Armenische gruwelen – hoofdstuk 6: onbewimpelde moord

VI – ONBEWIMPELDE MOORD

De oostelijke oorlogs-zone van Turkije liep door het oorspronkelijk vaderland van het Armenische ras. Zooals wij reeds uitgelegd hebben waren de Armeniërs, die door middel van deportatie vermoord werden, over het algemeen niet de bewoners van het eigenlijke Armenië, doch behoorden zij voor het meerendeel tot lang gevestigde nederzettingen, over de steden van Anatolië en Cilicië en meer Westelijk verspreid. In het eigenlijke Armenië waren de Armeniërs niet beperkt tot de steden, doch was de boerenbevolking op het land ook Armenisch. Iets meer dan de helft der Armeniërs van het Ottomaansche Rijk waren feitelijk, vóór het uitbreken van den oorlog, nog geconcentreerd in deze oostelijke grensstreken, zoodat het gebied, ten Westen en ten Zuiden bepaald door den bovenloop van Eufraat en Tiger, en ten Noorden en Oosten door de Russische en Perzische grenzen, bewoond werd door eene betrekkelijk homogene Armenische bevolking, behoudens de nederzettingen van zich indringende Koerden. Hier was het historisch centrum der natie, hier waren hare meest beroemde steden, hare

pagina 115

schoonste gedenkteekenen van architectuur en kunst; en juist hier hebben de Russische en Ottomaansche slaglinies zich gedurende bijna een jaar op en neer bewogen – een jaar van rampen voor het Armenische ras.

In het kort is de loop van den strijd als volgt geweest. In het begin van den Winter, bijna onmiddellijk na hunne intrede in den oorlog, namen de Turken het offensief op groote schaal over de Russische grens en zonden zij een ander leger naar het Oosten om een inval te doen in de Perzische Provincie Azerbaijan; beide bewegingen mislukten, en nog vóór de Lente van 1915 waren hunne troepen weer uit Trans-Kaukazië verdreven en genoodzaakt de Provincie Azerbaijan te ontruimen, na een tijdelijke bezetting van hare hoofdstad Tabriz. Toen de Russen op hunne beurt begonnen de grenzen te overschrijden, lieten de Ottoomaansche autoriteiten in de grensprovincie Van de Turksche troepen en de ongeregelde Koerden los tegen de Armenische bevolking. Op het land werden de Armeniërs overweldigd, maar in de stad Van zelf namen zij, toen zij eenige van hunne leiders hadden zien vermoorden en de overigen zich ook met uitmoording bedreigd

pagina 116

voelden, de wapenen op, verdreven de moordenaars en hielden een beleg van 27 dagen uit – 1.500 verdedigers tegen 55.000 aanvallers, die van artillerie voorzien waren – tot dat zij, op 17 Mei, triomfantelijk werden ontzet door de voorwaarts rukkende Russen. Hierdoor was de Oostelijke oever van het meer Van van vijanden gezuiverd – het bekken van dit meer is het hart van Armenië – en in de zomermaanden schreden de Russische strijdkrachten langzaam, om het meer heen, vooruit naar het Westen. Maar ongeveer einde Juli kregen de Turken groote versterkingen, en, nu weder het offensief nemende, slaagden zij er in, Van te hernemen. Na drie weken werden zij weer uit hunne stelllingen verdreven, en de lijn werd hersteld tot wat zij in Juni was: dwars door het bekken van Van, terwijl het meer zelf de strijdenden van elkander scheidt. Nogmaals hebben de Russen zich nu weer langzaam vooruit gewerkt, het land van Turken en Koerden zuiverend. Maar de aardrijkskundige gesteldheid levert moeilijkheden op, en de vijand is sterker in aantal. Het is waarschijnlijk, dat de Russen, in verloop van tijd, Armenië geheel zullen kunnen bevrijden, maar intusschen hebben de grootste rampen plaats gehad, en de

pagina 117

boerenbevolking, die hunne komst reikhalzend tegemoet zag, is òf door moord uitgeroeid òf in ballingschap en ellende buiten het land verstrooid.

