Armenische gruwelen – hoofdstuk 5: ongegronde verontschuldigingen

V – ONGEGRONDE VERONTSCHULDIGINGEN

Al die gruwelen, zoowel de georganiseerde misdaad als de plaatselijke verfraaingen daarvan, werden tegen de Armeniërs bedreven zonder dat daartoe door hen een zweem van aanleiding was gegeven. "Wij zijn in oorlog," zal de Turksche Regeering waarschijnlijk antwoorden; "wij strijden voor ons bestaan. De Armeniërs hoopten, dat onze vijanden zouden overwinnen; zij zonnen op middelen om zulk eene overwinning te bevorderen. Zij waren verraders, vrij in hunne bewegingen in eene oorlogs-zone, en wij waren genoodzaakt tegen hen met militaire gestrengheid op te treden." Maar zulke verontschuldigingen worden absoluut gelogenstraft door de feiten. Deze Armeniërs woonden niet in eene oorlogs-zone. Niet één van de steden en dorpen, van waar zij zoo stelselmatig werden gedeporteerd naar hunnen dood, lag ook maar in de nabijheid van het krijgs-gebied. Zij lagen alle in het binnenland van Anatolië, ver van de Kaukazische grens en even ver van de Dardanellen. Er bestond geen mogelijkheid voor hen om samen te werken met

pagina 95

de legers der "Entente," en het was even onmogelijk, dat zij op eigen hand een oproer zouden beproeven, want zij vormden geene afzonderlijke, bij elkaar wonende gemeente. Zij waren in kleine nederzettingen verspreid over een uitgestrekt land, en waren in vergelijking met hunne Turksche naburen, overal in de minderheid. De civiele en de militaire macht waren veilig in Turksche handen, en het was al zeer onwaarschijnlijk, dat de Armeniërs een staatsgreep zouden beproeven. Het zij nog eens herhaald, dat deze Armenische stedelingen een zeer vreedzaam, nijver volk waren, even onbekend met de hanteering van wapenen * en even ongewoon aan het denkbeeld van geweldpleging als de bevolking der steden in Westelijk Europa. De Ottomaansche Regeering kan haar misdrijf onmogelijk voor een voorzorgsmaatregel doen doorgaan, want de Armeniërs waren er zóó ver van af, bij voorbaat plannen tot verzet te beramen, dat zij zich zelfs van weerstand onthielden, nadat de Regeering hun doodvonnis had uitgevaardigd. Er worden dan ook feitelijk slechts twee gevallen vermeld, waarin het uitzettingsplan eenig daadwerkelijk

* Jaren lang had de Regeering krachtige maatreegelen genomen om te voorkomen, dat zij geweren zouden bezitten.

pagina 96

verzet ontmoette. Er was het geslaagd verzet in het Antiochische district, waar de Armeniërs naar het heuvelland vluchtten en zeven weken streden, met de zee in den rug, tot dat zij op bijna wonderdadige wijze gered werden door de Fransche vloot, onder de hierboven reeds vermelde omstandigheden. En er was ook de heldenmoed der wanhoop van Shabin Karahissar, een stad in het achterland van Trebizonde, waar 4,000 Armeniërs bij het bevel tot uitzetting naar de wapenen grepen en het tegen de Turksche troepen uithielden van het midden van Mei tot het begin van Juli. Toen kregen de Turken versterking en artillerie en bedwongen de stad zonder moeite. "Karahissar," zoo wordt gemeld in den brief aan den Armenischen geestelijke, "werd gebombardeerd; en de geheele bevolking, van de landelijke districten zoowel als van de stad, is meedoogenloos vermoord, met inbegrip van den Bisschop zelf." Niets kan beter dan dit aantoonen hoe weinig de Turksche Regeering van de Armeniërs te vreezen had, en hoe gretig zij naar de snelste middelen greep om hen uit te roeien, zoodra zich eene gelegenheid daartoe voordeed.

