Armenische gruwelen – hoofdstuk 3: op weg naar den dood

III – OP WEG NAAR DEN DOOD

In dien staat van doodsangst voor wat de toekomst nog baren zou, werden de troepen Armenische vrouwen op haren weg voortgedreven. Haar uittocht ging gepaard met een zekeren heldenmoed, want er bestond altijd nog eenige mogelijkheid om te ontkomen, hetzelfde alternatief van geloofsafval, dat hare echtgenooten en vaders in verzoeking had gebracht. En voor haar bracht zulk eene verzaking ten minste de zekerheid het leven te behouden, daar de gestelde voorwaarde was onmiddellijke opname in den harem van een Turk.

Het leven te koopen tegen den prijs van haar eer, – de meeste vrouwen schijnen dit te hebben verworpen; en toch, als zij alles vooruit hadden geweten, wat voor haar was weggelegd, hadden zij dit misschien toch nog als het betere deel gekozen. Nu klemden zij zich vast aan deze uiterste kans om ongerept te blijven, en meldden zich voor den tocht aan, – met al te goed vertrouwen aldus haren geleiders in de kaart spelende. De in gevangenissen opgegroeide gendarmes toch hadden volstrekt geen plan om de karavanen intact naar hare bestemming te voeren.

pagina 52

Sommige vrouwen werden aan de schande verkocht nog voor dat de tocht begon. "Een Muzelman verhaalde, dat een gendarme had aangeboden hem twee meisjes te verkoopen voor één medjidieh (ongeveer twee gulden)." Zij verkochten de jongste en mooiste meisjes in ieder dorp, waar zij den nacht doorbrachten; en die meisjes zijn bij honderden verkwanseld in de bordeelen van het Ottomaansche Rijk. Uit Konstantinopel zelf is een overvloed van berichten voorhanden waaruit blijkt dat zij voor een paar guldens op de open markten der hoofdstad werden verkocht; en één bewijsstuk in het bezit van Lord Bryce is afkomstig van een meisje, niet ouder dan tien jaren, dat met dit doel van eene stad in Noordoostelijk Anatolië vervoerd werd naar de oevers van den Bosphorus. Dit waren Christen vrouwen, even beschaafd en verfijnd als de vrouwen van Westelijk Europa, en zij werden tot de meest vernederende slavernij gebracht. En toch waren zij gelukkiger dan hare metgezellen, aan wie zelfs dit middel om aan den verschrikkelijken tocht te ontkomen was ontzegd; en dat waren oude vrouwen, moeders van gezinnen, zwangere

pagina 53

moeders zelfs, die als een kudde werden voortgedreven tot de ondragelijke ontberingen die haar op dien tocht wachtten.

"Vrouwen met kleine kinderen op den arm, of in de laatste dagen van zwangerschap, werden als vee met zweepslagen voortgedreven. Drie verschillende gevallen kwamen te mijner kennis, dat eene vrouw onderweg aan een kind het leven schonk, en, doordat haar ruwe geleider haar tot voortgaan aanzette, aan verbloeding stierf. Sommige vrouwen geraakten zoo volslagen uitgeput en hulpeloos, dat zij hare kinderen langs den weg lieten liggen." (R.A.C.)

Dit laatste is op verschillende plaatsen waargenomen. Een der bewijsstukken maakt melding van eene vrouw, die haar stervend kind in een welput wierp, opdat het aanschouwen van zijn laatsten doodstrijd haar bespaard mocht blijven.* Eene andere vrouw, haast stikkende

* Dit voorval wordt ook verhaald door een getuige uit de eerste hand, die uit het binnenland naar Konstantinopel was gekomen, en wiens algemeene beschrijving der uitzettingen (welke precies overeenstemt met de persoonlijke verhalen, die hier gegeven worden) door Professor Hagopian in het kort is weergegeven in een artikel, op 1 September 1915 verschenen in het te Marseilles uitgegeven blad "Armenia."

pagina 54

in een volgepropten veewagen van den Anatolischen spoorweg, wierp haar zuigeling op de spoorlijn.

