Armenische gruwelen – hoofdstuk 4: het einde van de tocht

IV – HET EINDE VAN DEN TOCHT

De laatste acte van het drama was niet geheel een nieuwigheid. De Jong-Turken hadden iets dergelijks al eenige jaren tevoren in het klein opgeveerd, toen het "Comité van Vereeniging en Vooruitgang" te Konstantinopel het bewind van Hamid had vervangen, en zich tot taak had gesteld de misstanden in die stad uit den weg te ruimen. Het ergste euvel was het heirleger van onbeheerde honden, dat, door te groote toegeeflijkheid van vroegere geslachten, op straat leefde en de taak der gemeentereiniging vervulde, in welken tak van dienst een al te gemakzuchtig bestuur in gebreke was gebleven door middel van menschelijken arbeid te voorzien. De Jong-Turken namen prompte en afdoende maatregelen met die ongewenschte bewoners hunner hoofdstad. Zij verzamelden ze alle op booten en zetten ze af op een onbewoond eiland in de Zee van Marmora, waar de dieren het probleem hunner toekomst oplosten door van honger om te komen. Toen Enver en zijne vrienden in het voorjaar van 1915 het probleem der Armeniërs overdachten, verloren zij dit zoo welgeslaagd precedent niet uit het oog.

pagina 74

Voor de Armeniërs (of ten minste diegenen hunner, welke de deportatie overleefden) werd dan ook op dezelfde wijze gezorgd als voor de honden uit Stamboel, en twee plaatsen werden door de Regeering uitgekozen als hun eindbestemming. Een daarvan was Sultanieh, een dorp in het Konia-district in het centrum van Anatolië, en de keus was met wetenschappelijken zin gedaan; want Anatolië is een tafelland, met een rand of ring van bosch- en waterrijk bergland aan de zee, waar de steden liggen met hare Armenische inwoners, en een vreeselijke woestijn in het midden, waar het zelfs den Turkomaanschen nomaden zwaar valt in hun onderhoud te voorzien. Te Sultanieh werd aan duizend gezinnen van Armenische stedelingen, na uitputtende marschen van heinde en ver daar verzameld, een proefje van de wildernis gegeven – duizend gezinnen, waarbij slechts vijftig mannen* om

* Voor de waarheid hiervan wordt ingestaan door drie van elkaar onafhankelijke getuigenissen – één getuige in het R.A.C.; één brief, geschreven (zooals uit den inhoud blijkt) door een Armenisch Protestant aan een burger de Vereenigde Staten, op 4 September 1915 openbaar gemaakt in het Armenisch blad "Gotchnag"; en één brief uit Konstantinopel, dd. 15 Juni 1915, die hieronder uitvoeriger zal worden behandeld.

pagina 75

te voorzien in de behoeften van deze hulpelooze schare van vrouwen, kinderen en invalieden, zoo plotseling geheel op eigen krachten aangewezen, in eene omgeving even ongewoon voor hen, als zij dat zou wezen voor de middenstandsbevolking van eenige stad in Nederland, Engeland of Frankrijk. Toen zij deze "landbouw-kolonie" in de wildernis had gevestigd, was de Regeering tevreden en bekommerde zij zich over de kolonisten niet langer.

Zij wist met zekerheid, dat zij zouden sterven, maar voorzag wellicht niet, dat de onbarmhartige wijze, waarop zij aan stervensgevaar werden blootgesteld, door betrouwbare getuigen zou worden beschreven en aan de beschaafde wereld bekend gemaakt. Hier is het getuigenis van een inwoner van Konia. Het is gedagteekend 3 September 1915 en beschrijft het geheele verloop van het misdrijf in de Anatolische Woestijn.

"Te Eski Shehir bevinden zich van 12.000 tot 15.000 bannelingen in de velden bij het station, klaarblijkelijk in grooten nood en kommer. De meerderheid is zonder eenige beschutting, en waar zij eenige beschutting hebben, bestaat dezelve uit de meest eenvoudige soort tenten, geimproviseerd uit een paar stokken, soms gedekt met vloerkleedjes of tapijten, maar meestal slechts met

pagina 76

katoenen stoffen, niet de minste bescherming opleverende tegen de zware herfstregens, die weldra te verwachten zijn..."

"Maatregelen om hun voedsel te verstrekken zijn niet genomen. Zij zelf schijnen zoo goed als niets te hebben om in hunne behoeften te voorzien. Er zijn ongeveer 30 of 40 sterfgevallen daags."

