Armenische gruwelen – aanhangsel

AANHANGSEL

Sedert het verschijnen van dit boek heeft Lord Bryce door bemiddeling van de Amerikaansche Commissie – onder andere stukken – eene onderteekende verklaring ontvangen van een Christelijk Professor eener Onderwijsinstelling in eene stad in Aziatisch Turkije, die gedurende meer dan vijftien jaren aan die instelling verbonden was geweest, laatstelijk als Professor in de Geschiedenis. Aan de uitmoording ontkomen, bereikte hij in den loop van den Herfst van 1915 Amerika, en schreef daar, in ballingschap, het verslag zijner ondervindinngen, hetwelk hieronder volgt.

Evenals in andere gevallen is het strikt noodzakelijk alle namen te verzwijgen, zoowel van den getuige zelf als van de stad zijner inwoning en van zijne lotgenooten uit de zelfde plaats. De namen worden daarom hier vervangen door letters, en den lezer wordt verzocht in goed vertrouwen aan te nemen, dat overal, waar in de onderhavige lezing een letter wordt gegeven, de feitelijke naam van een plaats of persoon in het oorspronkelijk stuk vermeld was.

pagina 166

Hieronder volgt de verklaring van den Professor, geheel weergegeven (behoudens deze wijziging) zooals zij luidt:

"Onder het voorwendsel van transportatie om staatkundige redenen brengen de Jong-Turken een welberaamd, stelselmatig uitroeiingsplan ten uitvoer. In April beginnende, zetten zij de leiders en vele op den voorgrond staande lieden in onze stad gevangen. Ten einde bekentenissen uit te lokken pasten zij allerlei folteringen toe, wier wedergade alleen te vinden is in de geschiedrollen der Middeleeuwen of van de Inquisitie. Ik zag menschen, niet in staat om te loopen, op ezels naar den dokter (de naam wordt opgegeven) brengen, ter behandeling der wonden en kneuzingen, die zij hadden opgeloopen ten gevolge van pijniging en slagen. A., een sterke jonge man, een beambte der Onderwijsinstelling, werd zoo vreeselijk geslagen, dat hij weken lang niet in staat was om te loopen. Ik heb hem kreunende te bed zien liggen."

"Van de lippen van Professors B. en C., zoowel als van vele anderen, onze gegradueerden enz. vernam ik den vreeselijken toestand dergenen, die gevangen zaten in eene onderaardsche plaats onder de kazerne dezer stad. De menschen waren daar letterlijk saamgepakt – de lucht was er om te stikken. Gelukkig werden zij daar slechts korten tijd gelaten. Maar ongelukkig werden zij bij ploegen van daar weer weggehaald en ter dood gebracht op een afstand van drie tot vier uren van de stad. Dit werd door de Turken openlijk

pagina 167

aan vele Grieken erkend. Ik hoorde het van een Griekschen gendarme, die gedwongen was geworden bij het dooden te helpen. Bijlen werden gebruikt om hen te dooden. Alle kleedingstukken moesten de veroordeelden uittrekken, op de onderkleeding na; zij werden dan naar den kant van eene breede sloot gebracht, en knielden daar neder, met de handen achter op den rug gebonden. Dan werden zij met de bijlen op het hoofd geslagen – zoo als door een ooggetuige is beschreven aan den Heer D., den vertegenwoordiger van den Griekschen bisschop in de stad. De Armenische priesters werden met de overigen gedood. Een van hen, E., werd gedood biddende en in biddende houding, met zijn zoon naast hem."

"Vrouwen, kinderen en oude mannen werden op ossenwagens weggevoerd. Het was een tragisch gezicht. Vrouwen van goede familie, als boerinnen gekleed, werden op ossenwagens voortgereden, begeleid door woeste gendarmes en Turksche voerlieden, die er uit zagen als wilden. Op een wagen zag ik de bejaarde moeder, de vrouw, de zuster en het tweejarig dochtertje van den Heer F., een van onze onderwijzers; toen zij onze deur voorbij kwamen, zegden zij ons vaarwel – de oude moeder, met de hand opwaarts wijzende, zeide tot ons "Bidt voor ons" en ging verder. Het kind glimlachte. Op een wagen was eene vrouw in blijde verwachting. Mejuffrouw G., eene verpleegster in het ziekenhuis, zag haar, toen zij het ziekenhuis voorbij reed; zij verzocht den gendarme, haar in het ziekenhuis te laten tot dat de bevalling zou hebben plaats gehad. Dit verzoek werd toegestaan. Zij

pagina 168

beviel na weinige dagen. Anderen waren evenwel niet zoo gelukkig en werden zonder genade verder gevoerd."

