Armenische gruwelen – hoofdstuk 2: het plan der moorden

II – HET PLAN DER MOORDEN

Toen Turkije zich in den Herfst van 1914 bij de oorlogvoerenden aansloot, verergerde het lot der Armeniërs aanvankelijk niet. De politiek der Jong-Turken had weliswaar den last van militaire dienstplicht aan de Christen, zoowel als aan de Muzelmansche bevolking opgelegd, maar dat kon eigenlijk beschouwd worden als een voorrecht, als eene erkenning der gelijkheid van alle Ottomaansche burgers voor de wet. Bovendien hadden vele Armeniërs, door het betalen eener geldsom, vrijstelling van dienst verkregen. Het is reeds vermeld, doch er kan niet genoeg nadruk op worden gelegd, dat het ras vlijtig en welvarend was, en zich wijdde aan de werken des vredes. Het telde een groot aantal hoogst ontwikkelde mannen en niet weinig ontwikkelde vrouuwen, die onderwijs hadden genoten in de scholen en universiteiten van Europa, of in de uitmuntende inrichtingen van onderwijs der Amerikaansche Missies; en het verschafte aan Turkije de klasse van denkers en uitvinders, onderwijzers, handelaren en handwerkslieden, welke aan een land zijne geestelijke

pagina 34

kracht geeft.* De oorlog was gericht tegen Christelijke Mogendheden, en ondernomen door hen die, slechts vijf jaren geleden, hunne broederen te Adana hadden vermoord. Voor de Armeniërs was het dus geen oorlog van patriotisme, en zoo bleven vele Armenische mannen rustig tehuis, en toen aan degenen, die voor militairen dienst waren aangewezen, op bevel der Regeering de wapenen werden ontnomen, en zij in arbeids bataljons werden ingedeeld om aan de wegen te werken, is het niet waarschijnlijk dat zij zich over die verandering van taak beklaagd hebben. Zoo ging de Winter voorbij, zonder voorgevoel van wat de Lente brengen zou.

Maar middelerwijl was de Regeering te Konstantinopel – indien Regeering niet een te vleiende naam is voor Enver, Talaat en de overigen van dat "Comité van Vereeniging en Vooruitgang," hetwelk Lord Bryce terecht heeft beschreven als een "bende van gewetenlooze schurken" – die beginsellooze en alvermogende

* In Rusland hebben vele Armeniërs zich in den oorlog onderscheiden, bijvoorbeeld Prins Bagration, Napoleon's tegenstander in 1812, en Generaals Melikoff en Lazareff in den Russisch-Turkschen oorlog van 1877-78.

pagina 35

organisatie, bezig hare plannen uit te werken. In April begon zij het beraamde ten uitvoer te brengen.

Het plan omvatte niets minder dan het uitroeien van de geheele Christelijke bevolking binnen de Ottomaansche grenzen. De oorlog toch had de Ottomaansche Regeering tijdelijk bevrijd van het toezicht, hoe onbeduidend dan ook, dat het Concert van Europa had kunnen uitoefenen. De oorlogvoerenden aan de eene zijde waren Turkije's bondgenooten en zeer goede vrienden; en Enver rekende in de toekomst op de door hen beloofde overwinning om zich en zijne medeplichtigen te beschermen tegen de wraak der Westersche Mogendheden en van Rusland, welk rijk zich altijd had gesteld tusschen de kwaadwillige vijandigheid der Ottomaansche Regeering en de hulpeloosheid harer Christen onderdanen. De afschaffing der "Capitulatiën" hief den wettelijken slagboom van buitenlandsche bescherming op, waarachter vele Ottomaansche Christenen een min of meer veilige wijkplaats hadden gevonden. Er bleef nu niets anders te doen dan zich de gelegenheid ten nutte te maken en een slag te slaan, die nimmer herhaling zou behoeven. "Na dezen" zeide Talaat Bey,

pagina 36

toen hij het beslissende laatste sein gaf, "zal er gedurende vijftig jaar geen Armenische kwestie zijn."