En dit was de wijze, waarop de Regeering optrad tegen de hulpelooze, niets vermoedende

pagina 97

Armeniërs in de steden. Waar zij te doen had met de minder handelbare boerengemeenten in het heuvelland, gaf zij elke poging om hare voornemens te bemantelen op, en viel hen dadelijk zonder voorafgaand bevel tot deportatie en zonder eenig voorwendsel, met het zwaard aan. Zoo werd Zeitoen behandeld, een Armenische nederzetting, die gedurende acht honderd jaren in welvaart en onafhankelijkheid had geleefd op de bergen, van waar men de Cilicische vlakte kan overzien.

De bewoners van Zeitoen onderscheidden zich van de andere Armeniërs uit Cilicië door het bezit van wapenen, en schijnen zich bijtijde te hebben gereed gemaakt voor den naderenden strijd, waarbij hun leven op het spel stond. Maar, naar gezegd wordt, werden zij ontwapend door de belofte dat, indien zij zich onderwierpen, hunne weerlooze broeders in de dorpen der laaglanden daardoor van verdelging zouden zijn vrijgekocht. De Turksche belofte werd natuurlijk geschonden, zoodra het Turksche doel bereikt was, en met de kans zoo geheel tegen hen moesten de heldhaftige bergbewoners het wel opgeven.

"Het bloedige gordijn is over Zeitoen gevallen en het strijdbare deel dezer moedige bergbewoners

pagina 98

is in dit gedenkwaardig jaar der misdaad tot onderwerping gebracht! Getrouwe aanhangers en overblijvenden der Roepeensche dynastie hadden zij tot nog toe hunne haardsteden onaangetast weten te behouden en met succes weerstand geboden aan alle Turksche inbreuken. Zij zijn ten laatste ten onder gebracht door groote Turksche strijdkrachten, en het sterke Zeitoen is nu in de handen van den vijand!"

"Het schijnt dat, na het mislukken, verleden winter, van het voorgenomen Turksche veldtochtsplan tegen het Suez Kanaal, Djemal Pasha, de Bevelhebber van het Syrische Leger, een groot aantal geregelde troepen naar Zeitoen voerde. De Zeitoenli's verschansten zich in hunne sterkten, en vochten twee of drie maanden lang tegen een vijand, die hen in aantal verre overtrof, en bovendien beschikte over zware artillerie, wijl zij hoopten, dat in tijds versterkingen zouden komen om hen bij te staan. Maar geen hulp kwam opdagen, en zij hielden vol tot hun laatste patroon verschoten was. Tegen het einde van Mei werd Zeitoen ingenomen door de Turken, die al de inwoners, welke zij aantroffen, vermoordden. Een paar honderd oude vrouwen werden, zegt men, naar Angora gedeporteerd, en andere naar de vlakten van Mesopotamië, waar zij, naar het gerucht loopt, blootgesteld zijn aan ernstige, onwaardige beleedigingen" – beleedigingen waaromtrent wij reeds meer weten uit Schwester Möhring's beschrijving van Der-el-Zor, en waarvoor de zoo juist aangehaalde schrijver een sterker woord zou hebben

pagina 99

gebezigd, indien hij haar verschrikkelijk verhaal gekend had.

Dat is het einde van Zeitoen, zooals het verhaald wordt in het Juli-nummer van het Londensch Maandblad "Ararat." Zeitoen is ten onder gegaan, maar verder naar het Oosten heeft daarna een andere boerengemeente, Sassoen, de moordenaars nog met de kracht der wanhoop van zich af weten te houden. Sassoen is een vereeniging van veertig Armenische dorpen, gelegen in het heuvelland, dat het bekken van den bovenloop van den Tiger afscheidt van den nauwen doorgang van de Moerad-Soe. Gedurende eeuwen heeft het een half-onafhankelijk en bijna geheel in eigen behoeften voorziend bestaan geleid, tot ergernis van de Ottomaansche Regeering en den afgunst wekkende van zijne minder welvarende buren, de Koerden. Te Sassoen nam Abdul-Hamid in 1895 een voorloopige proef in het moorden, en in Mei 1915 wezen de Jong-Turken het, even als Zeitoen, ter verdelging aan.

