze getuigenissen niet de zelfde waarde hebben als die, waarop ons verhaal van het misdrijf zelf is gegrond. De daadwerkelijke deelname van Duitsche ambteenaren is niet voldoende bewezen, en zelfs indien verdere bewijzen werden bijgebracht die de schuld van Herr Rossler en Baron Oppennheim onwederlegbaar vaststelden, zouden wij, nog geen recht hebben om de gevolgtrekkking van den correspondent der "Gotchnag" betreffende de algemeene medeplichtigheid van alle Duitsche ambtenaren in Anatolië tot de onze te maken. Alles wel beschouwd is het onwaarschijnlijk, dat de Duitsche autoriteiten het initiatief zouden hebben genomen tot het misdrijf. De Turken hebben geene verzoekers noodig. Maar als dit gezegd is, is ook alles wat te hunner verdediging kan worden aangevoerd, uitgeput; en indien zwakke lof gelijk staat met blaam, zijn zij daarmede al veroordeeld. Want het is duidelijk, dat, wie dan ook bevel tot de gruwelen gaf, de Duitschers nooit eenige poging hebben gedaan om tegenbevel uit te lokken, terwijl zij, door het spreken van een enkel woord, die gruwelen van den beginne af hadden kunnen

pagina 153

verhinderen. Het is geen overdrijving te zeggen, dat er toen beslist een einde aan gemaakt had kunnen worden, want het is duidelijk, dat Turkije, door aan den oorlog deel te nemen, zich geheel aan Duitschland's macht heeft overgegeven. Turkije is afhankelijk van Duitschland ten aanzien van ammunitie, de aanvoering in den krijg, en het handhaven van zijn tegenwoordig en – indien Duitschland daarin slaagt – zijn toekomstig bestaan. De Duitsche Reegeering had slechts haar veto uit te spreken, en er zou aan gehoorzaamd zijn, en de centrale overheid te Berlijn kon zich van die gehoorzaamheid verzekerd hebben door hare agenten ter plaatse. Reeds sedert 1895 toch heeft Duitschland zich voortdurend beijverd om het netwerk van zijn consulairen dienst uit te breiden over al de Aziatische Provinciën van het Ottomaansche Rijk. In ieder administratief centrum over het geheele gebied, waar uitmoording en deportatie hebben plaats gehad – in Anatolië, Cilicië, zoowel als in het eigenlijk Armenië – is een Duitsche Consul; en het prestige dier Consuls is onbegrensd. Zij zijn de agenten eener bevriende mogendheid, de eenige mogendheid, die aan Turkije hare vriendschap biedt, zonder daaraan zedelijke voorwaarden te verbinden, en bovendien

pagina 154

een vriend, die Turkije's machtige beschermer en bondgenoot is, de onoverwinnelijke veroveeraar – althans in de gewillige verbeelding van den Turk – van een vijandige wereld, die tegen het tweetal de wapenen heeft opgenomen. Het is onmogelijk er aan te twijfelen, dat die Duitsche Consuls het Armenische volk hadden kunnen redden, als zij daartoe stappen hadden gedaan, of te veronderstellen, dat de Duitsche Regeering niet in tijds op de hoogte was van wat er voorviel.

De Consuls namen geen stappen, en wij weten waarom. Van "hooger hand" was hun gelast zich te onthouden.

"Verleden jaar Juli verzocht de Regeering der Vereenigde Staten de medewerking der Duitsche Regeering in eene poging om een einde te maken aan de gewelddadigheden, die uitliepen op den algeheelen en stelselmatigen moord van minstens de helft van de een en een kwart miljoen Armeniërs, die onder Turksch bewind leefden..."

"Nooit werd van Duitschland eenig antwoord ontvangen op de uitnoodiging om daartoe zijne medewerking te verleenen."

Deze mededeeling werd openbaar gemaakt door "the New York Herald" op 6 October

pagina 155

1915. Zij is nog niet tegengesproken, en het innemen, door de Duitsche ambtenaren van alle rangen, van het zelfde standpunt ter zake, is eene onmisduidbare afschaduwing van de wel overwogen politiek der Duitsche Regeering.*

Indien de Duitsche Consuls ter plaatse eene misdadige onverschilligheid aan den dag legden, was dit wijl hun chef te Konstantinopel hun daartoe het sein gaf.