"Te Alayund waren ongeveer 5000 bannelingen in denzelfden toestand. Zij kwamen voor het meerendeel uit Broessa, en degenen, met wie ik kon spreken, vertelden allen hetzelfde. In twee weken tijds had de Regeering twee maal eene uitdeeling van brood gehouden, die geen van beiden voldoende waren voor meer dan één dag, en verder was niets gegeven. Ik zag zelf de politie de menschen slaan met zweepen en stokken, toen een paar van hen, op geheel ordentelijke wijze, beproefden te spreken met eenige van hunne medebannelingen in den trein."

"Te Tsjai zag ik er nog een paar duizend in denzelfden staat. Een zware regen was te Tsjai gevallen, en had veel lijden, ziekte en dood veroorzaakt, inzonderheid onder de kinderen..."

"Momenteel zijn er in Konia ongeveer 10.000 Armenische vluchtelingen... De menschen zijn voor het meerendeel gekampeerd op de velden bij het spoorwegstation. Men kan zelfs geen paar schreden door het kamp doen, zonder overal zieken te zien liggen. Niet de minste sanitaire voorzieningen zijn getroffen. De toestand is rijp voor een epidemie."

pagina 77

Een brief, vijf dagen later geschreven – 8 September – schildert het lijden te Konia zelf in meer bijzonderheden.

"De bannelingen zijn hier gekampeerd op de open velden bij het spoorwegstation. Geene beschutting wordt verstrekt. Zij beproeven zelf tenten te maken van vloerkleeden, ruwe matten, jassen, zakken, beddelakens, katoenen stoffen, tafellakens, zakdoeken, welke zaken ik alle heb zien gebruiken. Geen sanitaire voorzieningen. Diarrhee en dysenterie komen veel voor."

"De zweep en de knods zijn bij de politie dagelijks in gebruik, ook voor vrouwen en kinderen. Bedenk eens wat het zeggen wil voor menschen, waarvan vele beschaafd, welopgevoed en verfijnd zijn, om door ruw volk als honden te worden voortgedreven. Ik heb vrouwen gezien, die bont en blauw waren geslagen. Aan het station waren bevriende lieden bezig eene vrouw met gebroken dij te helpen met de bedoeling... om haar naar het hospitaal te brengen. De Commissaris van Politie kwam voorbij en beval, dat zij weer in den wagen moest worden gesleept. Gisteren werd een jongen in het kamp hier door een politieagent op het hoofd geslagen en gedood. De Geestelijke van de Kerk te Nicodemië was met een zweep geslagen en had een gapende wond in zijn voorhoofd ten gevolge van een slag met een knods. Gedurende de laatste vier dagen kwam een stroom van inwoners der dorpen boven Bagsjejik binnen, zoodat het kamp vol raakt. Zij worden hier in deze brandende hitte zoo maar neergezet, zonder

pagina 78

eenige bescherming, en met een zóó onvoldoende watervoorziening, dat er een voortdurend gedrang is bij de fontein om de kruiken te vullen. De ziekte onder hen is hartbrekend. De vloer van onze apotheek ligt den geheelen dag vol met zieken in alle stadiums."

Dit was de laatste halte voor Sultanieh – de nieuwe "landbouw-kolonie" te midden der woestijn.

Maar Sultanieh was bij lange na niet het ergste der knekelhuizen, waartoe het overschot van het Armenische ras verwezen werd. Het meerendeel had een langeren tocht naar het Zuid Oosten te maken, en werd geconcentreerd te Aleppo; de hoofdstad van Noordelijk Syrië, om over de verder af liggende Arabische Provinciën te worden verspreid.