Op 15 September maakte het te Tiflis verschijnende Armenische blad "Horizon" het volgende bericht openbaar uit Igdir, een poststation op de Russisch-Turksche grens.

pagina 100

"Een jonge man, die op 2 Augustus erin slaagde uit de dorpen van Sassoen te ontsnappen, deelt de volgende berichten mede: – "Sassoen is ook door uitmoording bezocht. De dorpen der vlakte zijn alle verwoest. Rouben (een van de leiders der verdediging) houdt nog steeds vol, bijgestaan door zijne met leeuwenmoed strijdende gezellen, een kleine, doch onoverwinnelijke schare, tegen den onheildreigenden vijand. Maar zijne dagen zijn geteld. Om hem te redden zou hij onverwijld in het bezit moeten worden gesteld van onbeperkte hoeveelheden ammunitie."

De Sassoenli's waren mannen van geestkracht en vindingrijkheid. Zij hadden zelfs geleerd ammunitie te maken uit inheemsche grondstoffen. Maar zij werden belegerd door geregelde Turksche troepen met zware kanonnen en ook de Koerden trokken tegen hen ten strijde. Hier volgen de laatste oogenblikken van Sassoen, zooals zij zijn beschreven door den leider Rouben zelf, die ten laatste, als door een wonder, door de Turksche liniën ontkwam, en de geschiedenis verhaalde bij aankomst te Tiflis, van uit welke plaats zij is medegedeeld aan Lord Bryce door een correspondent aldaar, in een brief gedateerd 6 November 1915:

"Terwijl de "Slachters" Bataljons van Djevdet Bey en de geregelde troepen van Kiazim Bey te Bitlis en Moesh hunne taak vervulden, werd in het

pagina 101

begin van Juli eenige cavalerie naar Sassoen gezonden, ten einde de Koerden aan te moedigen, die in den aanvang van Juni door de Armeniërs verslagen waren. De Turksche cavalerie deed een inval in de beneden vallei van Sassoen en veroverde, na hevigen strijd, eenige dorpen. Intusschen beproefden de gereorganiseerde Koerdsche stammmen, van uit het Zuiden, Westen en Noorden, Sassoen in te sluiten. Gedurende de laatste veertien dagen van Juli werd bijna zonder ophouden doorgestreden, soms zelfs gedurende den nacht. Over het algemeen hielden de Armeniërs aan alle fronten flink stand en verdreven zij de Koerden uit hunne vooruitgeschoven stellingen. De menschen uit Sassoen hadden evenwel nog andere, groote zorg barende moeilijkheden; de bevolking was verdubbeld, sedert dat hunne broederen, die uit de vlakten ontsnapt waren, in hunne berglanden een toevluchtsoord hadden gezocht. De gierstoogst van het laatste seizoen was mislukt; alle honig, alle vruchten en alle andere plaatselijke produkten waren opgeteerd, en de menschen hadden geleefd van ongezouten gebraden schapenvleesch; zij hadden zelfs geen zout om het schapenvleesch wat meer voedzaam te maken. En de ammunitie was bij lange na niet voldoende om in de behoefte van den zwaren strijd te voorzien. Het ergste moest evenwel nog komen. Nadat Kiazim Dey de stad en de vlakte van Moesh had onderworpen, haastte hij zich met zijn leger naar het Sassoen district, ten einde eene nieuwe poging te doen om deze dappere bergbewoners te overweldigen. Aan alle fronten in geheel Sassoen werd de strijd vernieuwd. Groote kanonnen richtten eene

pagina 102

slachting aan in de Armenische gelederen. Rouben deelt mij mede, dat Goriun, Tigran en 20 andere der beste strijders gedood werden door een enkele granaat, die in hun midden ontplofte. Aangemoedigd door de aanwezigheid van kanonnen, zetten de cavalerie en de Koerden met meedoogenlooze energie den strijd voort."