Het misdrijf was zeer stelselmatig op touw gezet want het is bewezen, dat in meer dan vijftig plaatsen op volkomen dezelfde wijze is gehandeld. Dit aantal plaatsen is te groot om hier alle bijzonderheden dienaangaande te kunnnen vermelden, maar elk dezer plaatsen* is aangegeven op de hierbij gevoegde kaart, en zij omvatten iedere stad van beteekenis in het eigenlijk Armenië en in Oostelijk Anatolië, zoowel als Ismid en Broessa in het Westen, om van een aantal plaatsen in Thracië te zwijgen. Het heeft geen zin het eentonig verhaal van gruweldaden zoovele malen te herhalen, want de gelijkluidende bevelen van uit Konstantinopel †

* Met uitzondering van zes kleine dorpjes in de Cilicische heuvelen.
† "Ik kon er niet toe komen te gelooven, dat de verdrijving der Armeniërs uit hunne haardsteden was geschied op bevel der Centrale Regeering. Eerst in Konstantinopel vernam ik dit feit, zooals ik daar ook hoorde, dat de dringende stappen, door de Ambassades gedaan, zonder gevolg waren gebleven." – Uittreksel uit een brief (door een Armenisch Protestant aan een Amerikaansch burger geschreven) die op 4 September 1915 door het te New York verschijnend Armenisch blad "Gotchnag" werd openbaar gemaakt.

pagina 37

werden door de plaatselijke overheden met merkwaardige nauwkeurigheid ten uitvoer gebracht. Slechts twee gevallen worden vermeld van ambtenaren, die weigerden de instructies der Regeering uit te voeren. Een daarvan was de plaatselijke Gouverneur van Everek, in het district Kaisarieh, en hij werd onmiddellijk vervangen door een meer inschikkelijk opvolger. Daartegenover staat het antwoord van den Kaimakam van een andere plaats, die op het protest van een Duitsch zendeling antwoordde: "Zelfs al verboden de Wet en de Sultan het, dan zou ik toch het plan ten uitvoer brengen, en doen zooals het mij behaagt!" (Rapport der Amerikaansche Commissie.*) Wat in het algeemeen geschiedde was het volgende:

Op een gegeven dag werden de straten van welke stad het dan ook zijn mocht bezet door de plaatselijke gendarmerie met opgezette bajonet, en de Gouverneur riep alle weerbare mannen van het Armenische ras, die van militairen dienst waren vrijgesteld, op, om zich, op straffe des doods, aan te melden. Weerbaar werd in zeer ruimen zin opgevat, want het

* In het vervolg steeds, kortheidshalve, aangeduid door de letters R.A.C.

pagina 38

omvatte alle mannelijke personen tusschen vijftien en zeventig jaar, en die allen werden door de gendarmes de stad uit geleid. Ver hadden zij niet te gaan, want de gendarmes waren voor de gelegenheid versterkt met gevangenen uit de kerkers, en roovers en vrije Koerden stonden in de bergen te wachten. Zij wachtten daar om de gevangenen te vermoorden. Het eerste het beste ingesloten dal was het tooneel hunner volledige uitmoording, en na het volbrengen hunner taak, marscheerden de gendarrmes op hun gemak naar de stad terug.

Dat was het Eerste Bedrijf. Het sloot de treurige mogelijkheid uit van verzet tegen de Tweede Acte, die van een meer vernuftig uitgedachten en verder strekkenden aard was. Den vrouwen, ouden mannen en kinderen, die de rest der Armenische bevolking uitmaakten, werd nu onmiddellijk aangezegd, dat zij binnen een vastgestelden termijn – eene week wellicht, of tien dagen, maar gewoonlijk eene week en nooit meer dan veertien dagen – zouden worden gedeporteerd. Geheele huishoudens moesten uit hunne woningen worden gezet en gedreven naar eene onbekende plaats van bestemming, terwijl de huizen aan Muzelmannen moesten

pagina 39

worden overgedragen volgens een plan, dat hieronder zal worden beschreven.

Het is haast niet mogelijk zich eene heldere voorstelling te maken van wat zulk een besluit medebracht. Deze menschen waren geen wilden, gelijk de Roodhuiden, die voor den blanke dwars over het vasteland van Amerika terugweken. Zij waren geen nomadisch herdersvolk, zooals hunne barbaarsche naburen, de Koerden. Het waren menschen, die een leven leidden als wij zelf, stedelingen, gedurende een reeks van geslachten in de stad gevestigd, en de voornaamste scheppers harer plaatselijke welvaart. Het waren gevestigde lieden, dokters en advocaten en onderwijzers, zakenmenschen en handwerkslieden en winkeliers, en zij hadden blijvende gedenkteekenen gesticht van hun verstand en hunnen ijver, kostbare kerken en uitnemend ingerichte scholen. De vrouwen waren even gevoelig, even verfijnd, even ongewoon aan ontberingen en grove behandeling als de vrouwen in Europa of de Vereenigde Staten. Ja, zij waren in de nauwste persoonlijke aanraking met de Westersche beschaving, want in vele der Armenische centra, waar het misdrijf werd voltrokken, bestonden

pagina 40

sedert minstens vijftig jaren Amerikaansche Missies en Scholen, en zij gingen op vertrouwelijken voet om met de hoogstaande mannen en vrouwen, die deze inrichtingen bestuurden.