"Ik verliet de stad in het begin van Augustus, vergezeld door den geestelijke H. met zijne vrouw en zijne nicht; den Heer J. van onze instelling met zijne vrouw, zijne moeder en zijne dochter en Mevrouw K. uit eene stad in Engeland met hare vier dochters. Eerstgenoemde reisde met eene – officiëel gegeven – vergunning van het Bestuur der stad. De twee laatsten hadden eene speciale vergunning van den Minister van Oorlog Enver Pasha. De Heer J. was een Amerikaansch burger."

"Op twee dagreizen afstands van de stad Z., bij het dorp X., werd ons door een gendarme bevolen halt te houden. Bij hem waren verscheiden mannen met bijlen in de handen. Hij vroeg mij, of er bij ons ook Armeniërs waren. Hij zeide, dat alle Armeniërs terug moesten keeren, – de Grieken konden doorgaan. Ik trachtte met hem te redeneeren, en legde nadruk op het punt, dat zij reisden met speciale vergunning van Enver Pasha. Hij antwoordde "dat hij niet lezen kon, en dus de bevelen had uit te voeren, die hem waren gegeven." Een paar minuten daarna kwamen er 56 gewapende mannen te paard. Een van hen kon lezen. Zij herhaalden het zelfde bevel – "Alle Armeniërs terug."

"Al de arabadji's (voerlieden) – allen Turken – deden hun best de mannen te overreden. Zij zeiden allen: "Dit zijn allen Grieken en geen

pagina 169

Armeniërs. In de stad van waar zij kwamen was met de Armeniërs reeds afgehandeld." "Er was slechts een Armenisch gezin in het gezelschap, en dit had de vergunning van Enver Pasha." Het stuk werd aan den leider (naam en rang worden vermeld) ter hand gesteld. Hij las het hardop. Toen sprak ik tot hem, zeggende dat ik uit Z. was, en dat ik een intiem persoonlijk vriend te Z. in militairen dienst had. Ik beschreef hem en gaf zijn naam op aan den leider. Toevallig kende hij mijn vriend, tot wien hij met hoogachting opzag. Toen hij dit hoorde, lachte hij, drukte mij de hand, en verzocht mij zijne groeten aan mijn vriend oyer te brengen, terwijl hij er bij voegde: 'Neem ons niet kwalijk, deze gendarme heeft zich vergist toen hij U deed stil houden. Ga door." Het geheele gezelschap ging door. Wij hoorden later, dat de leider een welbekende misdadiger, een roover, was, en dat de geheele troep bestond uit chitti's – bandieten – gewapend op bevel der Regeering en los gelaten om onder de Armeniërs verwoestingen aan te richten. Gedurende dit tooneel van spanning brak den Heeren H. en J. het koude angstzweet uit. Mevrouw K. sidderde.

"In een rijtuig waren een zoon en een dochter van den Heer A., geestelijke in een stad aan de kust."

"Op den dag, waarop wij Z. bereikten, een Vrijdag, was men bezig de Armeniërs der plaats te arresteeren. Aan onze reisgenooten werden hunne papieren en vergunningen om te reizen afgenomen, en deze werden hun nooit terug

pagina 170

gegeven. Door de politie werd hun medegedeeld, dat van uit Konstantinopel een onderzoek naar hen was ingesteld, en dat op bevelen te hunnen opzichte werd gewacht. De Heer J. en de Heer M. legden een bezoek af bij het Hoofd (Moedir) der Politie te Z. en hadden een onderhoud met hem, – dat evenwel tot niets leidde. Hij ondervroeg .T. ten aanzien van zijn Amerikaansch burgerschap; hoe het mogelijk was dat een in Turkije geboren man Amerikaansch "onderdaan" kon wezen. Drie dagen na onze aankomst werden H. en J. des nachts uit het hotel gehaald en met andere voorname Armeniërs uit Z. in rijtuigen weggevoerd – met gebonden handen. Zij werden den weg naar het Zuid Oosten op gezonden. Rijtuigen waren gehuurd voor een afstand van vier uren – tot aan een meer op vier uren afstand. De koetsier, die onze vrienden reed, en die een man uit onze stad was, en Mevrouw K. van daar had gebracht, zeide mij: "die mannen werden onderweg gedood"; hij mocht de daad niet zien volvoeren, maar Zaptieh had het hem verteld. Hij was er zeker van, dat alle weggevoerde personen vermoord waren."