"Zes in doodsangst verkeerende moeders, die in een trein van dien spoorweg Konieh voorbijgingen naar eene onbekende bestemming, vertrouwden hare kleine kinderen om ze te redden aan de Armenische families in die stad toe; maar de plaatselijke overheden ontnamen ze aan de Armeniërs en stelden ze in handen van Muzelmannen."

Dit laatste voorval is ontleend aan het vertrouwelijk schrijven aan een hooggeplaatst Armenisch geestelijke, hetwelk hierboven reeds is vermeld; en de getuigenissen van het Rapport der Amerikaansche Commissie geven het nog afgrijselijker weer.

"Een Armeniër vertelde mij dat hij twee kinderen onderweg had achtergelaten, omdat zij niet konden loopen, en dat hij niet wist of zij van koude en honger waren bezweken, of een medelijdende ziel zich hunner had ontfermd of dat zij den wilden dieren ten prooi waren gevallen. Vele kinderen schijnen op die wijze achtergelaten te zijn. Een kind schijnt in een welput te zijn geworpen."

Dit bevestigt het geheel hiervan onafhankelijke getuigenis uit eene andere bron omtrent

pagina 55

het zelfde voorval, en er zijn even krachtige bewijzen voor vele andere incidenten van gelijke gruwelijkheid.

"Ik zag een meisje, drie en een half jaar oud, met niets aan dan een tot lompen gescheurd hemdje. Zij was te voet gekomen. Zij was verschrikkelijk mager en bibberde van kou. In een dergelijken toestand waren trouwens de ontelbaar vele kinderen, welke ik dien dag zag." (R.A.C.)

Hier is de verklaring van een getuige die een van deze karavanen op weg waarnam.

"Zij liepen allen zeer langzaam, de meeste haast bezwijmende ten gevolge van gebrek aan voedsel. Wij zagen een vader loopen met een zuigeling van één dag oud op den arm, en achter hem de moeder, ook loopende, zoo goed en kwaad het ging, voort gedreven door den stok van den Turkschen bewaker. Het was niets ongewoons eene vrouw te zien vallen en dan weer opstaan, door stokslagen aangezet." (R.A.C.)

"Een jonge vrouw, wier echtgenoot gevangen was genomen, werd weggevoerd met haar kindje van vijftien dagen, met één ezel voor al hare bagage. Na anderhalven dag reizens stal een soldaat haar ezel, en was zij genoodzaakt te voet verder te gaan, met haar zuigeling op den arm." (R.A.C.)

Maar het stelen van hare goederen was het ergste niet. Deze arme, uitgeputte, bezwijkende vrouwen werden op ontuchtige wijze van

pagina 56

hare eer beroofd, want allen, wier verkoop aan rijker Muzelmannen den gendarmes niet een paar guldens in den zak had gebracht, waren overgeleverd aan de grover lusten der gendarmes zelven.

"In eene plaats zeide de bevelhebber der gendarmerie ronduit aan de mannen, aan wie hij een groot gezelschap overgaf, dat zij vrij waren te doen wat zij wilden met de vrouwen en meisjes." (R.A.C.)

"De Armeniërs uit een zekere stad gedeporteerd," zegt een ander getuige, die hen zag voorbij gaan, "waren, ten gevolge van hunnen twaalf dagen langen marsch, onherkenbaar... Zelfs in dien beklagenswaardigen toestand zijn verkrachtingen en daden van geweld dagelijks voorkomende dingen." (R.A.C.)

Ouderdom was de eenige reden voor vrijstelling van onteering, en in die karavanen waren zeer bejaarde vrouwen; want noch leeftijd, noch ziekte gaven eenige aanspraak om vrijgesteld te worden van den langzamen dood door middel van deportatie.

