Armenische gruwelen – hoofdstuk 1: Armenië voor de moorden

I – ARMENIË VÓÓR DE MOORDEN

De Duitsche oorlog begon met verschrikking en verwoesting te brengen in streken die aan zulke toestanden vreemd waren – het vreedzame Belgie en het industrieele hart van Frankryk. Later is die oorlog er ook in geslaagd de wonden van reeds diep getroffen landen nog meer te doen schrijnen. Polen heeft geleerd met benijdenden blik terug te zien naar den toestand waarin het vóór Augustus, 1914, verkeerde, de volkeren van het Balkanschiereiland zijn beroofd van hunne laatste hoop op broederschap, en nu heeft, aan den Oostelijken zoom van Duitschlands strijdperk, het afwisselend lijden van het Armenische ras zijn toppunt bereikt in eene stelselmatige, in koelen bloede uitgevoerde, poging van zijn Turksche overheerschers om het eens voor altijd uit te roeien door middelen van een niet in te denken barbaarschheid en verdorvenheid.

De Armeniërs zijn misschien het oudste der in Westelijk Azië gevestigde beschaafde menschengeslachten en ten huidigen dage zijn zij daar stellig het krachtigste ras. Hun vaderland is de knoop van hooge bergen tusschen de Kaspische Zee, de Middellandsche Zee en de

pagina 23

Zwarte Zee. Hier heeft de Armenische boer sedert onheugelijke tijden het nijvere, arbeidzame leven geleid, dat tot aan den vooravond van deze laatste ramp zijn deel was. Hier was een sterk, beschaafd Armenisch rijk de eerste staat der wereld, die het Christendom als zijn nationalen godsdienst aanvaardde. Hier hebben Kerk en Volk hunne traditie met buitengewone levenskracht gehandhaafd tegen elkaar steeds van alle kanten opvolgende buitenlandsche veroveringen.

Gedurende vele eeuwen reeds is Armenië niet de uitsluitende verblijfplaats geweest van het Armenische ras, want in de Oostelijke Provinciën van het Turksche Rijk vinden wij hetzelfde verschijnsel van vermenging en verbrokkeling van rassen als door de werking van het Turksche regeeringsstelsel op het geheele Balkan-schiereiland veroorzaakt. Onder het kwaadwillig bewind van den Muzelmanschen veroveraar hebben de Koerden, ook een oud ras, maar een dat onbeschaafd is gebleven, zich van uit hunne oude vestigingsplaatsen uitgebreid over de voorvaderlijke berglanden der Armeniërs. Zij geven de voorkeur aan eene wildernis om hunne schapen en geiten te doen grazen en kijken met schuinschen blik naar de nette

pagina 24

dorpen en welbebouwde akkers der oorspronkelijke bewoners des lands. Zoo verloor de Armeniër het onverdeeld bezit van zijn eigenlijk land, doch hij heeft zich schadeloos gesteld door het vinden van vele nieuwe vestigingssplaatsen over zijne grenzen. Want de Armeniër is niet alleen een nijvere landbouwer, maar heeft ook talent voor ambachten en meer intellectueele bezigheden. Het meest door zorgen gekwelde dorp in de bergen zou nooit zijn dorpschool in de steek laten, en die scholen waren het die den weg baanden tot eene minder beperkte, wijdere wereld. Hij bezit ook dat talent voor den handel, hetwelk de Jood aan den dag legt in Oostelijk Europa en de Griek in den Levant, en hij speelt zelf een dergelijke rol, als bekwame arbeider en zakenman in het binnenland van Aziatisch Turkije. Iedere stad in Noord-Syrië en Anatolië had, achttien maanden geleden, hare dichtbevolkte, welvarende Armenische wijk – het brandpunt van plaatselijke bekwaamheid, vernuft en handel, zoowel als van de handelsbetrekkingen der stad met Konstantinopel en Europa. In Konstantinopel zelf was de Armenische bevolking tot meer dan 200.000 zielen gestegen, en er waren er bijna evenveel in Tiflis, de hoofdstad van Russisch Trans-Kaukazië. Trans-Kaukazië, met zijn ordelijke,

pagina 25

Christelijke regeering en zijne veelbelovende economische ontwikkeling, was dan ook het tweede vaderland geworden van het Armenische ras. De Katholikos, of Hoofd der Armenische Kerk, woont op Russisch grondgebied, te Etchmiadzin, en er waren misschien 750.000 Armeniërs ten Noorden der Russische grens. Achttien maanden geleden vertegenwoordigden deze evenwel slechts de minderheid van het ras, want ongeveer 1.200.000 stonden nog onder Turksch beheer. Iets meer dan de helft van deze meerderheid bewoonde het oorspronkelijk Armenië, ten Oosten van den bovenloop van den Eufraat en ten Noorden van den Tiger. De rest was verspreid over al de steden tusschen den Eufraat en Konstantinopel. Hun aantal was bijzonder groot in het Adana-district van Cilicië, eene vruchtbare vlakte grenzende aan den Noordoostelijken hoek der Middellandsche Zee, terwijl in de uitgestrekte berglanden boven de vlakte de bergsteden Zeitoen en Hadjin bloeiende middelpunten van het Armenische leven waren.