Gemeenten als deze, door algemeenen dienstplicht of volslagen uitmoording beroofd van hunne echtgenooten en vaders, werden nu als het ware met wortel en al, uit den grond gerukt en onder de treurig hulpelooze leiding der moeders en grijsaards in eene verbanning gedreven die zou eindigen met een onbeschrijfelijk verschrikkelijken dood.

Een enkel klein kansje tot ontkoming was er, afval des geloofs, maar het stond niet aan dat middel al te gretig aan te pakken. Ook in 1895 had dit middel opengestaan, en de mannen van eene stad aan den Eufraat trachtten thans het te baat te nemen om aan hun noodlot te ontkomen.* Doch hun wanhopig aanbod werd geweigerd; en in eene andere stad in Anatolië werd het alleen aangenomen op de onmenschelijke voorwaarde, dat zij hunne kinderen beneden de twaalf

* Hopende in betere tijden weer tot het Christelijk geloof terug te keeren.

pagina 41

jaren aan de Regeering zouden overleveren om in onbekende "weeshuizen" opgevoed te worden in het geloof der Muzelmannen.

Natuurlijk bestonden die weeshuizen alleen in de verbeelding. Er waren evenwel Derwischen-kloosters, wezenlijk bestaande en verschrikkelijk genoeg. De Derwischen zijn gemeenschappen van fanatieke Mohamedaansche geloofsijveraars, van wie vele een zwervend leven leiden in het binnenland van Anatolië – een barbaarsch overblijfsel van den primitieven godsdienst. Hun werd toegestaan uit de jonge Armenische knapen hunne keus te doen, en een van Lord Bryce's berichtgevers beschrijft hoe troepen Derwischen de karavanen uitgezette Armeniërs op hun weg ontmoetten en van angst gillende kinderen meevoerden om ze in hunne wilde broederschap als Muzelmannen op te voeden.

In ééne plaats "werd een plan gevormd om de kinderen te redden, door hen in scholen of weeshuizen te plaatsen, onder de zorgen van eene commissie, ingesteld en gesteund door den Griekschen Aartsbisschop, waarvan de Vali voorzitter en de Aartsbisschop ondervoorzitter

pagina 42

was, met drie Mohamedaansche en drie Christelijke leden." (R.A.C.) Maar het plan moest op bevel van hooger hand worden opgegeven; en "vele der knapen schijnen naar een ander district vervoerd te zijn geworden ten einde onder de boeren te worden verdeeld. De mooiste der oudere meisjes worden in huizen gehouden, ten pleiziere van leden der bende, die hier het bewind voert. Uit goede bron verneem ik, dat een lid van het "Comité van Vereeniging en Vooruitgang" alhier tien van de schoonste meisjes in een huis in het centrum der stad heeft, ten dienste van zich zelf en van zijne vrienden." (R.A.C.)

Het te Tifiis verschijnend Armenisch blad "Horizon" vermeldde in zijn nummer van 4 September (22 Augustus Ouden Stijl):

"Een telegram uit Boekarest meldt, dat de Turken van uit Anatolië per spoor vier goederenwagens hebben af gezonden vol Armenische weezen uit het binnenland van dit gewest, om ze onder de Mohamedaansche gezinnen te verdeelen."

Zoo was het lot, beschoren aan de Armenische kinderen, die nog jong genoeg waren voor eene dusdanige assimilatie; maar zelfs zulk een offer "onthief" de ouders die er in toestemden alleen van onmiddellijke terdoodbrenging, niet van de langzamer werkende marteling der deportatie.

pagina 43

Slechts van ééne plaats hooren wij, waar den slachtoffers het uitzicht werd geopend zich geheel vrij te koopen door den Islam voor zich zelf en hunne gezinnen aan te nemen. Hier verklaart de getuige: "De kantoren der advocaten, die de aanvragen boekten, werden bestormd door menschen, die verzochten Mohamedanen te mogen worden. Velen deden het ter wille van hunne vrouwen en kinderen..." (R.A.C.). Maar ook zij ontkwamen niet. Deze bekeerlingen werden, even als de anderen, de stad uit geleid, en nimmer is meer iets van hen vernomen.