"De Armeniërs werden gedwongen hunne buitenste verdedigingsliniën te verlaten, en trokken dagelijks verder terug naar de hoogten van Antok, de centrale groep van bergen, waarvan sommige 10.000 voet hoog zijn. De nietstrijdende vrouwen en kinderen en hunne groote kudden vee belemmerden ten zeerste de vrijheid van beweging der verdedigers, wier aantal van 3.000 reeds tot op de helft was geslonken. Een vreeselijke verwarring heerschte zoowel gedurende de Turksche aanvallen als gedurende de Armenische tegenaanvallen. Vele Armeniërs verbrijzelden hunne geweren als hun laatste patroon verschoten was en grepen hunne revolvers en dolken. De Turksche geregelde troepen en de Koerden, nu te zamen ongeveer 30.000 man tellende, rukten steeds verder de hoogten op en omringden de voornaamste Armenische stelling van nabij. Toen volgde een van die wanhopige en heldhaftige worstelingen op leven en dood, waarop bergbewoners altijd trotsch zijn gegaan. Mannen, vrouwen en kinderen vielen den vijand aan met messen, zeisen, steenen, en al wat zij verder maar hanteeren konden."

"Zij deden steenblokken langs de steile hellingen naar beneden rollen en doodden op die wijze

pagina 103

vele vijanden. In een verwoed gevecht, man tegen man, zag men vrouwen hare messen in de kelen der Turken stooten en er zoodoende velen dooden. Op 5 Augustus, den laatsten dag van den strijd, werden de met bloed besmeurde rotsen van Antok door de Turken veroverd. Al de Armenische krijgers uit Sassoen, behalve degenen, die door de Turksche liniën braken om hen in de flank aan te vallen, waren in den strijd gesneuveld. Verscheidene jonge vrouwen, zich in gevaar ziende in handen der Turken te vallen, wierpen zich van de rotsen, sommige met hare jonge kinderen in de armen."

Sedert dien hebben de overlevenden een guerilla-oorlog gevoerd, zich in het leven houdende met ongezouten schapenvleesch en gras. De naderende Winter zal waarschijnlijk noodlottige gevolgen hebben voor de overblijvende Armeniërs uit Sassoen, daar zij niets te eten hebben en de middelen missen om zich te verdedigen.

Zoo handelden de Turken met de weinige Armeniërs, die in staat waren zich te verdedigen. En toch bestond het eenig vergrijp van Sassoen en Zeitoen slechts in hunne, de Turken ergerende, welvaart, – een vergrijp, dat met den oorlog niet het minste verband houdt. In hun geval, even als in de overigen, mist het "oorlogszone"

pagina 104

voorwendsel allen grond, en er is slechts een enkel geval, waarin het, met eenigen schijn van rechtvaardiging, kan worden aangevoerd, namelijk in dat der Armeniërs, welke te Konstantinopel zelf of in de onmiddellijke nabijheid dier stad woonden. Deze Armeniërs zijn wellicht de ordelijkste en arbeidzaamste van alle in het Ottomaansche Rijk, maar aangezien de omstandigheden, waarin zij verkeeren, hen in staat zouden hebben kunnen stellen met de krijgsmachten der Gealliëerden in de Dardanellen samen te werken, zullen wij aan hunne behandeling een oogenblik onze aandacht wijden, om te zien of overwegingen van militairen aard hier ten minste het werkelijke motief voor hunne deportatie geweest kunnen zijn. De te onzer beschikking staande feiten leveren meer dan voldoende bewijsmateriaal op.

"Te Adrianopel zijn, op bevel der Regeering, alle Armenische ambtenaren in administratieve, openbare, en financiëele instellingen ontslagen. Turksche soldaten, uit andere districten aangebracht, plegen ongehoorde gruwelen. De Armeniërs zijn voortdurend aan vervolgingen blootgesteld. Ongeveer vijftig Armeniërs uit deze stad zijn in de gevangenis gezet of verbannen. Het is den Armeniërs verboden naar het buitenland te vertrekken, of zelfs in de Provincie te reizen."

pagina 105

"De Armeniërs van Keshan zijn gedeporteerd. De Armenische schippers van Silivri zijn in de gevangenis gezet onder beschuldiging de Engelsche duikbooten van levensmiddelen te hebben voorzien."

"De Armenische kerk en het Armenisch klooster te Dhimotika zijn door de Regeering in beslag genomen. Aan de Armeniërs van deze plaats werd een tijdsverloop van veertien dagen toegestaan om naar elders te verhuizen. Een zelfde respijt van twee weken werd verleend voor de deportatie der Armeniërs van Malgara. Hunne huizen zullen worden betrokken door de Turken, die uit Servië zijn uitgeweken. De Armeniërs uit Tsjorloe zijn gedeporteerd."