Zoodra de vijandelijkheden uitbraken, begonnen de Turksch-Koerdische soldaten onmidddelijk met hunne gruweldaden. In de Perzische Provincie Azerbaijan woont eene talrijke bevolking van Syrische Christenen, en het lijden dat die menschen van de zijde der invallende horden te doorstaan hebben gehad, wordt in huiveringwekkende bijzonderheden beschreven in brieven van Duitsche zendelingen * in hun midden wonende, welke brieven op 18 October werden openbaar gemaakt in het Nederlandsche dagblad "De Nieuwe Rotterdamsche Courant." Uit den inhoud van deze brieven kiezen wij het volgende ter vermelding uit:

"De nieuwste tijdingen melden dat in de laatste vijf maanden bij de zendelingen 4.000 Syriërs en honderd Armeniërs alleen aan ziekte gestorven zijn. Alle dorpen in den omtrek zijn geplunderd en in de asch gelegd, behalve een drietal. Twintig

* Leden van de "Deutsche Orient-Mission" (Duitsche Zending in het Oosten).

pagina 118

duizend Christenen zijn in Oermia en den omtrek neergehouwen. Vele kerken zijn verwoest en verbrand, evenals vele huizen in de stad..."

En hier is eene beschrijving uit een anderen brief:

"In Haftewan en Salmast zijn alleen uit de pompbronnen en cisternen 850 lijken gehaald en dat wel zonder hoofd. Waarom? De commandeerende officier had op ieder Christenhoofd een soms gelds gesteld. In Haftewan alleen zijn meer dan vijf honderd vrouwen en meisjes aan de Koerden te Sandsjboelak gezonden. Wat het lot van deze ongelukkigen is kan men zich voorstellen. In Diliman werden scharen van Christenen in de gevangenis geworpen en met geweld gedwongen om den Islam aan te nemen. De mannen werden besneden. Gülpardsjin, het rijkste dorp van het Oermia-gebied, is met de aarde gelijk gemaakt. De mannen zijn gedood, de schoone vrouwen en meisjes weggevoerd. Evenzoo in Barbaroe. Met honderden zijn de vrouwen in de diepe rivier gesprongen, toen zij zagen, hoe vele van hare zusters op klaren dag midden op den weg door de benden verkracht werden. Zoo ook in Miandoab in het Soeldoes-district."

Deze gruwelen op vreemden bodem zijn verschrikkelijk genoeg, maar verzinken in het niet in vergelijking met hetgeen de Turken meer onlangs op hun eigen gebied hebben gedaan. Hun vernieuwd offensief in Juli ging

pagina 119

gepaard met de algeheele uitroeiing van de Armenische boerenbevolking in de districten onmiddellijk achter hunne linies, zoowel als in het land, dat zij bij hunnen opmarsch doortrokken.

Het eerste bericht hiervan bereikte de "Novoye Vryemya" van Petrograd op 22 Juli.

"De Turksche gruwelen in het district Bitlis zijn boven alle beschrijving vreeselijk. Na de geheele mannelijke bevolking van dit district te hebben vermoord, verzamelden de Turken 9.000 vrouwen en kinderen uit de omringende dorpen en dreven hen Bitlis in. Twee dagen later voerden zij hen naar den oever van den Tiger, schoten hen allen dood en wierpen de 9.000 lijken in de rivier."

"Aan den Eufraat hebben de Turken meer dan 1.000 Armeniërs neergehouwen, en hunne lijken in de rivier geworpen. Tegelijkertijd kregen vier bataljons bevel op te rukken naar het Moesh dal, om de 12.000 Armeniërs, die daar woonden, af te maken. Volgens de laatste berichten is het moorden reeds begonnen. De Armeniërs bieden weerstand, maar, daar zij niet genoeg patronen hebben, zullen zij alle door de Turken worden uitgeroeid. Al de Armeniërs in de streek van Diyarbekir zullen eveneens vermoord worden."