De toestand van deze twaalf honderd duizend menschen, ongeveer acht percent van de geheele bevolking van het Turksche Rijk, was nooit

pagina 26

zeer benijdenswaardig geweest. Zij werden behandeld als een onderworpen ras en misten het recht wapenen te dragen, hetgeen hen, in zulk een wetteloos en ordeloos land, vrijwel aan de genade van hunne individueele Muzelmansche naburen overleverde. Maar tegenover die nadeelen stonden toch ook wel voordeelen. Te midden van eene tamelijk domme, conservatief gezinde Turksche bevolking gaf hun handels-genie hun een feitelijk bedrijfs-monopolie en, daardoor, een evenredig groot aandeel in de welvaart des lands. Met moeite verworven winsten of verdiensten werden weliswaar dikwijls in individueele gevallen door plaatselijke tyrannie weer geroofd; maar de begaafdheden van den Armeniër waren voor zijne meesters wezenlijk onontbeerlijk, en dat zij dit feit algemeen erkenden bleek uit de algemeene verdraagzaamheid die hem van hunne zijde ten deel viel. Tusschen den onderworpen intellectueelen Christen Armeniër, en den overheerschenden agrarischen Muzelman Turk was dan ook langzamerhand in de praktijk een soort van effectieven, al was het dan ook ruwen, ongeschoeiden toestand van evenwicht ontstaan.

pagina 27

Die oude, gevestigde oplossing van het Armenische vraagstuk werd het eerst aangetast door Sultan Abdul-Hamid. Zijne ondervinding op den Balkan had hem geleerd, hoe hij de rassen van zijn Rijk kon beheerschen door hen aan te zetten elkander uit te moorden. Het geleerde toepassende op zijne Oostelijke Provinciën, waar hij vreesde, dat de intelligente en bedrijvige Christen bevolking vrijheid zoude trachten te verkrijgen, zooals de Bulgaren die in 1878 uit Rusland's handen hadden ontvangen, verdubbelde hij de lasten, voerde nieuwe onderdrukkingen in en eindigde met het in dienst nemen der mannen van den stam der Koerden als de "Hamidieh" Cavalerie. Officiëele onderscheidingsteekenen en moderne geweren werden aan de Koerden in hunne nieuwe hoedanigheid uitgereikt, en zij werden ingewijd in de hun zoo welkome plichten. De resultaten waren de ongehoorde Armenische bloedbaden onder officiëele leiding, die in 1895 en 1896 den afschuw der beschaafde wereld opwekten en Gladstone aanleiding gaven tot de laatste openbare redevoering door hem in zijnen hoogen ouderdom gehouden. Toen Abdul-Hamid in 1908 was afgezet en het "Comité van Vereeniging en Vooruitgang " eene constitutioneele Regeering en gelijke rechten voor

pagina 28

alle Ottomaansche burgers afkondigde, was er reden om te hopen dat er betere dagen waren aangebroken maar de Ottomaansche constitutie werd, nog binnen het verloop van een jaar, gevolgd door de even afgrijselijke, ofschoon minder uitgebreide moorden van Adana. Zelfs die vlaag ging intusschen weer over, doch liet een chronisch euvel na. De Heer Noel Buxton, die in Turksch Armenië reisde een paar maanden vóór het uitbreken van den oorlog, rapporteerde dat de Jong-Turken roekeloos de politiek van Hamid om de Koerden te wapenen hadden voortgezet, en dat ieder oogenblik een nieuw onheil voor de deur kon staan. Toen kwam de krijg, waarin Turkije zich aan Duitschland's zijde schaarde, en namen de misdaden een aanvang, die in de volgende bladzijden zullen worden verhaald.