Het bovenstaande is genomen uit een van uit Konstantinopel geschreven brief, die op 28 Augustus is openbaar gemaakt in het te New York verschijnend Armenisch blad "Gotchnag" en wij kunnen het vervolg lezen in den "Brief aan een Geestelijke"* meermalen hierboven aangehaald:

"Het schema is zoo juist in uitvoering gebracht in de omgeving van Konstantinopel. Het meerendeel der Armeniërs in het district Ismid en de

* Deze brief is gedateerd 15 Augustus en moet daarom – den tijd in aanmerking nemende, dien de mail behoeft om van Konstantinopel Amerika te bereiken – van later dagteekening zijn, dan het schrijven op 28 Augustus te New York openbaar gemaakt.

pagina 106

Provincie Broessa zijn gedwongen geworden naar Mesopotamië te vertrekken, hunne haardsteden en bezittingen verlatende. De Turken hebben ook de bevolking verwijderd uit Adapazar, Ismid, Gegveh, Armacha en omgeving, – ja uit al de dorpen in het district Ismid, met uitzondering van Bagtsjedjik, aan de bewoners waarvan een paar dagen respijt is toegestaan..."

"Nu is Konstantinopel aan de beurt, en de bevolking, onder welke een panische schrik heerscht, verwacht ieder oogenblik de tenuitvoerlegging van hun doemvonnis. De arrestatiën zijn ontelbaar, en de aangehoudenen worden onmiddelllijk uit de hoofdstad verwijderd. Het meerendeel van hen zal stellig niet het leven er af brengen. Tot op heden zijn het de kleinhandelaren, in de Provinciën geboren, maar te Konstantinopel gevestigd, die verwijderd zijn geworden, met inbegrip van [hier worden zes namen als voorbeeld aangehaald]. Pogingen worden aangewend om ten minste de Armenische bevolking van Konstantinopel te doen ontkomen aan die afschuwelijke verdelging van het Armenische volk, opdat wij in de toekomst ten minste één point d'appui mogen bezitten voor de Armenische zaak in Turkije."

Maar ook hier waren alle pogingen vergeefsch. Reeds op 15 Juni was een voorbereidende aanval gedaan op de Armeniërs der hoofdstad, toen zes en twintig harer voornaamste vertegenwoordigers in het openbaar werden opgehangen na eene summiere behandeling hunner zaak voor

pagina 107

den Krijgsraad.* Maar dit behoorde weer tot het verleden, en zou slechts een gering offer zijn geweest, als de overigen daardoor gevrijwaard waren gebleven. Doch de Regeering wachtte alleen maar haren tijd af. Op 4 September vermeldde de "Gotchnag" het volgende:

"In al de wijken van Konstantinopel is men begonnen een register der Armeniërs aan te leggen, met afzonderlijke lijsten van hen, die immigranten uit Armenië waren, en van de te Konstantinopel geborenen. Men veronderstelt dat zij, die uit Armenië kwamen, gedeporteerd zullen worden."

Hierna volgden de gebeurtenissen elkander snel op. Op 5 September maakte de "Horizon" van Tiflis een telegram uit Boekarest openbaar, dat het volgende meldde:

"De Turken zetten hunne uitroeiing der Armeniërs voort. Uit Konstantinopel hebben zij de Armenische mannen gedeporteerd. Tien duizend gedeporteerde mannen zijn reeds vermoord op de bergen van Ismid."

Het officiëele plan dus al weder in werking! Na dit gelezen te hebben, verwondert het ons niet meer uit andere bronnen te vernemen, dat

* Twintig van de namen dezer personen zijn vermeld in het Juli-nummer van het maandblad "Ararat."

pagina 108

Armenische vrouwen en kinderen uit Konstantinopel en Thracië zijn aangekomen om de "landbouw-kolonie" in de Anatolische woestijn te vergrooten.