Ten aanzien van Moesh duurde het in elk geval niet lang of het ontzettend gerucht vond bevestiging. Op 20 Augustus vermeldde het te

pagina 120

Tiflis verschijnend blad "Horizon" het volgende:

"De Turken hebben de geheele mannelijke bevolking in de vlakte van Moesh vermoord. Slechts 5.000 menschen zijn er in geslaagd te ontsnappen en naar Sassoen te vluchten, waar de in opstand zijnde Armeniërs het nog steeds uithouden."

Toch waren deze meer vage verhalen niet zoo verschrikklijk als het gedetailleerde verslag, dat een maand later zijn weg vond naar Amerika, en op 4 September werd openbaar gemaakt door het te New York verschijnend Armenisch blad "Gotchnag."

"Ongeloofelijke berichten komen binnen aangaande de moorden in Bitlis. In één dorp is een houten huis volgepropt met 1.000 Armeniërs – mannen, vrouwen, en kinderen – waarna het huis in brand is gestoken. In een ander groot dorp van het district zijn slechts 36 menschen aan de uitmoording ontkomen. In een ander dorp bonden zij mannen en vrouwen bij dozijnen met touwen te zamen, en wierpen hen in het meer Van. Een jonge Armeniër uit Bitlis, die in het leger was en die, nadat hij ontwapend was en in dienst gesteld bij het aanleggen van wegen, er in slaagde te ontsnappen en Van te bereiken, verhaalt dat de gewezen Vali van Van, Djevdet Bey, alle mannelijke personen tusschen vijftien en veertig jaren te Bitlis heeft doen vermoorden. Hunne gezinnen zijn gedeporteerd in de richting van

pagina 121

Sert, maar de mooiste meisjes heeft hij bij zich gehouden. Bitlis is nu weer dicht bevolkt met tienduizenden Turksche en Koerdsche Moehadjirs."

En thans zijn wij in het bezit van een brief door een correspondent te Tiflis tot Lord Bryce gericht en van zoo recente dagteekening als 6 November, waarin de geheele uitmoording van begin tot einde wordt beschreven volgens het verhaal van Rouben, den eenigen Armenischen leider nog in leven:

"Tegen het einde van Mei werd Djevdet Bey, de militaire Gouverneur, uit Van verdreven, en werd de stad ingenomen eerst door de ingezeten Armeniërs * en daarna door de Russisch-Armenische strijdmachten uit Kaukazië. Djevdet Bey vluchtte naar het Zuiden, en, Bothan doortrekkende, deed hij zijn intocht te Sairt met ongeveer 8.000 soldaten, die hij "Slachters" bataljons noemde (Kassab Taboeri). Hij vermoordde het meerendeel der Christenen van Sairt; omtrent de bijzonderheden dienaangaande is echter niets bekend. Op het beste gezag wordt evenwel bericht, dat hij zijn soldaten beval den Armenischen Bisschop Egishe Vartabed en den Chaldeeuwschen Bisschop Addai Sher op het openbare plein te verbranden. Daarna

* Die echter pas de wapenen opgenomen hadden nadat Djevdet Bey begonnen was hunne hoofden ter dood te brengen.