"Een vermeldenswaard geval is dat van F.'s zuster. Haar man had vele maanden in ons ziekenhuis dienst gedaan als soldaat-ziekenoppasser. Zij kreeg typhus en werd naar ons ziekenhuis gebracht. Een paar dagen vóór de deportatie werd haar echtgenoot gevangen

pagina 57

genomen en verbannen, zonder eenig onderzoek en zonder eenige schuld. Toen de wijk, waar zij woonden, aan de beurt kwam om te gaan, verliet de moeder haar bed in het ziekenhuis en werd op een ossenwagen geplaatst om mee de gaan met hare kinderen." (R.A.C.)

Men kon er dan ook op rekenen, dat de zieken en bejaarden wel uit zich zelf onderweg zouden bezwijken.

"De vrouwen geloofden, dat zij erger dan den dood tegemoet gingen, en vele hadden vergif in den zak om dat, zoo noodig, te gebruiken. Sommige droegen houweelen en schoppen om diegenen te begraven die, zooals zij vooruit wisten. onderweg zouden sterven." (R.A.C.)*

Soms kwam, onverwacht spoedig, aan hare ellende een einde, wanneer hare folteraars, vroeger dan het voornemen was, aan hun moordlust toegaven. In een klein dorp werd het geheele drama in een enkel tooneel afgespeeld.

"Vijf en veertig mannen en vrouwen werden op korten afstand van het dorp naar het dal gebracht. De vrouwen werden eerst onteerd door de officieren der gendarmerie en daarna ter

* Het zelfde voorval wordt vermeld in een document aan Lord Bryce gezonden. De namen van alle betrokken personen worden in beide verslagen nauwkeurig opgegeven.

pagina 58

beschikking der gendarmes gesteld. Volgens dezen getuige werd een kind gedood door het op een rots de hersenen uit te slaan. De mannen werden alle gedood, en geen enkel persoon uit deze groep van vijf en veertig bleef in het leven." (R.A.C.)

"De gedwongen uittocht van het laatste gedeelte der Armenische bevolking uit een zeker district had plaats op 1 Juni 1915. Al de dorpen, zoowel als drie vierde der stad waren reeds ontruimd. Een geleide van vijftien gendarmes volgde het derde konvooi, bestaande uit 4.000 à 5.000 personen. De prefect der stad had hun eene aangename reis toegewenscht. Maar op een paar uren afstands van de stad werd de karavaan omringd door benden van een rooversstam en een volkshoop van Turksche boeren, gewapend met geweren, bijlen en knodsen. Zij begonnen eerst de gedeporteerden uit te plunderen, allen, tot de zeer jonge kinderen toe, zorgvuldig nazoekende. De gendarmes verkochten aan de Turksche boeren wat zij zelf niet konden meenemen. Na deze ongelukkigen zelfs van hun voedsel te hebben beroofd, vingen zij aan met het vermoorden der mannen, met inbegrip van twee priesters, van wie een negentig jaar oud was. In zes of zeven dagen waren alle mannelijke personen boven de vijftien jaren gedood. Dit was het begin van het einde. Mannen te paard lichtten de sluiers der vrouwen op, en voerden de aanvallige mede." (R.A.C.)

En hier is dezelfde geschiedenis, uit de eerste hand (R.A.C.) verhaald door eene dame, die de

pagina 59

verschrikkingen van dezen moorddadigen tocht zelf meemaakte.