Zoo zijn dus, ten slotte, de Armeniërs uit de omgeving der steden tot het zelfde verschrikkelijk lot veroordeeld als hunne Anatolische broederen. "Armenische schippers te Silivri hebben misschien de Britsche duikbooten van levensmiddelen voorzien!" – dat is de verontschuldiging voor dit alles. Maar het is niet het ware motief. Dat blijkt uit de terloopsche aankondiging dat "hunne huizen betrokken zullen worden door Turksche vluchtelingen uit Servië," en Talaat Bey's grootspraak: "na dezen zal er gedurende vijftig jaar geen Armenisch vraagstuk zijn" dringt zich onwillekeurig en onvermijdelijk aan onzen geest op.

"Ottomanisatie" is, welbeschouwd, het wachtwoord. "Wat den Armeniër betreft, de plaats, waar hij was, zal hem niet meer kennen, en de Turk zal zijn bezit en zijne woonstede erven." Als wij onze bewijsstukken in dit licht bezien, verschijnen de kenteekenen eener op dit doel gerichte politiek met eene noodlottige regelmatigheid voor onze oogen.

pagina 109

"Uit vier districten zijn de Armeniërs verwijderd, Bosnische moehadjirs vervangen de aldus verbannen Armeniërs. De Turken zijn in een toestand van volslagen delirium."

"Meer dan 20.000 Armeniërs, die gedwongen zijn geworden uit een zekere Provincie te emigreeren, worden de woestijnen in gedreven, te midden van nomadische volksstammen, hunne huizen, tuinen en akkers overlatende aan de Turksche moehadjirs. Beroofd van al wat zij bezaten, hebben die ongelukkigen zelfs geene graven voor hunne dooden."*

"Zoodra de Armenische vluchtelingen hunne huizen verlieten, namen moehadjirs uit Thracië er bezit van. Aan eerstgenoemden was verboden iets mede te nemen, en zoo zagen zij al hunne goederen in andere handen overgaan. Er moeten nu ongeveer 20.000 of 25.000 Turken in deze stad zijn en haar naam schijnt in een Turkschen veranderd te wezen."

Deze drie getuigenissen zijn ontleend aan het Rapport der Amerikaansche Commissie; en hier is een uittreksel uit een brief, uit Athene geeschreven en gedagteekend 8 Juli, die het proces van verdringing in nog meer incrimineerende bijzonderheden beschrijft:

"Twee zendelingen van neutrale nationaliteit, die ik persoonlijk ken, kwamen gisteren op hunne

* Uittreksel uit een officiëel rapport dd. 18 Juni 1915.

pagina 110

doorreis te Athene. Het eerste wat zij mij zeiden was dat de toestand der Armeniërs in Cilicië vreeselijk was. De stad Dörtyöl is betrokken door Turksche families, nadat de Armenische bevolking er uit verwijderd was. Al de Armenische inwoners zijn uit hunne huizen gezet en weggezonden, en lijden natuurlijk honger. Het is onmogelijk te beschrijven waaraan zij zijn blootgesteld. Vóór de ontruiming zijn ongeveer negen der voornaamste kooplieden opgehangen..."

"Zeitoen heeft het zelfde lot getroffen. Er is geen enkele Armeniër meer in Zeitoen en al de huizen zijn door Turksche menschen betrokken. Mijne vrienden wisten niet precies wat met de Armenische inwoners van Zeitoen gebeurd was,* maar het is een feit, dat de Turksche autoriteiten er inzonderheid voor gezorgd hebben, dat niet een te groot aantal van hen te zamen zouden wonen. Pogingen zijn gedaan om hen tot Mohamedanen te maken, en het is bekend, dat de autoriteiten hebben beproefd een, twee, of drie families toe te wijzen aan elk Turksch dorp in het district Marash."

"Zij hebben getracht het zelfde te doen met Hadjin, maar, vandaar zijn, hoe dan ook, slechts de helft der inwoners vertrokken. Natuurlijk hebben de Turken in hunne woningen hun intrek genomen."

"De Turken van Tarso en Adana leggen dezelfde gezindheid aan den dag als vóór de moorden van 1909."