pagina 122

rukte Djevdet Bey, gevolgd door het kleine legertje van Khalil Bey, in het midden van Juni, naar Bitlis op. Vóór zijne aankomst waren de Armeniërs en de Koerden van Bitlis het eens geworden omtrent een plan tot wederzijdsche bescherming in geval van nood. Maar Djeydet Bey had zijn eigen plan om de Armeniërs uit te roeien. Eerst deed hij hen een losprijs betalen van 5.000 Turksche Ponden; en hing daarna Hokhigian en een twintigtal andere Armenische hoofden op, waarvan het meerendeel zich gewijd had aan de verpleging der gewonden in de veldhospitalen. 0p 25 Juni omsingelden de Turken de stad Bitlis en sneden hare communicatiën met de Armenisehe dorpen in den omtrek af. Daarna werden de meesten der weerbare mannen, door middel van huiszoeking, van de bij hen behoorende vrouwen weggehaald, en in den loop der daarop volgende dagen werden alle gearresteerde mannen buiten de stad doodgeschoten en begraven in diepe loopgraven, door de slachtoffers zelf aangelegd. De jonge vrouwen en kinderen werden onder het gepeupel verdeeld, en de rest, de "nuttelooze" groep, werd naar het Zuiden gedreven; en men geloofd dat zij in den Tiger zijn verdronken geworden. Alle pogingen tot weerstand, hoe dapper ook, werden zonder moeite bedwongen door geregelde troepen. Na hunne laatste patronen te hebben verschoten, namen zulke Armeniërs òf met hun geheele gezinnen vergif in, òf doodden zich in hunne huizen, ten einde niet in de handen der Turken te vallen..."

"Op zulk eene, een "gentleman" waardige wijze ontdeden de Turken zich van ongeveer 16.000 Armeniërs te Bitlis."

pagina 123

"Te Moesh eischte de overheid in het begin van Juli van de Armeniërs hunne wapenen op en eene groote som gelds als losprijs. Notabelen der stad en de hoofdmannen der dorpen werden onderworpen aan weerzinwekkende folteringen. Nagels van vingers en teenen werden met geweld uitgetrokken; tanden werden uit den mond geslagen, en in sommmige gevallen werden neuzen met een mesje afgesneden, en zoo werden de slachtoffers, onder vreeselijke, langdurige martelingen ter dood gebracht. De vrouwelijke familieleden der slachtoffers, die ter hulpe kwamen, werden in het openbaar onteerd, ten aanschouwe van hare verminkte mannen. Het gillen en de doodskreten der slachtoffers vervulden de lucht, maar hadden op het Turksche beest geen invloed."

"In de stad Moesh zelf verschansten de Armeniërs zich onder leiding van Gotoyan en anderen in de kerken en van steen gebouwde huizen en streden zij vier dagen ter zelfverdediging. Maar de Turksche artillerie, bemand met Duitsche officieren, vermeesterde in korten tijd al de Armenische stellingen. Al de Armeniërs, aannvoerders zoowel als manschappen, werden in den strijd gedood; en toen eene doodsche stilte heerschte in de ruïnen van kerken en elders, viel het Muzelmansch gepeupel op de vrouwen en kinderen aan, en dreef hen de stad uit naar groote kampen, die al in gereedheid waren gebracht voor de boerenvrouwen en kinderen. De afschuwelijke tooneelen, die daarop volgden, mogen ongeloofelijk klinken, maar de bevestiging der berichten dienaangaande laat absoluut geen twijfel omtrent hunne waarheid."

pagina 124

"Het kortste middel om zich te ontdoen van de vrouwen en kinderen, die in de verschillende kampen geconcentreerd waren, was verbranding. Groote houten loodsen in Alijan, Megrakom, Khaskegh en andere Armenische dorpen werden in brand gestoken, en deze volslagen hulpelooze vrouwen en kinderen werden levend geroosterd. Vele werden krankzinnig en wierpen hare kinderen weg; anderen knielden neer en baden te midden der vlammen, die hare lichamen verbrandden; weer anderen gilden en kreten om hulp, die evenwel niet kwam. En de beulen die door deze ongeëvenaarde wreedaardigheid niet ontroerd schijnen te zijn geworden, grepen kleine kinderen bij een der beenen vast en slingerden ze in het vuur, aan de brandende moeders toeroepende: "Hier zijn uwe leeuwen." Turksche gevangenen, die blijkbaar eenige van die tooneelen hebben bijgewoond, waren ontzet van afschuw en werden woedend bij de herinnering aan wat zij gezien hadden. De stank van het brandende menschenvleesch, zeggen zij, vervulde de lucht nog vele dagen daarna."