"Boeren deelden aan mijn vriend, die te Z. in militairen dienst was, mede, dat plaatsen bij hunne dorpen, in de nabijheid van het tooneel van ons incident met de chitti's roodgekleurd waren van bloed."

"Voerlieden zeiden mij, dat zij wenschten nooit zoo iets aanschouwd te hebben als zij hadden gezien. Een Albaniër te Z. pochtte er in het koffiehuis op, hoe hij 50 Armeniërs had gedood."

pagina 171

"De spoorwegstations van Z. naar Nicodemië waren vol vrouwen, kinderen en mannen – uit hunne woningen verdreven Armeniërs, de gelegenheid afwachtende om in te stappen. Zij werden vervoerd in goederentreinen, opeengepakt als haringen. Het was een erbarmelijk, hartbrekend schouwspel."

"Het schijnt, dat niemand hun mocht toespreken. Bij Nicodemië zag ik, in een van de wagens, M., een man uit onze stad, in betrekking aan de school te W. Ik waagde het, zijn naam te roepen toen onze trein voorbij ging, doch slaagde er niet in zijne aandacht te trekken. Onmiddellijk daarop vroeg de Turk naast mij of ik een Armeniër was. Er waren geen Armeniërs in onzen trein."

"Turksche soldaten uit Kaisariyeh en de daartoe behoorende dorpen, op onzen weg naar Z., in het dorp Y. – deelden mij mede dat alle dorpen in hunne landstreek waren leeg gehaald – al de mannen gedood. Ik vroeg hun omtrent de vrouwen; "Dat weet God alleen," was hun antwoord."

"Ik zag een rijtuig – araba – beladen met spaden, schoppen, enz. vóór het Hoofd-Bureau van Politie te Z., geheel overdekt, maar toch zoo, dat men kon onderscheiden wat de inhoud was. Toen reed een politie-dienaar er mede weg. Gedurende het opladen werd aan niemand toegestaan dit te zien. Daar ik juist op dat oogenblik voorbij ging en het waagde, dien kant op te kijken, werd ik door den Politie-Commissaris op ruwe wijze aangegrepen."

pagina 172

"De Kaimakam en de Commandant der gendarmes in onze stad hebben mij herhaaldelijk gezegd, dat zij slechts werktuigen waren; zij hadden de hun gegeven bevelen uit te voeren. Geen enkele Armeniër mag worden overgeslagen, oud of jong, blind, of lam, of invaliede, allen moesten heengaan – zonder eenige uitzondering."

"De Vali van ... werd ontslagen, omdat hij weigerde deze bevelen uit te voeren. Een nieuwe Vali, een jonge, onervaren man, werd in zijne plaats gezonden, en deze voerde het bevel stipt en hardvochtig uit."

"De Roomsch-Katholieke Armeniërs uit Z., ongeveer 3.000 gezinnen, werden alle gedeporteerd.

"Mevrouw H., Mevrouw J. en Mevrouw K. waren nog te Z., verblijvende in het Protestantsch kerkgebouw, toen ik Z. op 26 Augustus verliet. Zij trachtten den Vali te spreken, doch dit werd haar niet toegestaan, en hare papieren en vergunningen werden haar niet terug gegeven. Mevrouw K. smeekte mijne vrouw om ten minste een van hare dochters met ons mee te nemen. Door vele anderen werden dergelijke verzoeken gedaan. Het was echter niet mogelijk iets te doen. Wij lagen zelf onder verdenking en lijden kon ook ons beschoren zijn, en het is een wonder dat wij ontkwamen. Het is te danken aan de Genade Gods en de vriendelijke hulp van de Amerikaansche Ambassade en het Amerikaansch Consulaat te Konstantinopel."

(volgt de onderteekening.)

pagina 173

Colofon