Zij verhaalt hoe het misdrijf begon met het ophangen van den Bisschop en zeven andere notabelen en de slachting in het groot, in een bosch, van ongeveer tachtig mannen, nadat zij eerst gevangen genomen en in de gevangenis gegeeseld waren. "De rest der bevolking werd in drie ploegen weggezonden; ik behoorde tot de derde groep. Mijn man stierf acht jaar geleden, aan mijzelve, mijne moeder en mijn achtjarig dochtertje uitgestrekte bezittingen nalatende zoodat wij onbezorgd konden leven. Sedert de mobilisatie had een Ottomaansch Commandant vrije woning in mijn huis gehad. Hij zeide mij niet te gaan, maar ik gevoelde, dat ik het lot van mijn volk moest deelen. Ik nam drie paarden mee, met eetwaren beladen. Mijne dochter had eenige vijf-lire-stukken om den hals gebonden, en ik zelf had ongeveer twintig lire en vier ringen met diamanten bij mij. Al wat wij verder bezaten werd achtergelaten. Onze ploeg vertrok op 1 Juli (Ouden Stijl), en vijftien gendarmes gingen met ons."

Dan beschrijft zij, in bijzonderheden, één voor één, den onverwachten aanval onderweg, het dooden der priesters en van alle mannelijke personen boven de vijftien jaren. Hare paarden, hare voorwerpen van waarde, haar voedsel – alles werd afgenomen. "Een zeer groot aantal vrouwen en meisjes werden naar de bergen gevoerd, onder wie mijne zuster, wier eenjarig

pagina 60

kind weggeworpen werd. Een Turk raapte het op en bracht het ik weet niet waar. Mijne moeder liep tot zij niet meer loopen kon en viel, op een bergtop, aan den kant van den weg neer. Op den weg vonden wij velen, die tot de vroegere ploegen hadden behoord; onder de gedooden waren eenige vrouwen met hare echtgenooten en zonen. Wij kwamen ook langs sommige oude menschen en kleine kinderen, nog levend, maar in erbarmeelijken toestand, die geschreeuwd hadden tot dat zij hunne stem geheel kwijt waren."

En ook hier bevestigt de vroegere getuige het verhaal precies.

"Op weg," zegt dit andere getuigenis, "kwamen wij voortdurend voorbij vermoorde mannen en jongelingen, alle met bloed besmeurd. Er waren ook vrouwen en meisjes, gedood in de nabijheid van hare echtgenooten of zonen. Op de hoogten der bergen en in de laagten der dalen lagen aantallen oude mannen en kleine kinderen op den grond."

Zij waren op het zelfde spoor als de voorafgegane konvooien, en de zelfde schildering des doods wordt gegeven door getuigen, die den weg van eene andere karavaan volgden, op geringen afstand van haar punt van vertrek.

"Vele personen waren verplicht te voet op weg te gaan, zonder geld en slechts met datgene wat zij uit hunne huizen bij elkander hadden kunnen

pagina 61

verzamelen en op hun rug konden dragen. Zulke menschen waren natuurlijk spoedig zoo verzwakt, dat zij achterbleven, en dan werden zij met de bajonet gedood en in de rivier geworpen, en hunne lijken dreven af naar de zee, of bleven in de ondiepe rivier aan de rotsen vastzitten, waar zij tien of twaalf dagen bleven en tot ontbinding overgingen."

En toch kon men hen, die zelfs zulk een dood vonden, nog gelukkig heeten, want zij ontkwamen aan de steeds toenemende folteringen, die de overlevenden te verduren hadden.

"Het was ons niet geoorloofd des nachts in de dorpen te slapen," zegt de Armenische dame, "maar wij legden ons buiten neder. Onder bescherming der nachtelijke duisternis werden onbeschrijfbare handelingen gepleegd door de gendarmes, de roovers, of de dorpelingen. Velen van ons stierven van honger of tengevolge eener beroerte. Anderen werden aan den kant van den weg achtergelaten, te zwak om verder te gaan." Het andere verslag bevestigt haar verhaal hier weer in bijna gelijkluidende woorden, en voegt er nog aan toe, dat "de menschen zich genoodzaakt zagen gras te eten."

En toch waren er velen die ook toen nog niet bezweken, zoodat de bewakers de rijen met nog afdoender middelen moesten dunnen.