"Op het oogenblik, waarop dit geschreven wordt, valt er haast niet aan te twijfelen, dat, gedurende de maanden Juni en Juli, de Turken ongeveer 150.000 Armeniërs uit Bitlis, Moesh en Sassoen zoo goed als geheel hebben uitgeroeid. Wanneer een volledig verslag omtrent de bijzonderheden der gruwelen, waarmede deze uitmoordingen gepaard gingen, aan de beschaafde wereld ten volle bekend wordt gemaakt, zal dit in de geheele Geschiedenis uitblinken als het grootste meesterstuk van wreedaardigheid, dat ooit bedreven is, zelfs door den

pagina 125

Turk. Een korte beschrijving der gruwelen is mij gegeven door Rouben, een der leiders in Sassoen, die op wonderbaarlijke wijze dwars door Moesh en over het meer Van, aan de Turksche linies is ontsnapt, en sedert eenige dagen hier is. Van af het oogenblik der deelname van de Turken aan den oorlog traden zij in onderhandelingen met de Armenische leiders in Moesh en Sassoen, met het oog op samenwerking tot gemeenschappelijke verdediging. De Turksche vertegenwoordigers stelden evenwel zulke voorwaarden als grondslag van overeenkomst, dat de Armeniërs die nauwelijks als ernstig bedoeld konden opvatten. Tot Januari waren de zaken tamelijk goed geloopen, en den Armeniërs werd door hunne leiders aangeraden te voldoen aan alle wettige eischen, door de overheden gesteld. Toen de onderhandelingen niet slaagden, namen de Turken strenge maatregelen tegen de Armeniërs. Zij hadden reeds alle artikelen, waarop het hun maar eenigszins mogelijk was de hand te leggen, medoogenloos in beslag genomen, en nu eischten zij van de boeren overgave van hunne wapenen. De Armeniërs zeiden, dat zij hunne wapenen niet konden opgeven zoo lang de Koerden tot op de tanden gewapend bleven en zich ongemoeid overal konden bewegen. Tegen het einde van Januari werd door een Turksch gendarme een twist uitgelokt te Tzeronk, een groot Armenisch dorp, ongeveer dertig kilometer ten Westen van Moesh, waarbij ongeveer 70 menschen werden gedood en het dorp werd vernield. Spoedig daarna werd een andere twist op touw gezet door gendarmes te Koms, een dorp aan den Eufraat, waar

pagina 126

de Turken dwangarbeiders wilden werven voor het vervoer van militaire benoodigdheden. Daar een vroegere ploeg mannen, voor werk van denzelfden aard gebezigd, nooit naar huis was teruggekeerd, kregen de boeren achterdocht en weigerden zij te gaan. De geheele plaats mengde zich hartstochteelijk in de kwestie en de Turken wenschten een zekeren Goriun te arresteeren, een daar geboren inwoner van aanmerkelijke dapperheid, die zich had gewroken op Mehmed Emin, een Koerdsche roover, welke vroeger zijn huis had verwoest. Al zulke conflicten van plaatselijken aard werden op de een of andere wijze uitgemaakt door middel van onderhandelingen tusschen de overheden en de leiders der Dashnakzoetiaansche partij. Middelerwijl begonnen ongeregelde troepen Koerden en Muzelmunsche benden, die juist terug kwamen uit den slag van Kilitsj Gedoek, waar zij het tegen de Russen zeer hard te verantwoorden hadden gehad, de Armeniërs in het geheele land tot op het uiterste te tergen. Als antwoord op daar tegen ingebrachte protesten trachtten de overheden alle grieven weg te praten en gaven zij den Armeniërs de volle verzekering van hunne welwillendheid, waaraan deze natuurlijk geen geloof sloegen."