"Na de Turksche Regeering te vergeefs verzocht te hebben een einde aan de moorden te maken, ging de Amerikaansche Ambassadeur te Konstantinopel er toe over, zich tot den Duitschen Ambassadeur te wenden, maar de Heer Wangen-

* Deze politiek moet natuurlijk niet worden opgevat als eene uiting der gevoelens van het Duitsche volk in zijn geheel. De verklaringen van eene Duitsche liefdezuster en van Duitsche zendelingen toonen aan, dat zij die gruwelen met niet minder afschuw beschouwden dan de Amerikaansche zendelingen zelf. Dit zouden ook alle humane personen in Duitschland zelf doen, indien zij slechts de bloote feiten wisten – feiten welke hunne Regeering hun waarschijnlijk niet zal veroorloven te leeren kennen. De Regeering slaagde er in de waarheid voor het volk te verbergen aangaande de moorden van 1895-96, toen eene welgedrilde pers aankondigde, dat de Armenische gruwelen verzinsels der Engelschen waren om het een of ander baatzuchtig doel van hen zelf te dienen.

pagina 156

heim verklaarde, dat hij op geenerlei wijze tusschen beide kon treden in Turkije's binnenlandsche aangelegenheden."

Dit is eene aanhaling uit den boven vermelden brief, van uit Athene geschreven op 8 Juli 1915. Het is natuurlijk slechts een gerucht, en de Heer Wangenheim * zou het hebben kunnen tegenspreken indien hij zulks gewenscht had; maar hij zou het nauwelijks de moeite waard geacht hebben, op grond der uitspraken gewaagd door zijn meer in het oog vallenden Ambtgenoot te Washington. De eerste ingeving van Graaf Bernstorff was het misdrijf regelrecht te ontkennnen. "De beweerde, in het Ottomaansche Rijk bedreven, gruwelen blijken zuivere verzinsels te zijn," verklaarde hij. Armenië is verder weg dan België, en wat daar geschiedt kan dus zooveel te gemakkelijker in het duister worden gehuld. Maar in dit geval is het licht toch doorgebroken en dat heeft Graaf Bernstorff ertoe gebracht zijne houding te herzien. Na verdere briefwisseling met zijne lastgevers in Europa

"legde hij aan de Regeering der Vereenigde Staten een rapport over van den Duitschen Consul-Generaal te Trebizonde, dat eene uitmoording der

* Sedert overleden.

pagina 157

Armeniërs erkende en verdedigde op den grond, dat de Armeniërs ontrouw waren aan de Turksche Regeering en in het geheim Rusland hielpen en steunden."

Omtrent deze "démarches" van den Ambassaadeur te Washington bestaat geen twijfel. Zij hebben de aandacht getrokken der natie, bij welke hij geaccrediteerd is, en zijn met groote letters gedrukt boven de artikelen in de kolommen der Amerikaansche pers.*

En dan is er de Rijks-Kanselier zelf. Toen het eerste jaar van den Duitschen krijg en de vierde maand der Armenische gruwelen gelijktijdig afgeloopen waren, en hij in den Rijksdag eene rede over den toestand hield, nam hij die gelegenheid te baat om zijne landgenooten geluk te wenschen met "hunne wonderbaarlijke regeneratie van Turkije." Zou eene meer onvoorwaardelijke goedkeuring van Enver's "oplossing" mogelijk zijn?

Na ons een voldoend oordeel te hebben gevormd omtrent de houding van Duitsche "officiëele kringen," zullen wij eenige Duitschers

* De aanhaling uit "The New York Herald" is slechts een losse greep uit vele dozijnen hoofdartikelen van gelijke strekking in even zoo vele andere bladen.

pagina 158

voor een oogenblik hunne meening doen uitspreken bij monde hunner pers.