Tusschen de klimaten van Anatolië en Arabië, de Noordwestelijke helft van het Ottomaansche Rijk en het aangrenzend Zuidoostelijk deel, bestaat een zeer sterk contrast. De Anatolische hooglanden komen physiografisch overeen met Europa, en de Armeniërs, die deze hooglanden bewonen, zijn niet alleen Europeanen wat hunne beschaving betreft, maar zijn gewend aan een klimaat, dat op alle punten van beteekenis met

pagina 79

het Europeesche overeenstemt – het zelfde klimaat als dat van het Balkanschiereiland of van Oostenrijk-Hongarije. Maar wanneer men de laatste rij dier hooglanden afdaalt of den Eufraat volgt langs al zijn nauwe kloven en doorgangen van de Armenische bergen naar de Mesopotamische vlakten, komt men eensklaps van uit Europa in de tropen. Men bevindt zich in Arabië, een uitgestrekt amphitheater, dat geleidelijk naar het Zuid Oosten afhelt naar de Perzische Golf en overgaat tot een van de meest zwoele, drukkende landstreken der aarde. Dit amphitheater is in den loop der eeuwen het tooneel van vele gruwelijke drama's geweest, maar toch wellicht van geen zoo gruwelijk als het treurspel, dat er nu wordt afgespeeld waarin een verzengend klimaat als een doodsvonnis wordt opgelegd aan de Armeniërs, die, uit hunne woonsteden in de gematigde luchtstreek van het Noorden, daarheen zijn vervoerd.

Hier is het verhaal van een inwoner van Aleppo, die hen door die stad in troepen naar hun noodlot zag voeren.

Het afschuwelijk gerucht van hunnen pelgrimstocht was hunne aankomst voorafgegaan, en "in het eerst," zegt hij, "werd aan die verhalen niet veel geloof geslagen, maar, daar er nu zoo veel

pagina 80

vluchtelingen te Aleppo aankomen, wordt aan de waarheid ervan niet langer getwijfeld. Op 2 Augustus kwamen ongeveer 800 vrouwen van middelbaren en hoogen leeftijd, vergezeld van kinderen beneden tien jaar, na vijf en veertig dagen onderweg te zijn geweest uit Diyarbekir te voet aan, in den meest erbarmelijken toestand, dien men zich voorstellen kan. Zij vertellen van roof van al de jonge vrouwen en meisjes door de Koerden, van diefstal van hunne laatste penningen en al wat zij verder nog bezaten, van hongerdood, ontberingen en lijden van allerlei aard. Hun beklagenswaardige toestand bevestigt hunne verklaringen in alle opzichten."

"Mij is bericht, dat 4.500 personen van Soeghoert naar Ras-el-Ain en meer dan 2.000 van Mezereh naar Diyarbekir gezonden zijn, en dat er geen Armenische bevolking meer aanwezig is in de steden Bitlis, Mardin, Mossoel, Severek, Malatia, Besneh enz., daar de mannen, de knapen en vele der vrouwen gedood zijn, en de overblijvenden over het geheele land zijn verspreid. Indien dit waar is, waaraan bijna niet valt te twijfelen, moeten ook deze natuurlijk sterven van vermoeienis, honger en ziekte. De Gouverneur van Der-el-Zor, die nu te Aleppo is, zegt, dat er in zijne stad 15.000 Armeniërs zijn. Kinderen worden dikwijls verkocht om hongerdood te voorkomen, daar de Regeering zoo goed als geen onderstand verleent."

Op 19 Augustus, den datum van een anderen brief van een hiervan onafhankelijken getuige, was het aantal gestegen tot 20.000.

pagina 81

"Van af 1 Augustus tot op heden zijn er in Aleppo 20.000 aangekomen. De treinen worden meestal geleid op de baan Damaskus-Hama en loopen naar het Zuiden om hunnen inhoud te verspreiden onder de Arabieren en Druzen, terwijl aan een klein gedeelte werd toegestaan, althans voor het tegenwoordige, te Aleppo te blijven. Zij vertellen allen hartbrekende verhalen van ontbering, mishandeling, diefstal en gruwelen onderweg ondervonden, en, met uitzondering van die uit Aintab * waren er zoo goed als geen mannen, meisjes boven tien jaar of schoone jonge gehuwde vrouwen onder hen. Reizigers uit het binnenland hebben schrijver dezes verhaald, dat de gewoonlijk gevolgde paden als omzoomd zijn door de lijken der slachtorffers. Tusschen Oerfa en Arab-Poenar, een afstand van ongeveer 40 Kilometer, zijn meer dan 500 onbegraven lijken langs den weg gezien..."

"De leus is: "Turkije voor de Muzelmannen." Bezadigde, kalme, terzake welingelichte personen, schatten het totaal der verliezen aan menschenlevens tot 15 Augustus op meer dan 500.000. Het betrokken gebied omvat de Provinciën Van, Erzeroem, Bitlis, Diyarbekir, Mamoeret-oel-Aziz, Angora en Sivas, waar de Armeniërs reeds zoo goed als uitgeroeid zijn, zoodat alleen Aleppo en Adana overblijven, waar het bedrijf intusschen ook met spoed wordt voortgezet."