"De ergste en ondenkbaarste verschrikkingen" – zoo gaat de dame voort – "wachtten ons echter

pagina 62

aan den oevers van den (Westelijken) Eufraat (Kara Soe) en de vlakte van Erzindjan. De verminkte lichamen van vrouwen, meisjes en kleine kinderen deden iedereen ijzen. De roovers bedreven allerlei verschrikkelijke dingen met de vrouwen en meisjes, die bij ons behoorden en wier kreten ten hemel stegen. Aan den Eufraat wierpen de roovers en gendarmes al de overblijvende kinderen onder vijftien jaar in het water. Zij die konden zwemmen werden doodgeschoten als zij poogden zich voor verdrinken te vrijwaren."

Maar de verhaalster was gedoemd dit schouwspel te overleven. "Op het volgend gedeelte van den tocht lagen op de akkers en de hellingen der heuvels overal opgezwollen en zwarte lijken, die de lucht met hun stank vervulden en bedierven." Niet vóór den twee en dertigsten dag van hunnen tocht bereikten zij eene plaats, waar tijdelijk halt gehouden werd, en daar eindigt tevens het verhaal.

Wat het verder lot van deze vrouw is geweest is ons niet bekend, want de rustplaats was nog niet halverwege hare eindbestemming, en het is niet mogelijk zich eene voorstelling te maken van het lijden reeds in die eerste maand doorgemaakt. Alleen de physieke wreedheid ervan is al verschrikkelijk – eene dame van teer gestel twee en dertig dagen lang te voet voortgedreven door een bergland, dat tot

pagina 63

de ruwste en onbegaanbaarste der wereld behoort. Om zich de geestelijke foltering te kunnen indenken zou men het zelf hebben moeten meemaken. En dit is slechts één verhaal uit twintigtallen, hier alleen ter vermelding gekozen omdat het met nauwkeurigheid is overgebracht bij monde van twee getuigen, en geenszins omdat het, in welk opzicht ook, eenig zou zijn. Integendeel, dezelfde gruwelen werden bedreven in honderden Anatolische steden en dorpen en langs duizenden mijlen van woeste bergpaden, bedreven en herhaald van af de maand April tot op dit oogenblik toe. En aan de verhalen kan niet getwijfeld worden. Al de verhalen, in het Rapport der Amerikaansche Commissie bijeenverzameld, zijn opgeschreven en bekrachtigd door gezaghebbende personen. En het zijn geen vage aanduidingen of sterk gekleurde generalisaties. Er bestaan natuurlijk vele loopende verhalen van deze gruwelen, behalve deze individueele getuigenissen, maar het is merkwaardig hoe vrij ook die zijn van vaagheid en overdrijving, en, wanneer zij worden vergeleken met de verklaringen uit de eerste hand, ziet men dat zij daarmede, zelfs tot in kleine bizonderheden, overeenstemmen.

pagina 64

Daar is bij voorbeeld Professor Hagopian's overzicht (openbaar gemaakt in de "Armenia" uit Marseilles van 1 September 1915) der algemeene indrukken van een getuige, die kort geleden uit het binnenland van Anatolië naar Konstantinopel was gekomen. Hij beschrijft, sober en nauwkeurig, hoe de ploegen gevangenen over de bergen worden gedreven, de slagen der gendarmes, het geboren worden van kinderen onderweg, het bezwijken van uitputting der moeders en oude mannen, en zelfs het voorval der vrouw, die haar zuigeling in een welput wierp (zie bladzijde 55 hierboven).

De eenigszins langere beschrijving, gegeven in den brief aan een hooggeplaatst Armenisch geestelijke, op neutraal grondgebied wonend, is zoo merkwaardig door hare overeenstemming, dat enkele gedeelten ervan ter illustratie verdienen te worden aangehaald.