* Na het lezen van Mejuffrouw Möhring's getuigenis uit Der-el-Zor zijn wij beter ingelicht.

pagina 111

"Zendelingen uit Beiroet verklaren, dat de Christenen in Syrië op dezelfde wijze vervolgd worden."

Geen bewijsstukken kunnen krachtiger gronden tot veroordeeling opleveren dan deze, want zij stellen onomstootelijk vast, dat de misdaad tegen het Armenische ras met voorbedachten rade is gepleegd en met groote zorg beraamd, en dat de organisatie van de tenuitvoerlegging niets hoegenaamd te wenschen overliet. Deze "Moehadjirs" waren Muzelmannen uit Europa, emigranten uit gewezen Ottomaansche gewesten, welke onder Christelijk bewind waren gekomen. Sedert den Balkan-oorlog waren zij bijeen gekomen aan den Westelijken rand van het besnoeide Ottomaansche Rijk, een zwervende horde zonder leiding. En nu vinden wij hen eensklaps verspreid over de Aziatische Provinciën, zelfs tot in Cilicië, in groepen verdeeld, juist geëvenredigd aan de Armenische bevolking in elke plaats, en gereed om onmiddellijk de plaatsen der Armeniërs in te nemen, zoodra het bevel tot hunne deportatie was uitgevaardigd. "Zoodra de Armenische vluchtelingen hunne woningen hadden verlaten, werden deze betrokken door de Moehadjirs uit Thracië." Alles gaat van een leien dakje, zonder eenige stoornis

pagina 112

of vertraging. De organisatie is meesterlijk en de daaruit te maken gevolgtrekking is afdoende en beslissend. En geen enkele overweging mocht eenig deel van het ras vrijwaren van het algemeen vonnis. De Armeniërs, die dienstplichtig waren in het Ottomaansche leger en dan ook in zijne gelederen dienden, hadden ten minste beschermd kunnen zijn door de uniform, die zij droegen. In plaats daarvan maakte hunne organisatie de slachting slechts gemakkelijker. Wij hebben reeds vermeld hoe zij ontwapend werden en moesten arbeiden aan de communicatiën achter het Kaukazische front. Hier is het laatste hoofdstuk in hunne geschiedenis.

"De Armenische soldaten hebben hetzelfde lot gedeeld. Om te beginnen zijn zij alle ontwapend en aan het werk gezet om wegen aan te leggen. Uit betrouwbare bron weten wij, dat de Armenische soldaten der Provincie Erzeroem, arbeidende aan den weg van Erzeroem naar Erzindjan, alle vermoord zijn. De Armenische soldaten der Provincie Diyarbekir zijn alle vermoord aan de wegen Diyarbekir–Oerfa en Diyarbekir–Kharpoet. Uit Kharpoet zijn 1800 jonge Armeniërs als soldaten naar Diyarbekir gezonden, om daar te werken. Alle werden in de omgeving van Arghana vermoord. Wij hebben geene tijdingen van de andere districten, doch

pagina 113

houden ons verzekerd dat ook dezen een zelfde lot is ten deel gevallen."

Dit is een uittreksel uit den brief aan een hooggeplaatst Armenisch geestelijke gericht, en het wordt bevestigd door het daarvan onafhankelijk, rechtstreeksch getuigenis van een Muzelmansch soldaat in een der betrokken arbeidersbataljons, wien als korvee, was opgedragen zijn vermoorde Christelijke kameraden te begraven. (R.A.C.)

Zoo offerde de Ottomaansche Regeering zelfs militair voordeel op aan de volledige uitvoering van haar Armenisch plan, en die daad is misschien de kleinzieligste, ofschoon bij lange na niet de boosaardigste, van alle die zij heeft gepleegd. En ook dit is zonder een zweem van verontschuldiging gedaan aan onderworpen arbeiders in vreedzame districten, door onbegaanbare bergen gescheiden van den zetel des krijgs. Als wij ons wenden tot wat in de werkelijke oorlogs-zone gebeurde, komen wij te staan voor gruwelen, zoo afschuwelijk, dat zelfs de meest dringende militaire noodzakelijkheid daarvoor nimmer eenige verontschuldiging zou kunnen opleveren.

pagina 114

Colofon