* Dat slechts op geringen afstand ten Noorden van Aleppo ligt.

pagina 82

De ellende te Aleppo werd evenwel zoo groot, dat zij alles wat gebeurd is in Cilicië en de verdere Noordelijke Provinciën in de schaduw stelde. Wij kunnen den indruk, dien deze ellende maakte op een inwoner van Mersina, zien uit een brief van 22 September, waarin hij de verschrikkingen in zijn eigen district beschrijft:

"Het aantal Armeniërs weggezonden uit de Adana landstreek," zoo begint hij, "bedraagt nu ongeveer 25.000, de vele duizenden, die uit het Noorden komen en hier doortrekken niet meegeteld. De ellende, het lijden en de ontberingen van deze menschen zijn onbeschrijfelijk. De sterfgevallen zijn ontelbaar. Honderden kinderen worden voortdurend verlaten door hunne ouders, die ze niet langer kunnen zien lijden, of de kracht niet meer hebben ze te verzorgen. Vele van hen worden aan den kant van den weg achtergelaten, en men hoort zelfs van gevallen waarin zij uit de raampjes der spoorwagens zijn geworpen. Kleingeestige wreedheden van politie en ambtenaren maken den treurigen toestand dezer menschen nog erger. En toch," zoo gaat hij voort, "worden de toestanden in deze streek nog gematigd genoemd vergeleken bij die tusschen Osmanieh en Aleppo, waar de opeengehoopte massa's en het gebrek aan alle hulpmiddelen het probleem om deze menschen te voeden en te vervoeren tot eene onmogelijke taak maakt..."

pagina 83

In den steek gelaten, om van honger om te komen, zooals de straathonden van Konstantinopel! Dat was het lot, waarvoor die gedeporteerde Armeniërs zoo vele honderden mijlen van lijden hadden moeten afleggen. Hun voorlaatste verblijf in die stad aan de Moerad Soe (wij hebben hierboven eene beschrijving door een ooggetuige aangehaald) moet aan vele van hen wel het toppunt hunner ellende hebben toegeschenen. Maar hier te Aleppo leden zij nog meer, en het allerergste moest nog komen. De onheilspellende naam Der-el-Zor leidt ons tot dat allerergste in. Aleppo ligt in eene oase der woestijn, en de rivier, die deze oase besproeit, lost zich op in moerassen ongeveer ééne dagreize ten Zuid Oosten der stad. Deze draslanden werden aan de eerst aangekomenen toegewezen, maar waren niet uitgestrekt genoeg voor zoo'n groot aantal, en de latere ploegen werden vijf dagreizen verderop gezonden, naar de stad Der-el-Zor, de hoofdstad van de volgende Provincie, als men den Eufraat stroomafwaarts volgt, waar de rivier naar de Perzische Golf vloeit door de verzengende steppen van het Arabisch terrasland.

pagina 84

Op die laatste marschen kregen de slachtoffers verwisseling van folteraars. De Koerden bleven in het heuvelland achter en de Arabische Bedoeïnen namen hun rol over. "Het ware dezen armen slachtoffers van de lusten en den haat hunner onderdrukkers beter geweest, in hun bergachtig vaderland door een kogel gedood te zijn, dan op die wijze door het geheele land te worden rondgesleept. Vele honderden zijn van honger of mishandeling onderweg omgekomen, en bijna allen zijn op het punt te bezwijken van honger, van dorst, of ten gevolge van roof door de Anazeh-Arabieren in de woestijn, waarheen zij gebracht zijn." – Arabieren, die zelf dikwijls van honger omkomen in die wildernis waar zij inheemsch zijn, zoo als een ander getuige zegt. En zoo kwamen zij te Der-el-Zor.

Wij bezitten een uitvoerig verslag van hetgeen te Der-el-Zor gebeurt uit een bijzonder vertrouwbare bron, – het getuigenis van Fräulein L. Möhring, eene Zwitsersche zendelinge uit Bazel. Fräulein Möhring is persoonlijk getuige geweest van het lijden der Armeniërs te Der-el-Zor, en heeft hare beschrijving daarvan openbaar gemaakt in de "Sonnenaufgang" (Zonsopgang), het orgaan van den

pagina 85

"Deutscher Hilfsbund für Christliches Liebeswerk im Orient" (Duitsche Hulpsbond voor Christelijk Liefdewerk in het Oosten). Hier zijn eenige uittreksels uit haar verhaal.