"De Armeniër," schrijft de "Frankfurter Zeitung," op 9 October, "is door zijn hooger intellect en grootere handelsbekwaamheid, in het genot van een blijvend voordeel ten aanzien van handel, pachting van belastingen, bankzaken en commissie-agenturen boven den tragen Turk, en verzamelt zich daardoor geld in den zak, terwijl de Turk verarmt. Dat is de reden, waarom de Armeniër de meest gehate persoon is in het Oosten – in vele gevallen niet zonder grond, ofschoon eene generalisatie onbillijk zou wezen. Het is evenwel gemakkelijk te begrijpen, dat de onopgevoede volksklasse in Anatolië, met half opgevoede ambtenaren, fanatieke Muzelmansche geestelijken en heethoofdige chauvinisten aan hun hoofd licht de prooi van zulk eene generalisatie worden en de onschuldigen met de schuldigen vernietigen..."

"De moeilijkheden, waarvoor de Turksche Regeering in zake het Armenische vraagstuk geplaatst is, moeten niet worden onderschat. Daar is het gebrek aan goede communicatiën in Anatolië, de volslagen afwezigheid van alle initiatief bij de lagere ambtenaren, de woede van het gepeupel..."

"Maar trots al die moeilijkheden moet de Turksche Regeering de teugels in de hand nemen... De openbare meening in Duitschland is er vast van overtuigd, dat de Regeering van den Bondgenoot, na aan de wereld

pagina 159

op zoo schitterende wijze haar kracht naar buiten te hebben getoond, nu ook een bewijs zal geven van hare innerlijke sterkte."

De "Frankfurter" is een blad van ruime opvatting, en wij geven het blad alle eer voor zijne gevoelens en waarschuwingen. Maar ieder, die deze bladzijden heeft gelezen, zal inzien, dat het zich – half opzettelijk of niet – een geheel verkeerd beeld van den toestand heeft gemaakt. "Het gebrek aan initiatief bij de mindere ambtenaren" – dat zou een redelijke verzachtende omstandigheid zijn, als de misdaad eene uitbarsting van fanatisme van onder op was,* maar het heeft eene tegenovergestelde strekking als het misdrijf van boven af is georganiseerd. En zijn de communicaties in Anatolië zoo slecht? Voor de Turksche moehadjirs waren zij ruimschoots voldoende. En zelfs als wegen en spoorlijnen schaarsch zijn, is dat niet het geval met de telegrafische verbindingen. Iedere groote stad is telegrafisch verbonden met Konstantinopel. Langs die draden gaven Enver

* Dat er geen algemeene uitbarsting van dien aard is geweest, is niet de schuld van Duitschland, wier professoren roekeloos den Pan-Islamitischen Jihad (Heiligen Oorlog) hebben gepredikt, met al zijne gevolgen van haat en hartstocht.

pagina 160

en Talaat hun gebiedend sein aan hunne automatische ondergeschikten, en (als von Jagow het woord had gesproken) zou Herr Wangenheim even veel telegrafische tegenbevelen hebben kunnen uitzenden aan zijne energieke Duitsche Consuls, wier initiatief in hun eigen sfeer (hoe het dan ook gesteld moge wezen met hun Turksche gezellen) in elk geval nimmer in twijfel is getrokken.

Neen, als de "Frankfurter Zeitung" de openbare meening in Duitschland weergeeft, dan is het Duitsche Volk eenvoudig onbekend met de feiten. Toch zijn er, in ieder geval, eenige publicisten, die beter op de hoogte zijn.

"Indien de Porte het noodig oordeelt, dat Armenische opstanden en andere bedrijven met alle beschikbare middelen moeten worden onderdrukt, zoo dat alle mogelijkheid van herhaling wordt uitgesloten, dan is dat geen "moord" en geen "gruwel," maar eenvoudig een noodzakelijke, geheel te rechtvaardigen maatregel."

Zoo schrijft Graaf Ernst von Reventlow in de "Deutsche Tageszeitung," en daarmede heeft hij tegen zijn land eene beschuldiging van medeplichtigheid aan de misdaad uitgesproken, die wijzelf misschien geaarzeld zouden hebben tegen hetzelve in te brengen.

pagina 161

Duitschland kan niet tusschen beide treden in de "binnenlandsche aangelegenheden van zijn bondgenoot." Aldus sprak de Duitsche Ambasssadeur te Konstantinopel de conclusie uit. Maar daar kunnen wij het moeilijk bij laten. Is Duitschland's motief voor zijne medeplichtigheid wezenlijk niets anders dan een belangeloos ontzien der gevoeligheid van zijn Turkschen bondgenoot? "De Armeniër is," zooals wij hebben aangehaald uit de "Frankfurter Zeitung", "de meest gehate persoon in het Oosten wegens zijn hooger intellect en grooter handelsbekwaamheid." Welnu, de Armeniër met al zijne talenten is verwijderd, en ziehier het gevolg, als beschreven door een getuige in het Rapport der Amerikaansche Commissie:–