De bewijzen, welke aan het onderstaand verslag ten grondslag liggen, zijn ontleend aan verschillende bronnen. Sommige zijn reeds in druk verschenen. Een klein gedeelte is langs particulieren weg toegezonden aan Lord Bryce, die vele persoonlijke banden met het Armenische volk heeft. Zij stemmen geheel overeen met de andere stof opgenomen in het verslag (op 4 October 1915 in de Vereenigde Staten in zijn geheel openbaar gemaakt) der

pagina 29

Amerikaansche Commissie van Onderzoek – een lichaam bestaande uit vijf en twintig leden, waaronder twee gewezen Ambassadeurs bij de Porte en vier Directeuren van Amerikaanschen Zendingsarbeid in het Ottomaansche Rijk, benevens personen van zulk een hoog aanzien als Kardinaal Gibbons, de Bisschoppen Greer en Rhinelander, Dr. Charles W. Eliot, (gewezen President der Harvard Universiteit) en de Heeren Charles R. Crane, Stephen S. Wise en John R. Mott.* De bewijzen zijn

* AMERIKAANSCHE COMMISSIE IN ZAKE ARMENISCHE GRUWELEN
70, Fifth Avenue, New York

JAMES L. BARTON, † Voorzitter
SAMUEL T. DUTTON, Secretaris
CHARLES R. CRANE, Penningmeester

Cleveland H. Dodge, Charles W. Eliot, Kardinaal James Gibbons, The Right Reverend David H. Greer, Normand Hapgood, William I. Haven, Maurice H. Harris, Arthur Curtis James, Frederick Lynch, H. Pereira Menes, John R. Mott, Frank Mason North, Harry V. Osborn, The Right Reverend P. Rhinelander, Karl Davis Robinson, William W. Rockwell, Isaac N. Seligman, William Sloane, Edward Lincoln Smith, Oscar S. Strauss, Stanley White, Stephen S. Wise.

† Secretaris van den "Board" der Amerikaansche Missiën.

pagina 30

inderdaad overvloedig en direct, en hunne eenstemmigheid in het anders nauwelijks geloofbaar verhaal maakt een waarlijk ontstellenden indruk. Gedeeltelijk worden de bewijzen geleverd door neutrale getuigen, Europeesche of Amerikaansche reizigers of handelslieden, die uit het binnenland van Turkije zijn teruggekeerd sedert het afgrijselijke werk een aanvang nam, of vaste ingezetenen, die in hunnen rang voldoende bescherming vonden om in staat te zijn mede te deelen wat zij ter plaatse hadden gezien. Zulke onaanvechtbare, niet te betwijfelen getuigenissen vormen het hoofdbestanddeel van de verklaring der Amerikaansche Commissie; maar zelfs in die gevallen moeten de bewijzen, uit voorzorg, in een anoniemen vorm geleverd worden, en bij de bespreking van getuigenissen van Armenische inboorlingen klemt de noodzakelijkheid eener strikte terughouding van namen nog meer. Het misdrijf is zonder eenig voorwendsel gepleegd, maar iedere schijnreden om het in individueele gevallen voort te zetten zou door zijne bewerkers of organiseerders met gretige hand worden aangegrepen. Desniettemin zijn de getuigenissen der Armeniërs aangaande hun eigen lijden even duidelijk als

pagina 31

de verklaringen van hunne beter beschermde vrienden. Aan het hoofd van het eerstgenoemde getuigenis staat de verklaring van den Katholikos zelf, van uit Rusland gezonden aan de "Armenian National Defence Union" (Armenische Vereeniging voor Nationale Verdediging) in de Vereenigde Staten, en op 27 September in de Amerikaansche pers openbaar gemaakt; en de waarheid zijner woorden blijkt uit een vertrouwelijk schrijven, dat een ander hooggeplaatst Armenisch geestelijke, in dit geval woonachtig in een neutraal land, heeft ontvangen van een aanzienlijk landgenoot in het diepgetroffen gebied. Dan zijn er nog de vluchtelingen, de overblijvenden der natie, die veiligheid hebben gevonden achter de Russische liniën in den Kaukazus of de bevriende Middellandsche Zee hebben kunnen oversteken naar Egypte. Als voorbeeld daarvan kunnen worden aangehaald de 4.200 Armeniërs – mannen, vrouwen en kinderen – uit Selefkeh, de haven van Antiochië, welke het Fransche kruisers-eskader in het laatst van September veilig te Port-Said aan wal zette. Zij hadden zeven weken in de bergen verblijf gehouden, strijdende voor hun leven met

pagina 32

verouderde geweren en onvoldoende ammunitie, met de zee in den rug. Tegen Turksche geregelde troepen, versterkt met het uitvaagsel uit de achterbuurten van Aleppo, scheen hunne kans hopeloos; maar zij wisten, dat het hun eenige kans was, want het bevel was gegeven zich binnen een week voor deportatie gereed te houden, en het lot van al hunne gedeporteerde rasgenooten uit Anatolië stond hun levendig voor oogen. Doch hierdoor zou op den geregelden gang van het verhaal worden vooruitgeloopen. De aard der bewijsstukken, waarover beschikt wordt, is voldoende aangegeven, en het is daarom beter de geheele reeks misdaden van af het begin uit een te zetten.

pagina 33

Colofon