Aan het meerendeel der menschen werd zelfs zulk een spelen met hoop op veiligheid niet toegestaan, en de week van respijt was vol hartverscheurende tooneelen. In de laatst genoemde stad "bereidden de menschen zich voor om de bevelen der Regeering op te volgen door op straat al wat zij konden van hun huishoudelijk bezit te verkoopen. Artikelen werden van de hand gedaan voor minder dan tien percent van hunne gewone waarde, en de Turken uit de omliggende dorpepen verdrongen zich in de straten, op jacht naar koopjes." (R.A.C.) In dit geval strafte de Regeering ieder Muzelman, die met geweld

pagina 44

zich van eenig artikel meester maakte, maar in het algemeen waren de autoriteiten zoo nauwgezet en kieskeurig niet. Het zij nog eens herhaald, dat de Armeniërs menschen waren, die eigendommen bezaten, eigendommen, eerlijk verworven door verstand en vlijt, en de behoeftige Muzelman uit de achterbuurten had altijd met leede oogen de welvaart aangezien, die Allah aan den ongeloovigen onderdaan had gegund. Nu zou de Muzelman dan toch aan het zijne komen. In eene havenstad aan de Cilicische kust werden "naaimachines verkocht voor 1½ medjidieh (ongeveer twee gulden vijf en tachtig cent), ijzeren ledikanten voor een paar piasters; en in eene tot nog toe bloeiende havenstad aan de Zwarte Zee zagen wij een schouwspel van algemeenen roof en diefstal."

"Uit de duizend Armenische huizen in de stad, één voor één, worden de meubelen door de politie weggedragen.., en een menigte Turksche vrouwen en kinderen volgen de politie als een troep gieren en eigenen zich alles toe, waarop zij de hand kunnen leggen; en als alle meer waardevolle zaken door de politie uit een huis gedragen zijn, stormen zij naar binnen en nemen wat is overgebleven. Dag aan dag zie ik dit

pagina 45

tooneel met eigen oogen. Ik veronderstel, dat met het leeghalen van alle huizen verscheidene weken gemoeid zullen zijn, en daarna zullen de Armenische winkels en magazijnen aan de beurt komen." (R.A.C.)

Het is eene stelselmatige verdelging van een geheel volk, en dat was ook het doel, want de Duitsche Consul deelde aan getuige mede, dat "hij niet geloofde, dat aan de Armeniërs ooit zou worden toegestaan naar de bedoelde stad terug te keeren, zelfs niet na het einde van den oorlog." (R.A.C.)

Doch de verkoop hunner goederen baatte den Armeniërs niet veel, want zelfs de onbeduidende sommen, die zij er voor kregen, bedroegen meer dan hun werd toegestaan mede te nemen. Hun reisgeld was strikt beperkt tot een paar guldens, en, indien zij ook al beproefd hadden meer mee te nemen, zou dat toch alleen gediend hebben om hen bloot te stellen aan berooving door hunne bewakers. Maar toch, als zij hun bezit niet konden verkoopen, was er nog minder hoop het te kunnen mee voeren. In vele gevallen was de tijd te kort om iets van de hand te

pagina 46

doen of in te pakken, en dit schijnt inzonderheid het geval geweest te zijn in Cilicië.

"In het bergdorp Geben," bijvoorbeeld "waren de vrouwen aan de waschtobbe, en werden zij gedwongen haar natte kleeren in het water te laten, en blootsvoets en half gekleed, net zoo als zij waren, op weg te gaan. In sommige gevallen konden zij een deel van hare weinige meubelen of landbouwgereedschappen mede nemen, maar meestal werd hun niet vergund iets mee te nemen of te verkoopen, zelfs al was er wel tijd voor." (R.A.C.)

"In Hadjin zagen welvarende menschen, die eten en beddegoed voor onderweg hadden gereed gemaakt, zich genoodzaakt dit op straat achter te laten, en leden daarna erg ten gevolge van honger." (R.A.C.)

De bannelingen hadden reden tot dankbaarheid als zij voor zich zelf vervoermiddelen konden vinden. Soms kondigde de Regeering aan, dat zij voor elk gezin een ossenwagen zou verstrekken. Maar dikwijls was dit slechts eene gelegenheid te meer voor bespotting of bedrog. In eene plaats, waar den menschen was aangezegd op Woensdag te vertrekken, verschenen de wagens op Dinsdag om half vier in den ochtend, en de menschen kregen bevel onmiddellijk te vertrekken. "Sommige werden uit hunne bedden gesleurd, zonder zelfs