"Het gevolg (der misdaad) is, dat, aangezien 90 percent van den binnenlandschen handel in handen is der Armeniërs, het land zijn ondergang tegemoet gaat. Daar verreweg het meerendeel van alle handel op crediet wordt gedaan, staan honderden der voornamere niet-Armenische zakenmenschen, voor een failliet. In de ontruimde plaatsen zal geen enkele looier, vormer, hoefsmid, kleermaker, timmerman, pottebakker, wever, schoenmaker, jewelier, apotheker, dokter, advocaat, noch eenig ander beoefenaar van een der vrije beroepen, of handelaar zijn overgebleven, op zeer weinige uitzonderingen na, en het land zal in eenen zoo

pagina 162

goed als hulpeloozen toestand zijn achtergebleven." (R.A.C.)

Wie heeft er voordeel van? Zeker niet de Turk, hoe zeer het zijne afgunst ook moge streelen... De Armeniërs, zooals wij herhaaldelijk en nadrukkelijk hebben gezegd, vormden het eenig inheemsch element in het Ottoomaansche Rijk met eene Europeesche opleiding en een Europeesch karakter. Zij alleen waren, door dat "hooger intellect" en die "grooter handelsbekwaamheid" in staat het Rijk door innerlijke kracht te doen opleven, en het op te heffen tot het peil van een georganiseerden, beschaafden, modernen Staat. Thans is die mogelijkheid voor altijd vernietigd, en het land is "in eenen zoo goed als hulpeloozen toestand achtergebleven." Wie heeft er voordeel van? Niet de Armeniër, niet de Turk. De Armeniërs, zoo zij gespaard waren gebleven, waren bestemd om eene zeer begeerenswaarde "plaats onder de zon" in te nemen, tot hun eigen voordeel zoowel als tot dat van hunne Turksche buren. Moeten de Duitschers hunne erfgenamen en executeurs worden, en is dat de "Regeneratie van Turkije" waarop de Rijks-Kanselier in Augustus 1915 op zoo paradoxale wijze zinspeelde?

pagina 163

Dit plaatst ons van aangezicht tot aangezicht tegenover eene vraag, die wij zeer geleidelijk genaderd zijn, zonder mogelijkheid terug te treden. Maar wij haasten ons er bij te voegen, dat die vraag nog eene opene is. Zelfs nu, ter elfder ure, zou Duitschland ons een antwoord kunnen geven, dat ons te meer welkom zou zijn, wijl onze hoop zoo gering is, door zijne hand uit te strekken om de Armeniërs, die nog zijn overgebleven te redden van het noodlot waartoe de vermoorde meerderheid veroordeeld werd.

Maar wat Duitschland ook doet, moet het spoedig doen, niet alleen om de laatste slachtoffers uit de kaken des doods te redden, maar ook omdat het oordeel der menschheid weigert langer te talmen en zich reeds over alle landen heeft verbreid.

Deze schandelijke en verschrikkelijke bladzijde der moderne historie, die in het verwijderde Armenië wordt opgeslagen, is niets dan een weerklank en eene uitbreiding van de hoofdgeschiedenis, het centrale verhaal der beschrijving van het Duitsch binnendringen in België veertien maanden geleden. Dat was de beslissende daad, dat was het sein voor Turken en Koerden..."

pagina 164

"Thans ziet de wereld noch verbaasd, noch ongeloovig de verschrikkelijke geschiedenis aan, die tot ons komt uit de meer verwijderde landdstreken van Klein-Azië..."

"Wat Duitschland in de wereld heeft gedaan is niet slechts eene schending van het geschreven recht. Dat is maar eene bijzonderheid van minder beteekenis. Wat het gedaan heeft is, in de Twintigste Eeuw, ons allen terugbrengen tot den toestand der duistere middeleeuwen."*

Dat is de beschuldiging. Laat Duitschland ophouden haar te verdienen.

* Uit de "New York Tribune" van 8 October 1915.

pagina 165

Colofon