"Te Der-el-Zor, een groote stad in de woestijn, ongeveer zes dagen rijdens van Aleppo, zagen wij een groote Khan, waarvan al de kamers, het dak en de warandes volgepropt waren met Armeniërs, meest vrouwen en kinderen, en enkele oude mannen. Zij hadden op hunne dekens geslapen waar zij maar eenige schaduw hadden kunnen vinden..."

"Voor deze bergbewoners is het klimaat der woestijn verschrikkelijk, Den volgenden dag bereikte ik een groot Armenisch kamp van uit geitenvellen vervaardigde tenten; maar de meeste dier ongelukkige menschen sliepen buiten in de zon op het gloeiende zand. De Turken hadden hun een dag rust gegeven wegens het groote aantal zieken. Aan hunne kleeding was duidelijk te zien dat zij welvarende lieden waren geweest; zij waren afkomstig uit Geben, een ander dorp bij Zeitoen, en werden geleid door hun godsdienstig hoofd. Het kwam dagelijks voor, dat vijf of zes van de kinderen dier menschen langs den weg stierven. Zij waren juist bezig eene jonge vrouw te begraven, de moeder van een negenjarig meisje, en zij smeekten mij dit meisje met mij mede te nemen."

"Zij, die van de woestijn geen ondervinding hebben, kunnen zich het lijden niet voorstellen

pagina 86

van zulk een tocht – een heuvelachtige woestijn zonder schaduw, loopen over ruwe en scherpe rotsen, en niet in staat om den brandenden dorst te lesschen met het modderige water van den Eufraat, die zijn kronkelenden loop steeds in de nabijheid vervolgt."

"Den volgenden dag bereikte ik een ander kamp van deze Armeniërs uit Zeitoen. Daar was het zelfde onbeschrijfelijk lijden, het zelfde verhaal van ellende. "Waarom dooden zij ons maar niet in eens?" vraagden zij. "Dagen achtereen hebben wij geen water om te drinken, terwijl onze kinderen om water schreien. Des nachts vallen de Arabieren ons aan, zij stelen ons beddegoed en onze kleeren, die wij bij elkaar hebben kunnen krijgen; zij voeren onze meisjes met geweld mede en onteeren onze vrouwen. Als eenigen van ons niet in staat zijn om te loopen, worden zij door het geleide-konvooi der gendarmes geslagen. Sommige van onze vrouwen storten zich zelve van de rotsen in den Eufraat om hare eer te redden, soms met hare kinderen in hare armen."

Wij lezen dezelfde gruwelen in het kort in een artikel (hierboven reeds aangehaald), hetwelk Professor Hagopian schreef in het blad "Armenia" van Marseilles, op 1 September, 1915:

"Deze ongelukkige gedeporteerden (voor het meerendeel te Zeitoen thuisbehoorend) zijn hoofdzakelijk neergezet op twee plaatsen; één gedeelte

pagina 87

in eene moerassige streek, die tot nog toe onbewoond was wegens de doodelijke malaria, terwijl de overigen gezonden zijn naar een nog ongezonder plaats in de richting van de Perzische Golf (n.l. Der-el-Zor), zoo ongezond, dat zij gesmeekt hebben om naar de moerassen te mogen worden overgeplaatst; maar hun verzoek is afgewezen."

En toch was in die moerassen niets anders te vinden dan de dood.

"De malaria richt groote verwoestingen onder hen aan door het volslagen gebrek aan voedsel en beschutting. Welk een wreede ironie is het te denken, dat de Regeering beweert hen hier te zenden om eene kolonie te stichten: en zij hebben geen ploegen, geen zaad, geen brood, geen huizen; zij worden feitelijk met ledige handen gezonden." (R.A.C.)