pagina 47

voldoende gekleed te zijn." In andere gevallen werd niet de minste voorziening getroffen. Bij voorbeeld in de bovenbedoelde stad aan de Zwarte Zee deelde de Gouverneur-Generaal aan getuige mede, dat "aan de Armeniërs was toegestaan de noodige beschikkingen voor rijtuigen te maken." "Maar niemand," zegt getuige, "scheen eenige maatregelen te nemen. Ik weet evenwel van een rijk koopman, die vijftien Turksche Ponden betaalde voor een rijtuig voor zich zelf en zijne vrouw... Ongeveer tien minuten na hun vertrek werd hun evenwel door de gendarmes bevolen uit hun rijtuig te stappen, hetwelk naar de stad werd teruggezonden." En altijd was het dezelfde geschiedenis, want de eigenaars der rijtuigen waren steeds ter plaatse gevestigde Muzelmannen, die niet van plan waren de rampzalige karavaan naar hare afgelegen bestemming te vergezellen. Na een marsch van een of twee dagen, als de laatste penningen der slachtoffers ter omkooping waren afgeperst, keerden de voerlieden hunne ossen om. Dikkwijls zag het tweede gdeelte van een konvooi, bij hun vertrek, de wagens, aan het eerste gedeelte toegewezen, leeg naar de stad terugkeeren, en begrepen zij, dat het grootste gedeelte

pagina 48

van den eindeloozen tocht over de bergen te voet zoude moeten worden afgelegd.*

* Het volgende wordt, bij voorbeeld, verhaald in een brief afgedrukt in het nummer van 4 September van het, boven reeds vermelde, te New York uitgegeven blad "Gotchnag":–

"Toen de Regeering aankondigde, dat de Armenische bevolking een zekere stad in het binnenland van Oostelijk Anatolië moest verlaten, verkreeg eene Amerikaansche zendelinge Mejuffrouw X., vergunning de gedeporteerden te verrgezellen. Zij kocht een rijtuig, acht wagens en zes ezels, ten dienste van de leerlingen en onderwijzers der zendingsschool op hunnen tocht. De Regeering had een ossenwagen ter beschikking van elk gezin gesteld, naar niemand weet aan te geven hoe ver de ongelukkige gedeporteerden hebben kunnen rijden, of op welk tijdstip zij gedwongen werden te voet verder te gaan."

"De meeste Armeniërs in het district waren ten eenen male hopeloos. Velen zeiden dat dit nog veel erger was dan eene algemeene uitmoording. Niemand wist wat komen zou, maar allen gevoelden dat dit het einde was. Zelfs de geestelijken en leiders konden geen enkel woord van hoop of aannmoediging doen hooren. Velen begonnen aan het bestaan van God te twijfelen.† Onder die hevige spanning en opwinding werden vele personen krankzinnig, sommige van hen voor altijd." (R.A.C.)

† Eene herhaling van een geval, dat gerapporteerd is uit de moorden van 1909, toen eene vrouw, die haar kind levend had zien verbranden in de dorpskerk, aan degenen, die haar wilden troosten, antwoordde: "Zie je dan niet wat gebeurd is? God is gek geworden."

pagina 49

Te oordeelen naar den indruk, op de getuigen gemaakt, moet het tooneel van het vertrek in ieder geval droevig genoeg zijn geweest. Uit die stad aan de kust werden de bannelingen verzonden in elkaar opvolgende troepen van ongeveer 2.000 elk.

"Het weenen en jammeren der vrouwen en kinderen was waarlijk hartverscheurend. Sommmige van deze menschen kwamen uit welvarende, verfijnde kringen, sommige waren gewend aan weelde en de gemakken des levens. Het waren geestelijken, kooplieden, bankiers, advocaten, ambachtslieden, kleermakers en mannen van iederen rang of stand... De geheele Mohamedaansche bevolking wist, dat deze menschen van den beginne af hunne prooi waren en zij werden behandeld als dieren." (R.A.C.)

En hier is nog eene beschrijving van een andere plaats:

"Den geheelen ochtend verlieten de ossenwagens piepende en krakende de stad, beladen met vrouwen en kinderen en hier en daar een enkelen man, die aan de vroegere uitzettingen ontkomen was. De vrouwen en meisjes waren alle in Turksche kleederdracht, om niet in het gezicht te worden gestaard door voerlieden en gendarmes, – een bruut stel mannen, uit andere streken aangebracht..."

"De paniek in de stad was verschrikkelijk. De menschen gevoelden dat de Regeering vast besloten

pagina 50

was het Armenische ras uit te roeien, en tot weerstand bieden waren zij niet bij machte. Zij waren er zeker van, dat de mannen gedood zouden worden en de vrouwen geroofd. Vele gevangenen waren uit hunne kerkers vrijgelaten, en de omringende bergen waren vol van benden schavuiten..."

pagina 51

Colofon