"Lang voordat de boven vermelde gruwelen te Bitlis gepleegd werden, hadden de Turken en Koerden van Diyarbekir, gevolgd door de bloeddorstige stammen van Bekran en Belek, de Armeniërs uitgeroeid van Slivan, van Bisherig en van de groote vlakte, die zich uitstrekt van Diyarbekir tot aan den voet der bergmassa van Sassoen. Vele duizenden vluchtelingen waren naar Sassoen

pagina 127

ontsnapt als de eenige veilige haven in een uitgestrekte zee van verschrikking. Zij vertelden den lieden van Sassoen en Moesh van de aan henzelven bedreven gruwelen. De gedragslijn, door de Armeniërs te volgen, lag nu voor de hand. De Turken hadden besloten hen te verdelgen, en er bleef hun dus niets anders over dan, met alle te hunner beschikking staande middelen, te trachten zich uit een vrijwel hopeloozen toestand te redden. Rouben deelt mij mede, dat zij geene berichten hoegenaamd hadden omtrent den loop van den krijg aan het Kaukazische front, en dat de Turken valsche tijdingen uitstrooiden om de Armeniërs te misleiden. In de Provincie Bitlis bleef de algemeene vrede gehandhaafd – tot het begin van Juni, toen de zaken tot een toppunt kwamen. De verder af gelegen dorpen van Boelanik en Moesh waren in Mei reeds uitgemoord. Nu werd Sassoen in twee hoofdrichtingen aangevallen. De Koerdsche stammen van Belek, Bekran en Shego, de beruchte Sheik van Zilan, en vele anderen werden door de Regeering bewapend en kregen bevel Sassoen te omsingelen. De 15.000 Armeniërs uit deze berglanden, versterkt met ongeveer 15.000 andere uit Moesh en Diyarbekir sloegen vele hevige aanvallen af, waarin de Koerden zware verliezen leden, zoowel aan manschappen als aan wapenen, waarop de Regeering, door bemiddeling van den Bisschop van Moesh, weer in onderhandeling trad met de Armenische leiders, en hun eene algemeene amnestie aanbood, als zij de wapenen nederlegden

pagina 128

en deelnamen in de verdediging van het gemeenschappelijk vaderland. En ten bewijze van hare oprechtheid legden de autoriteiten de moorden van Slivan, Boelanik, enz. uit, als zijnde te wijten aan een betreurenswaardig misverstand. De onderdrukkingen hielden eensklaps overal op, en gedurende ongeveer drie weken der maand Juni heerschte in Moesh weer volkomen orde. De bewegingen der Armeniër werden evenwel strikt in het oog gehouden, en samenscholingen waren hun verboden. In de laatste week van Juni kwam een zekere Kiazim Bey uit Erzeroem aan met minstens 10.000 soldaten en bergartillerie om het garnizoen te Moesh te versterken. Op den dag na zijne aankomst werden sterke patrouilles geposteerd op de heuvelen, die de stad Moesh domineeren, zoo dat alle communicatie tusschen Moesh en Sassoen werd afgesneden. Koerdsche benden "fedais" en gendarmes kregen opdracht om alle gemeenschap tusschen verschillende dorpen en de stad Moesh te beletten, zoodat niemand wist wat zelfs in de onmiddellijke nabijheid gebeurde."

"Ontwapening had eveneens plaats in de groote Armenische dorpen Khaskegh, Franknorshen en andere; en bij het minste verzet werden werden mannen en vrouwen op de reeds hierboven beschreven wijze ter dood gebracht. Op 10 Juli begonnen groote contingenten troepen, gevolgd door benden uit de gevangenissen vrijgelaten misdadigers, de weerbare mannen uit alle dorpen bij elkaar te brengen. De meeste bewoners der 100 dorpen in de vlakte van Moesh grepen naar alles wat zij aan wapenen bezaten, en boden in verschillende gunstige posities

pagina 129

een wanhopigen tegenstand. Zooals natuurlijk te verwachten was, kwam er in de meeste dorpen al spoedig gebrek aan ammunitie, en toen volgde wat misschien een der grootste misdrijven in de geheele Wereldgeschiedenis is. Zij, die geen wapenen hadden en niets tegen de autoriteiten hadden gedaan, werden in groote kampen bijeen gebracht en in koelen bloede met de bajonet gedood."