"In vier Provinciën," zegt deze brief, "verleenden de plaatselijke overheden eenige tegemoetkomingen aan de tot deportatie veroordeelden, – vijf of tien dagen respijt, verlof tot gedeeltelijken verkoop hunner eigendommen en het voorrecht, dat verschillende gezinnen onder elkaar één wagen konden huren; – maar, na verscheidene dagen lieten de voerlieden hen op den weg in den steek en keerden naar de stad terug. De aldus gevormde

pagina 65

karavanen ontmoetten op haren weg, soms één dag, soms vele dagen na haar vertrek, troepen roovers of Muzelmansche boeren, die hun alles ontstalen. De troepen roovers kwamen spoedig op zeer broederlijken, vriendschappelijken voet met de gendarmes, en doodden de weinige mannen en knapen, die deel der karavaan uitmaakten. Zij voerden de vrouwen, meisjes, en kinderen mede, de oude vrouwen alleen achterlatende, die met zweepslagen door de gendarmes werden voortgedreven en op den weg van honger omkwamen. Een getuige uit de eerste hand verhaalt ons, hoe de vrouwen, uit een zekere Provincie gedeporteerd, na verscheidene dagen werden achtergelaten in de vlakte van Kharpoet, waar zij alle van honger stierven (vijftig of zestig per dag) en dat de overheid alleen maar een paar menschen zond om hen te begraven, ten einde de gezondheid der Muzelmansche bevolking niet in gevaar te brengen..."

"De karavanen vrouwen en kinderen worden vóór de Regeeringsgebouwen tentoongesteld in iedere stad of dorp waar zij door trekken, opdat de Muzelmannen hunne keuze kunnen doen. "

"De karavaan afgezonden uit [dezelfde stad waaruit de dame was gedeporteerd, wier verhaal wij hierboven hebben aangehaald] werd op die wijze gedund, en de vrouwen en kinderen, die nog overbleven, werden in den Eufraat geworpen op de plaats genaamd Kemakh-Boghazi, even buiten Erzindjan."

pagina 66

Deze zinsnede is bijzonder belangrijk, daar zij gebeurtenissen verhaalt, voor welke wij reeds de verklaring bezitten van twee, geheel van elkander onafhankelijke, getuigen uit de eerste hand. Ieder die het cursief gedrukte vergelijkt met het onmiddelllijk daarboven vermelde, afkomstig van de Armenische dame en haar medeslachtoffer, zal zien dat het loopend verhaal – de geschiedenis zooals zij de rondte doet door het binnenland van Anatolië en doordringt tot in Konstantinopel en Marseilles – stellig niet overdreven is. Het is zelfs minder huiveringwekkend, minder in uitersten vervallend, dan de getuigenis uit de eerste hand, en de aldus bewezen soberheid der algemeene geruchten, waar het een geval betreft waarin wij dezelve op de proef kunnen stellen, kan niet anders dan ons geloof versterken voor gevallen waar de aangehaalde feiten alleen door getuigenis uit de tweede hand worden gestaafd.

Die getuigenissen uit de tweede hand zijn evenwel eigenlijk overbodig. De getuigenissen uit de eerste hand zijn talrijk genoeg, en overtuigend genoeg, om op zich zelf eene grondige uiteenzetting van het misdrijf te geven. Het

pagina 67

zijn concrete verklaringen, overal versterkt door de namen van welbekende personen, die of de gruwelen hebben bijgewoond, of er de slachttoffers van zijn geweest. Voorzichtigheidshalve moesten die namen weggelaten worden; maar iedereen, die een blik slaat in het Rapport der Amerikaansche Commissie, zal aan het aantal open gelaten plaatsen, waar namen zouden behooren te staan, zien, hoe rechtstreeksch en persoonlijk die verklaringen zijn.