"In het eerst, toen de vluchtelingen naar Aleppo kwamen," vertelt de zelfde getuige, "kocht de Christelijke bevolking voedsel en kleeren voor hen; maar de Vali verbood alle gemeenschap met de vluchtelingen, bewerende dat zij alles hadden wat zij behoefden. Een paar dagen later konden zij weer wel de hulp krijgen, die zij noodig hadden." Met andere woorden, het plan der Regeering was omver geworpen door den aandrang der plaatselijke Christenen – echter niet voor langen tijd.

pagina 88

"De Armenische bevolking van Cilicië, die verbannen is naar de Provinciën Aleppo, Der-el-Zor, en Damaskus, zal zeker van honger sterven;"

"Naar ons bericht is, heeft de Regeering geweigerd zelfs de onbeduidende Armenische koloniën te Aleppo en Oerfa in hare huizen te laten, welke anders misschien hare ongelukkige broederen, die verder zuidwaarts zijn gedreven zouden hebben kunnen helpen; en de Katholikos van Cilicië, die nog te Aleppo is, beijvert zich om allen onderstand, dien wij hem zenden, uit te deelen."

Dit is genomen uit den reeds meermaal aangehaalden brief van 15 Augustus 1915, gericht aan een hooggeplaatst Armenisch geestelijke, op neutraal gebied wonende. Het toont aan hoe de Armenische Katholikos van Cilicië, de voornaamste vertegenwoordiger van zijn volk in de nabijheid, zich inspande, om hulp te verleenen, waar dit aan de plaatselijke Christenen niet was gelukt. En dit wordt bevestigd door een vroegeren brief uit Konstantinopel, van 15 Juni 1915, op 28 Augustus openbaar gemaakt door het te New York verschijnend Armenisch blad "Gotchnag":

"Onder de duizend gezinnen, welke naar Sultanieh gedeporteerd zijn, bevinden zich nauwelijks vijftig mannen. De meesten hebben

pagina 89

den tocht te voet gemaakt, sommige der oude vrouwen en kinderen zijn onderweg gestorven, jonge zwangere vrouwen hebben miskramen gehad, en zijn in het bergland achtergelaten. Zelfs nu, in hun verbanningsoord aangekomen, leveren deze gedeporteerden nog een dozijn slachtoffers dagelijks, den tol betalende aan ziekte en honger. Te Aleppo zijn 36 Turksche Ponden per dag noodig om de gedeporteerden van brood te voorzien. Ge kunt U voorstellen wat hun toestand moet zijn in de woestijnen, waar zelfs de Arabische inboorlingen dikwijls uitgehongerd zijn."

"Eene som gelds is van uit Konstantinopel gezonden aan den Katholikos van Cilicië, die nu te Aleppo is, getuige van de ellende en den nood zijner gemeente. Hier staan de overheden ten minste de uitdeeling van onderstand aan die ongelukkigen toe. Te Sultanieh is het, tot nog toe, onmogelijk geweest eenige hulp binnen hun bereik te brengen, want de Regeering weigert de noodige vergunning, niettegenstaande de pogingen der Amerikaansche Ambassade."

Deze pogingen der buitenlandsche liefdadigheid verflauwden niet, maar werkten weinig uit. Een ander Armenisch blad, de "Bahag," deelt op 9 September het volgende mede:

"Eene Commissie van vijf leden is uit Amerika naar Konstantinopel vertrokken om de in nood zijnde Armeniërs te helpen. De zending zoude wenschen in het binnenland te reizen, om zich ter

pagina 90

plaatse van den feitelijken toestand op de hoogte te stellen en naar bevind van zaken te handelen; maar de Turksche Regeering heeft hare toestemmming geweigerd."

Op die wijze voorkwam de Jong-Turksche Regeering, toen zij het overschot der Armeniërs in hare "landbouw-koloniën" had bijeengebracht, alle maatregelen van bijstand, die, ter elfder ure, nog hare "oplossing" van het "Armenisch probleem" hadden kunnen doen falen.

Aldus is, in groote lijnen, de geschiedenis van hetgeen gebeurde met de Armenische bevolking, welke, nog slechts achttien maanden geleden, in vrede en welvaart leefde in de steden en dorpen over het geheele Ottomaansche Rijk. En in ons verslag hebben wij ons bepaald tot het "normaal" verloop van het misdrijf, tot het schema, zoo als het was in elkaar gezet door de Regeeering te Konstantinopel, en, over het algemeen, ten uitvoer gebracht door hare plaatselijke ondergeschikten. De meer buitensporige wreedheden hebben wij niet vermeld; en toch werd het gemiddelde der gruwelen in vele gevallen overtroffen door de vindingrijkheid van bizonder boosaardig gezinde Gouverneurs of bijzonder ruwe gendarmes. Folteringen, bij voorbeeld,

pagina 91

van eene middeleeuwsche wreedheid hadden dikwijls plaats vóór de slachting der Armenische mannen, en de volgende verklaring van een buitenlandsch ingezetene eener Anatolische stad, wordt bevestigd door vele, minder uitvoerige, toespelingen:

"Op zekeren dag werd ik in een huis geroepen, waar ik een uit de gevangenis afkomstig beddelaken zag, dat in de wasch gegeven was. Met behulp van twee betrouwbare personen, die gedeeltelijk alles zelf hadden gezien, gelukte het mij het ware verloop der zaak te weten te komen."