"In de tegenwoordige omstandigheden is het niet mogelijk te zeggen hoeveel Armeniërs van eene bevolking van 60.000 (van de vlakte van Moesh) in het leven zijn gebleven; het eenige feit, dat thans kan worden vermeld, is, dat nu en dan eenige overlevenden over de bergen ontsnappen, de Russische linies bereiken, en daar verdere bijzonderheden mededeelen aangaande het ongeëvenaard misdrijf, dat in Juli in Moesh is gepleegd."

Het treurspel der Armeniërs in de oorlogs-zone was dus van een anderen aard dan hunne tragedie in de steden van Anatolië. Er was hier meer barbaarsche ruwheid in de wijze hunner vernietiging maar wij missen de satanische wreedheid der deportaties. Doch waar Enver duizenden doodde, bracht Djevdet er tienduizenden om het leven; want zijn doel was niet minder dan het uitroeien van de Armenische bevolking in de bakermat van het ras.

pagina 130

Evenwel slaagde hij niet volkomen. De terugtrekkende Russen betwisten hardnekkig iedere mijl gronds en verschaften zoodoende aan een gedeelte der niet-strijdenden de gelegenheid om hunne bedreigde woonplaatsen bijtijds te verlaten. Op dien verschrikkelijken tocht door de bergen was het lijden dezer vluchtelingen ontzettend, en er kwamen gevallen voor, die in vreeselijkheid niet onderdeden voor de folteringen hunner broederen, die, op honderden mijlen afstands, door de zweep der Turksche gendarmes werden voortgedreven over die andere bergen van Anatolië. "Op den weg," schrijft een der Duitsche zendelingen in Azerbaijan, "vond ik vier kleine kinderen; de moeder zat op den grond met den rug tegen een muur geleund. De kinderen liepen op me toe, met holle oogen, en de handen uitstrekkend, brood, brood roepend. Toen ik dichter bij de moeder kwam, zag ik dat ze stervende was ("Nieuwe Rotterdamsche Courant" van 18 October 1915.)

En hier is eene beschrijving van het geheele tooneel door een inwoner van Trans-Kaukazië, die naar het grensdorp Igdir ging, om schikkingen te maken voor de ontvangst der vluchtelingen, en den hartbrekenden optocht voorbij zag trekken:

pagina 131

"Ik vraag mij af of het mogelijk is iets verschrikkelijkers bij te wonen dan dit tooneel. Bij honderden sterven de menschen van honger, dorst en uitputting, en de middelen om in den nood te voorzien zijn volkomen ontoereikend. Het is absoluut onmogelijk om zelfs brood te koopen. Het eerste contingent vluchtelingen heeft deze plaats reeds bereikt. Om opstopping op de wegen te voorkomen is de menschenstroom in twee kanalen verdeeld moeten worden: ongeveer 100.000 gingen te voet door de vlakte van Abagha, terwijl de achterhoede beschermd werd door het Russische leger onder Generaal N. en de Armenische regimenten onder Andranig en Dero; 50.000 anderen uit de stad Van werden naar Perzië afgeleid, en hunne achterhoede werd verdedigd door de bereden regimenten van Keri en Hamazasp. Bloedige achterhoeds gevechten worden geleverd om de Turken en Koerden tegen te houden, die voorwaarts dringen om den terugtocht der Armeniërs af te snijden."