Bovendien, komen de getuigenissen van vele, van elkaar onafhankelijke, zijden. Van de stad, waar de tocht der Armenische dame werd onderbroken, hebben wij het verhaal van een buitenlandsch ingezetene dier stad, burger van een neutralen staat. Het is eene stad aan den Oostelijken Eufraat (Moerad Soee), een plaats, waar de wegen van Noord tot Zuid samenkomen, en waarlangs een zeer groot aantal konvooien bannelingen kwamen.

"Indien," schrijft deze ingezetene, "het alleen maar beteekende de verplichting om van hier weg te gaan naar een ander oord, zou het niet zoo erg zijn, maar iedereen weet, dat het een kwestie is van den dood tegemoet te gaan. Als daaromtrent eenige twijfel bestond, is die opgeheven door de aankomst van een aantal ploegen, samen vele duizenden

pagina 68

menschen tellende, uit Erzeroem en Erzindjan. Ik heb vele malen hun kamp bezocht en met sommige dier menschen gesproken. Zij zijn bijna zonder uitzondering in lompen gekleed, vuil, hongerig en ziek. Dat is niet te verwonderen, als men bedenkt, dat zij bijna twee maanden onderweg zijn geweest, zonder van kleederen te kunnen verwisselen, zonder mogelijkheid zich te wasschen, zonder onderdak, en zonder voldoende voedsel. De Regeering heeft hun hier een karig rantsoen toebedeeld. Ik heb hen eens gadegeslagen toen hun voedsel gebracht werd. Wilde beesten konden niet erger zijn. Zij bestormden de bewakers, die het eten aanbrachten, en de bewakers dreven hen met knodsen terug, hard genoeg slaande om er soms eenigen te dooden. Als men ze gadesloeg kon men ternauwernood gelooven dat het menschelijke wezens waren."

"Wanneer men door het kamp wandelt bieden moeders hare kinderen aan, smeekende ze toch maar aan te nemen. De Turken hebben dan ook hunne keuze uit die kinderen en meisjes reeds gedaan, voor slavernij of erger. Zij hebben zelfs hunne dokters hier laten komen om de meisjes te onderzoeken, die hun het meest aanstonden, zoodat zij zeker waren wezenlijk de beste te nemen."

"Er zijn zeer weinig mannen bij, daar de meeste mannen onderweg zijn gedood. Allen verhalen het zelfde, namelijk dat zij door de Koerden zijn aangevallen en bestolen. De meesten werden herhaaldelijk aangevallen en een zeer groot aantal, hoofdzakelijk mannen, werden gedood. Vrouwen

pagina 69

en kinderen zijn evenwel ook vermoord. Natuurlijk stierven velen onderweg, ten gevolge van ziekte en uitputting, en iederen dag, dien zij hier hebben doorgebracht, hebben sterfgevallen plaats gehad. Vele verschillende ploegen zijn aangekomen en zijn, na een paar dagen oponthoud, weer verder voortgedreven, zonder dat van eenig bestemmingsoord bleek. De hier aangekomenen vormen evenwel slechts een klein gedeelte van hen, die zijn vertrokken. Door maar steeds voort te gaan de menschen op die wijze voort te drijven, zal het mogelijk zijn zich in een betrekkelijk korten tijd van allen te ontdoen."

"Onder degenen, met wie ik gesproken heb, waren drie zusters. Zij hadden hare opvoeding genoten te —— en spraken uitstekend Engelsch. Zij zeiden, dat hare familie de rijkste was in —— en uit vijf en twintig personen bestond toen zij vertrokken, maar daarvan leefden er nu nog slechts veertien. De andere elf, met inbegrip van den echtgenoot van een der zusters, en hare oude grootmoeder, waren voor hare oogen vermoord door de Koerden. De oudste mannelijke overlevende der familie telde acht jaar. Toen zij —— verlieten hadden zij geld, paarden en persoonlijk bezit, maar zij waren van alles beroofd geworden, zelfs van hare kleeding. Zij zeiden, dat sommige van haar geheel naakt waren uitgekleed, terwijl aan anderen slechts een enkel kleedingstuk was gelaten, en, toen zij een dorp bereikten, hadden de gendarmes zich kleederen voor haar verschaft van eenige der dorpsbewoonsters."