"De gevangene wordt in eene kamer geplaatst. Gendarmes, twee aan twee aan beide kanten staande, en twee aan het einde der kamer, dienen, elk op zijne beurt, bastinades toe, zoo lang hunne kracht daartoe niet te kort schiet. Ten tijde der Romeinen werden hoogstens 40 slagen gegeven; hier werden evenwel 200, 300, 500 en zelfs 800 slagen toegediend. De voet zwelt op, en barst dan open ten gevolge der vele slagen. De gevangene wordt dan naar de gevangenis en naar zijn bed teruggedragen door de overige gevangenen. Gevangenen, die na deze slagen het bewustzijn verliezen, worden weer bij gebracht door hun koud water over het hoofd te storten."

"Den volgenden dag, of, nauwkeuriger gezegd, den volgenden nacht, daar alle mishandelingen in den nacht plaats hebben te ——, zoowel

pagina 92

als te ——, wordt de geheele bastinade weer voltrokken, niettegenstaande gezwollen voeten en wonden. Ik was toen in ——, maar in die gevangenis waren ook dertig gevangenen, en aller voeten waren in zulk een toestand, dat zij begonnen te branden en afgezet moesten worden, andere waren reeds afgezet. Een jonge man werd in een tijdsverloop van vijf minuten doodgeslagen. Behalve de bastinade werden ook andere behandelingen toegepast, zooals het plaatsen van heete ijzers op de borst." (R.A.C.)*

Maar wellicht de afschuwelijkste afwijking van het officiëele programma werd gepleegd door den Gouverneur van Trebizonde:

"Een aantal lichters zijn, op verschillende tijden, met menschen beladen afgezonden naar ——. Algemeen wordt geloofd dat zulke personen verdronken werden. In de eerste dagen werd een groote caique – of lichter – beladen met mannen, die men veronderstelde leden te zijn van het Armenisch Comité, afgezonden naar ——. Twee dagen later keerde een Russisch onderdaan, een dergenen, die in de boot waren vertrokken, overland terug naar ——, vreeselijk gewond aan het hoofd en zoo zeer de kluts kwijt, dat hij zich niet verstaanbaar kon maken."

* Een ander getuigenis, afgedrukt in het zelfde verslag, verklaart dat de "bastinade veelvuldig werd toegepast, zoowel als de pijniging met vuur (in sommmige gevallen wordt gezegd, dat de oogen werden uitgestoken)." (R.A.C.)

pagina 93

"Al wat hij zeggen kon, was "Boem! Boem!" Hij werd door de overheid aangehouden en naar het gemeentelijk ziekenhuis gebracht, waar hij den volgenden dag overleed. Een Turk zeide, dat die boot niet ver van —— een andere boot met gendarmes had ontmoet, die de mannen doodden en hen allen overboord wierpen. Zij dachten, dat zij allen gedood hadden, maar de Rus, die groot en sterk was, was slechts gewond en zwom ongemerkt naar land. Een aantal zulke caiques hebben —— verlaten, geladen met mannen, en gewoonlijk komen zij na een paar uren weer ledig terug."

Dit verslag is ontleend aan eene verklaring in het Rapport der Amerikaansche Commissie, en het verhaal wordt van tallooze zijden bevestigd. Het heeft door de geheele uitgestrektheid van het Ottomaansche Rijk de rondte gedaan, en de bewijzen ervoor waren dan ook overtuigend genoeg. De zelfde getuige vervolgt zijn verhaal met de beschrijving hoe "een aantal lijken van vrouwen en kinderen onlangs van uit zee zijn aangespoeld op het zandige strand bij de muren van het Italiaansche klooster aan deze kust, en door Grieksche vrouwen begraven werden in het zand, waar zij werden gevonden."

pagina 94

Colofon