Een schouwspel, even vreeselijk om aan te zien als hetgene dat andere getuigen waarnamen te Aleppo of bij den overgang van de Moerad Soe; en toch welk een verschil tusschen die twee! Die afgematte bannelingen uit de Anatolische en Cilicische steden werden door meedoogenlooze vijanden voortgedreven naar een langzamen dood. Deze boeren uit Van daarentegen schreden moeitevol voorwaarts naar leven en

pagina 132

veiligheid, troost vindend in het bewustzijn, dat de soldaten eener bevriende natie streden en sneuvelden om hunne ontkoming mogelijk te maken. En toch hadden zij nog veel te verduren toen zij in de eerste week van Augustus 1915 hunne bestemming bereikten.

"Alle maatregelen, die menschelijkerwijze mogelijk waren, om dezen ziedenden menschenstroom te verwelkomen, waren te Etchmiadzin genomen, maar de taak was veel zwaarder dan verwacht was. Het Comité "voor Broederlijke Hulp," onder voorzitterschap van den Katholikos, en het Medisch Corps waren ten volle vertegenwoordigd, terwijl het Nationaal Bureau van Tiflis en de Armenische Comité's uit Moskou, Bakoe en andere plaatsen, zoowel als verschillende genootschappen en vereenigingen mannelijke en vrouwelijke helpers hadden gezonden. Die allen verzorgden de zieken, de uitgeputten, de moederlooze kinderen, en toch, niettegenstaande al die broederlijke hulp, verstrekt door de Russische Armeniërs, bleef de verleende bijstand ver beneden de behoefte. Cholera, dysenterie en vlekkoortsen braken spoedig in boosaardigen vorm uit, terwijl de schaarschte van artikelen in den Kaukazus benevens plaatselijke moeilijkheden den bijstand, die gegeven kon worden, zeer beperkten."

Het tooneel is hartverscheurend maar het is toch niet hetzelfde tooneel als dat in Der-el-Zor

pagina 133

en de helpers beginnen langzamerhand de nood te boven te komen.

"Ongeveer 20,000 weeskinderen zijn reeds verzorgd; in vele plaatsen zijn geïproviseerde ziekenhuizen geopend; hygiënische maatregelen zijn genomen om de epidemieën te bestrijden, die, in het begin van September, het sterftecijfer opvoerden tot 200 per dag. Geheele treinen met meel, suiker, thee, medicijnen, kleederen en andere artikelen zijn door de Armeniërs overal uit Rusland aangeboden. Professor Kishkin, de gevolmachtigde van den Bond van Russische Zemstvos, die naar Etchmiadzin was gezonden om een onderzoek in te stellen naar den toestand van deze vluchtelingen, beschrijft dien als erbarmelijk, en heeft gevraagd om 50.000 Pond Sterling om in de onmiddellijke behoeften te voorzien."*

Toch is in één opzicht dat tekort aan hulp een factor van hoop want het is veroorzaakt doordat de stroom van vluchtelingen zoo groot was. Niet minder dan 250.000 Armeniërs uit Turkije hebben levend de Russische grens kunnen overschrijden – een groot aantal vergeleken bij de kleine groep van 5.000, die haren weg naar Port-Said heeft gevonden. Op dit kwartmiljoen daklooze, verhongerende, door

* Ontleend aan het September-nummer van het te Londen verschijnend maandblad "Ararat."

pagina 134

ziekte geteisterde menschen is al de hoop van het Armenische ras gevestigd. Als hun het leven gered kan worden, zal de levenskracht van Armenië de afschuwelijke poging van den uitstervenden Turk om het voor altijd van de lijst der volkeren te schrappen, hebben verijdeld.*

* Het "Armenian Refugees (Lord Mayor's) Fund" [Armenisch Vluchtelingen (Lord Mayor's) Fonds] is opgericht om hulp te zenden uit Groot-Britannië, en het is onmogelijk een grens te stellen voor de geldsommen, die noodig zijn. Bijdragen kunnen worden gezonden aan den "Honorary Secretary" (Eere-Secretaris) van het Fonds, 96, Victoria Street, S.WS. te Londen.

pagina 135

Colofon