pagina 70

"Een ander meisje, met wie ik sprak, is de dochter van den Protestantschen geestelijke te ——. Zij zeide, dat alle leden harer familie, die haar vergezelden, gedood waren, en dat zij dus geheel alleen was overgebleven. Deze en nog enkele andere personen zijn een paar overlevenden van de betere klasse der uitgebannenen. Zij verblijven in een verlaten schoolgebouw even buiten de stad, dat niemand mag binnentreden. Zij zeiden, dat zij feitelijk gevangenen waren, ofschoon hun werd toegestaan zich naar een bron te begeven even buiten het gebouw. Het was daar dat ik hen toevallig zag. Al de anderen zijn gekampeerd op een groot open veld, zonder eenige beschutting tegen de zon.

"De toestand van deze menschen geeft een denkbeeld omtrent het lot dergenen, die van hier vertrokken zijn of nog zullen vertrekken. Ik geloof, dat van niemand hunner nog iets naders gehoord is, en waarschijnlijk zal ook wel weinig omtrent hen worden vernomen. Het gevolgde stelsel schijnt hierin te bestaan, dat men troepen Koerden gereed heeft om ze op weg op te wachten, ten einde inzonderheid de mannen, doch soms ook wel, incidenteel, de anderen te dooden. De geheele beweging schijnt de meest grondig georganiseerde en doeltreffende uitmoording te zijn, die dit land ooit heeft gezien."

Dit is de uitspraak van een ooggetuige, die het stelsel der Ottomaansche Regeering in volle werking zag. Hij aanschouwde in de twintigste eeuw na Christus dezelfde gruwelen, die

pagina 71

in deze streken gepleegd werden zes of acht eeuwen vóór het Christelijk tijdperk. Wanneer wij lezen, dat de Assyrische of de Babylonische Regeering het een of ander verslagen volk, of den een of anderen onderworpen stam "in gevangenschap voerde," dringt de juiste beteekenis daarvan ternauwernood tot ons door. Zelfs wanneer wij de geheele toedracht der zaak met scherp realisme zien afgebeeld op de basreliefs der veroveraars, wordt onze verbeelding nog niet tot ontroerens toe getroffen. Maar thans weten wij het. Het is gebeurd in onze wereld, en de misdaad van den Assyriër was niet zoo satanisch boosaardig als die van den Turk. "Georganiseerde en doeltreffende uittmoording" – dat is het, wat zulk eene deportatie beduidt, en dat moet er altijd de beteekenis van zijn geweest. Maar de Assyriër gaf ten minste aan de overblijvenden eenige levenskans aan het einde van hunnen tocht. Zij kregen huizen en landerijen en schonken in de ballingschap dikwijls aan eene nieuwe gemeente het aanzijn. De Turk was meer consequent in zijne wreedheid. Deze menschen moesten worden gedeporteerd naar hunnen dood, en niets ter wereld mocht hun uitredding verschaffen. "Ik geloof, dat niets naders gehoord

pagina 72

is van degenen, die van hier zijn vertrokken, en dat waarschijnlijk ook wel weinig omtrent hen vernomen zal worden," zegt de getuige. Ongelukkigerwijze vergiste hij zich. Zeker moeten de meesten van hen, die uit het verre Noorden over de bergen zijn gedreven, op hun verschrikkelijken tocht zijn omgekomen, zooals hij veronderstelde. Maar daar waren anderen uit Cilicië en Noordelijk Syrië, die een korteren afstand hadden af te leggen, en deze menschen waren niet zoo gelukkig onderweg te sterven. Zij waren gereserveerd voor het laatste en meest afgrijselijke tooneel van het drama.

pagina 73

Colofon